Koppelingen:
Vorig artikel: RIJROK Volgend artikel: RIJS II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

RIJSI

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: rijs

znw. onz., mv. rijzen naast (thans ouderwets klinkend) rijzeren, rijzers (mnl. mv. riser, risere, risers, waarnaast ook rise, risen; zie VERDAM); verkl. rijsje, rijsken (door den Statenbijbel in gebruik gebleven), in Z.-Nederl. rijzetje, rijzeken, mv. -s. Mnl. rijs; mnd., mhd. rîs; os., ohd., ags., on. hrîs; nhd. reis, eng. rise. Het woord is verwant met een germ. ww. voor: schudden, beven (got. af-hrisjan: afschudden; os. *hrissian: beven; ags. hrissan, hrisian: beven, schudden; on. hrista: schudden), en heeft oorspronkelijk de beteekenis gehad van: het bevende, schuddende, trillende.
+A.  Als voorwerpsnaam, met mv.
+B.  Als verzamelnaam, zonder mv.
C.  Als verzamelnaam met het karakter van voorwerpsnaam, met mv. Een takkenbos. Verg. bij V. KEIRSBILCK, Timm. 288 [1898] de samenst. rijzetjespeerd voor mutsaardpaard (Dl. IX, 1283).
R ij s. Fland. j. mutsaerd. Fascis,   KIL.
Rijs … kleene mutsaard, fagoot,   DE BO [1873].
— Honderd rijzen koopen,   DE BO [1873].
De arme jongen kreeg een rijzetje en droeg het haastig naar huis,   DE BO [1873].
Rijzen worden per vim verkocht. Men onderscheidt de rijzen in wilgen-, elzen-, eikenrijzen enz. Boomrijzen zijn rijzen van opgaande boomen, vooral van eiken en beuken. Snoeirijzen zijn rijzen van het dunne hout van akkermaalsbosschen. Opgehouwen rijzen zijn rijzen van vier- of vijfjarig eiken- of elzenhout (opgaven uit Heinoo in Overijsel).   poëem WNT
Afl. Rijzen (zie ald. het derde art.). — Verder: Rijsachtig (”Dit cruyt heeft rijsachtiger ende houtachtiger Stelen”, DODON. 172 b [ed. 1608]) en het in Z.-Nederl. gebruikelijke verkleinw. rijzel of rijzer, dunne tak of twijg (”Den eekenboom bewondere ik, die … de keizer schijnt, het opperhoofd, de herder, algemeen, der machtelooze rijzels, die beneên zijn grootheid beven”, GEZELLE 6, 64; ”Een bos rijzels”, DE BO [1873]); ook: erwtenrijs (”Ik heb geen rijzels genoeg voor al mijn erwten”, DE BO [1873]).
Samenst. Rijsbed, rijsberm, rijsbeslag, rijsbezem, rijsbos, rijsdam, rijshoofd, rijshout, rijswaard, rijswerk, rijswerker (zie die woorden). — Verder:
Rijsband, hetzelfde als Band (in de bet. A, 2, f).
(Rijshout,) met twee taaije willigen rijsbanden … stijf te zamengebonden,   CALAND, Dyksb. 198 [1833].
Rijsbank, rijshoofd.
Daar leid eene zwaare rijsbank voor Duinkerken,   HALMA.
Rijsbedding, hetzelfde als Rijsbed. 1°. In de bet. 1).
Soms wordt bij zulke rijsbeddingen het boven roosterwerk geheel weggelaten, en de onderscheidene rijslagen enkel door tuinen en palen in den bovengrond bevestigd,   STORM BUYSING, Waterb. 1, 6.
2°. In de bet. 2).
Nadat de tuinen vast op de rijsbeddingen neergedreven en van 4 tot 8 dagen aan lucht en water zijn blootgesteld, worden de beschadigde tuinlatten, haringbanden, gaarden enz.   … uitgenomen en door anderen vervangen, Alg. Voorschr. 1901, § 47.
Rijsbedekking.
De rijsbedekking van Brabantsch, Hollandsch- of Schouwsch rijs, wordt als optreklaag … haaks op het riet gelegd,   Alg. Voorschr. 1901, § 42.
Rijsbes, benaming voor een soort van boschbes, Vaccinium uliginosum (zie OUDEMANS, Flora² 2, 333; HEUKELS 268 [1907]; Ned. Plantenn. 60).
Rijsblees, hetzelfde als Blees (topeind van een tak rijshout).
