Koppelingen:
Vorig artikel: ROOI IV Volgend artikel: ROOIEN II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

ROOIENI

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: roden, rooien

— ouder en nog thans gewestelijk RODEN —, bedr. zw. ww. Mnl. roden; mnd., mhd., nhd. roden; ofri. rothia. Zie verder FRANCK-V. WIJK. Verg. ook ROEIEN (III).
+1.  Van boomen of boomwortels, aardvruchten, onkruid. Uit den grond halen, trekken, rukken, na dezen op de een of andere wijze, vooral door te graven of te spitten, te hebben omgewoeld.
+2.  Figuurlijk.
3.  Van graven. Er de doodsbeenderen en andere overblijfselen uit halen, verwijderen, wegdoen; ze ruimen.
Graven rooyen of ontledigen. