Koppelingen:
Vorig artikel: RIKS Volgend artikel: RIL II

RILI

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: ril

znw. vr., mv. rillen. Oostfri. rille, ril: waterloop, loopgraaf, vore, spleet; nnd. rille: goot, bedding, vore (nhd. rille is uit het nnd.); eng. rill: beekje, stroompje, greppel, groef, vore (in de laatste drie bett. verouderd; zie N. E. D.). Waarschijnlijk een afleiding met het achtervoegsel * -dlô(n)- van den idg. wortel *ri-: stroomen; verg. RIJT (II).
+A.  Geul; groeve, vore.
+B.  Hoogte naast een geul, groeve of vore.
Samenst. In de bet. B). Zandril, zandbank of zandplaat in een rivier (in Overijsel; N. Ned. Taalmag. 4, 261).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1916.