Eene optreklaag (van rijs), van wiep tot wiep gelegd, waarvan de rijsblezen … naar boven komen,   CALAND, Dyksb. 201 [1833].
Rijsboom, boom met takken en twijgen. Ook mnl.
Dat niemand … hem en vervordere … te breken, nemen, noch halen, eenige boomen, rys, takken, … bevelende de poortiers … van onse Steden, goede naarstige toesichte te nemen op ten geenen, die met groene rysboomen, ofte stokken aldaar koomen sullen,   Utr. Placaatb. 1, 710 b [1546].
In verkleiningsvorm: heestergewas.
Rijsboomtje. Arbrisseau,   HALMA.
Rijsbosch. 1°. In het algemeen. Bosch van laagstammig geboomte (V. DALE).
2°. In het bijzonder. Rijswaard, griend.
Rijsbosch, teenbosch, oseraie,   V. MOOCK.
Rijsbundel, rijsbos.
Rijsbundel, faisceau de verges,   V. MOOCK.
— De Gallen …, verladen met menichte rijsbondelen, om te vervullen den gracht van den Roomschen leger,   V. SCRIECK, Oorspr. d. Nederl. 132.
Daar wierden eertijds voor de Roomsche Burgermeesters (de Romeinsche consuls) twaalf rijsbundels gedragen,   HALMA.
Rijsbussel, in Z. Nederl. voor: rijsbos, bundel rijshout (zie Dl. III, 1932 en JOOS [1900-1904]).
Rijsdijk, dijk met rijswerk er aan (zie verder BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1386). Thans verouderd.
Dit sijn die hoefslagen, die gelegen sijn onder den Leckedijck in elken gericht, die behoren onder den dijck mit horen dijck, beide rijsdijck ende eerdijck of veltdijck, soe wair die gelegen sijn,   M. E. Rechtsbr. d. kl. Steden Nederst. v. Utr. 2, 95.
Amerongen heeft ende hout ses ende twijntich hoeven lants, den rijsdijck dairtoe behorende leit int hoeft voir Wijck by die Waterpoert, ende dat gerecht van Amerongen heeft ses roeyen veltdijckx gelegen tet Amerongen,   Ald.
Rijsfondeering.
De wijze van constructie der rijsfondering,   CALAND, Dyksb. 138 [1833].
Rijsgorzing, hetzelfde als Gorzing (zie GORZING (II))).
't Zetten van Rysgorsingen, als mede … het planten van Helm,   BERKHEY, N.H. 2, 714 [1770].
Rijskeet, plaats waar het rijs bewaard wordt (V. DALE).
Rijskrib, rijshoofd; verg. KRIB (IV).
Meneer Hoogenberg (een advocaat) … pluist alles zoo na, dat hij een verroeste speld in een rijskribbe zou weerom vinden,   V. LENNEP, K. Zev. 5, 49 [1865].
Rijslaag, laag van rijsbossen, welke naast elkander zijn gelegd.
Waar de klei ontbreekt …, daar kunnen de hoofden ook met enkele rijsen puinlagen opgetrokken worden,   CALAND, Dyksb. 169 [1833].
De laatste rijslaag …, doorgaans de slotlaag genoemd,   CALAND, Dyksb. 331 [1833].
De rijslaag wordt aangevangen aan het boveneinde, en de bossen met de boleinden naar boven gelegd,   STORM BUYSING, Waterb. 1, 386.
De dikte der rijsvulling en het aantal der elkander kruisende rijslagen worden in het bestek opgegeven,   Alg. Voorschr. 1901, § 107.
De dikte van drie rijslagen,   Ald.
— Enkele rijslagen,   Alg. Voorschr. 1901, § 88.
Samengestelde rijslagen (afwisselende lagen rijshout en grond met puin),   Alg. Voorschr. 1901, § 91.
Rijslegger, rijswerker (CALAND, Dyksb. 330 [1833]).
Rijsleveraar.
Te waerschouwen allen Schippers ende Rijs-leveraers, dat voortaen geen Rijs, Staecken of Gaerden sullen hebben te brengen, of leveren tot de Fortificatien ende andere Zee-wercken … als van de grootte, dickte ende lenghte hier nae ghespecificeert,   Gr. Placaetb. 2, 467 [1650].
Rijsmateriaal.
Voorschriften …, aangaande de vereischten van het Hollandsche rijshout, die thans nog bij de keuring en ontvangst der rijsmaterialen voor het Rijk tot grondslag dienen,   STORM BUYSING, Waterb. 1, 342.
Bepalingen omtrent de afmetingen der rijsmaterialen,   Bijv. Stbl. 1850, blz. 608.
Schouwsche rijsmaterialen,   Bijv. Stbl. 1850, blz. 609.
Geldersche rijsmaterialen,   Bijv. Stbl. 1850, blz. 610.
Soort van rijsmateriaal,   Alg. Voorschr. 1901, § 87.
Rijspakberm (BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1386), hetzelfde als Pakberm (Dl. XII, 184).
Rijspakking, hetzelfde als Pakking (in de bet. 2, b).
Dat … een breede rijspackinge ofte berm nodich soude wesen geleijt te worden tusschen het nieuwe hooft ende het steenen hooft,   bij V. HENGST, Lekdijk Benedendams 1, 316 [1642].
Dat men de stroom die … met meerder gewelt (soude) comen over te vallen op den schoordijck …, soude waernemen ende denselven dijck tijtelick daervan bevrijen, tzij met een lange affsettende cribbe, off wel met een swaeren berm ofte rijsspackinge daer voor te leggen,   1, 317.
Vallende de stroom met soodanige fortse en gewelt aldaer in den steijlen schoordijck, datter geen schoeijinge ofte rijspackinge en sijn te houden,   1, 320.
De omschreven hoofden kunnen … uit enkel rijszinkstuk of rijspakking bestaan,   CALAND, Dyksb. 163 [1833].
Waar de hoofden slechts eene geringe … hoogte … boven het strand moeten hebben, zijn de gewone rijspakkingen met puinlagen, of wel de rijszinkstukken zelve, van een uitnemend nut,   CALAND, Dyksb. 170 [1833].
Rijspakwerk, hetzelfde als Pakwerk (Dl. XII, 189 volg.).
De nieuwe of geheel of gedeeltelijk te vernieuwen rijspakwerken van 2 M. hoogte of minder (worden) uit Brabantsch- of Schouwsch rijshout samengesteld, die van meer hoogte uit Geldersch-, Hollandsch- of Schouwsch rijshout,   Alg. Voorschr. 1901, § 87.
(Een) dijk gedekt met rijsbeslag, of met een rijspakwerk of een rijzen berm aan den voet der buitenglooiing,   BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1386.
Rijsschoof, rijsbos.
Deze buitenste rijsschoof gelegd zijnde, legt men het hout vervolgends met de boleinden naar den dijk, zoo dat de bleezen op de buitenkoppen vallen,   HARTE, Sluis- en Waterb. 84 b.
Rijsschutting, schutting of scherm van rijshout om verstuiving van zand te beletten of aanstuiving daarvan te bevorderen.
De rijsschuttingen worden op de in het bestek bepaalde of nader aan te wijzen plaatsen gesteld,   Alg. Voorschr. 1901, § 185.
Rijsspreiing, rijsbeslag.
De tuinen, op deze rijsspreiding te zetten,   PASTEUR-NOOT, Bouwk. Handwdb. 2, 373.
Rijsstapel, stapel rijshout (voor dijken). In Z.-Nederl. (JOOS [1900-1904]).
Rijsstortebed, hetzelfde als Stortebed (bekleeding met rijs en steen van den bodem van een kanaal, rivier enz. vóór een sluis, onmiddellijk aansluitende aan den sluisvloer en dienende om verdieping of ontgronding door de sterke strooming van het water aldaar te voorkomen).
De grond, welke door middel van een rijs-stortebed voor uitspoeling te beveiligen is,   Bijv. Stbl. 1815, blz. 568.
Rijsstuk, stuk van rijshout gemaakt.
Rijsstukken in den vorm van zinkstukken,   CALAND, Dyksb. 170 [1833].
Rijstak.
De voor en achter gevel bestaat uit latten van dennen hout een voet van elkander geplaatst, insgelijks met denne rystakken bevlochten, en zoo dicht dat men 'er voor den Windt beschut zy,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 388 [ed. 1727].
Deez' rijstak … Beroofd van al zijn jeugdig groen,   V. LENNEP, Poët. 1, 215 [1828].
Rijstuin, omheinde plaats of werf waar rijshout (bepaaldelijk dat wat aan een gemeente toebehoort) bewaard werd. Mnl. rijstuun.
Aan een herberg te Rotterdam hing de Rijstuin uit,   V. LENNEP en TER GOUW, Uithangt. 2, 380.
— Open rijstuin, Toe rijstuin (straatnamen te Rotterdam).   poëem WNT
Rijsvloering, rijsbeslag.
De ondervinding heeft geleerd, dat de tuinen … genoegzamen wederstand aan den slag der golven kunnen bieden …, indien zij, na vast te zijn neêrgedreven, overal eene eenparige hoogte van 18 duim boven de rijsvloering hebben,   CALAND, Dyksb. 333 [1833].
De kosten der krammat, die van het rietbed en der rijsvloering   CALAND, Dyksb. 352 [1833].
De alzoo verkregen rijsvloering moet effen en gelijkmatig wezen, en, na goed te zijn neergedrukt, eene dikte hebben van ten minste 13 c.M. voor Brabantsch rijs, of 16 c.M. voor Hollandsch- en Schouwsch rijs,   Alg. Voorschr. 1901, § 42.
De rijsvloering wordt in rechte of regelmatig gebogen lijnen met staakrijen bezet,   Alg. Voorschr. 1901, § 51.
Rijsvoeder, rijsvoer, voer of wagenvracht rijshout.
Lasten …, soo Jaerlycks aen de Domeinen deser Provintie betaelt worden, als van Heeren-guldens, Blaeuwe-guldens, Roock-hoenderen, Rys-voerders, en dergelycke op Heeren vryhaves en Hofhorige goederen staende,   Geld. Placaatb. 3, 420 [1725].
Voorbehoudens … den … Heeren Staten deses Furstendoms en Graefschaps haere herengelden rijsvoeder rookhoenderen en andere vordere geregtigheden op den goede staende,   bij PLEYTE e. a., Meerv. LXXVII [1731].
Rijsvoet, voet of berm aan den dijk uit rijshout samengesteld, rijsberm.
Oock mede onder die nedervoet t'eenemael hol wort, toe sulcx dat men een else sliet tusschen den dyck en rijsvoet wel 19 voet diep insteecken can,   bij BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1639 [1642].
Rijsvulling, vulling van rijshout tusschen de beide roosterwerken van een rijsbed of een rijszinkstuk.
Dunne zinkstukken van 40 of 50 duim rijsvulling,   CALAND, Dyksb. 206 [1833].
De rijsvulling (wordt) zoo sterk mogelijk tusschen de beide roosterwerken beknepen,   STORM BUYSING, Waterb. 1, 352.
De zinkstukken worden samengesteld uit een onder- en bovenroosterwerk van wiepen, met een daar tusschen vast aangeknepen rijsvulling van twee of meer lagen,   Alg. Voorschr. 1901, § 100.
Rijsvuur.
Voor 't rijsvuur, dat hun spaarzaam licht, Zet hij den kleinen disch,   STARING 1, 46 [1820].
Rijswiep (BOEKENOOGEN), hetzelfde als Wiep (rijshout met teenen banden tot een langen bundel samengebonden).
Rijswilg, benaming voor den Schietwilg, Salix alba (HEUKELS 222 [1907]).
Rijszinkstuk, hetzelfde als Zinkstuk (rijzen bed, dat men aan zee of aan benedenrivieren door het te belasten naar den bodem van het water doet zinken, ten einde daar een vasten gelijkmatigen grondslag te verkrijgen tot het opwerken van nieuwe onderzeesche oevers, tot het opzetten van bermen enz.).
Rijszinkstukken …, die tegen den zeeworm met schorgrond en puin bestort en gedekt worden,   CALAND, Dyksb. 166 [1833].
Een rijszinkstuk (wordt) altijd gemaakt … op eene vlakke, door de eb droogvallende plaats aan de kust, en alzoo boven laagen beneden gewoon hoogwater; zoodat hetzelve door den vloed opgeligt, en na de voltooijing afgedreven worden kan,   1, 197.
De ballast, die tot het zinken der rijszinkstukken vereischt wordt,   1, 213.
— Als tweede lid. Bandrijs, berkenrijs, bermrijs, bestekrijs, bezemrijs, bindrijs, dijkrijs, duinrijs, duivenrijs, eikenrijs, elzenrijs, entrijs, erwtenrijs, lijkrijs, lindenrijs, popelrijs, snoeirijs, steekrijs, tabaksrijs, teenrijs, veldrijs, wijngaardrijs, wilgenrijs, zinkrijs (zie die woorden of bij het eerste lid). Voorts nog (in de bet. C) boomrijs, rijsbos van opgaande boomen, vooral van eiken en beuken (”60 vim snoeirijzen, 20 vim boomrijzen, 20 vim opgehouwen eiken- en elzenrijzen”, Twentsch Zondagsbl. v. 2 Maart 1895).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1915.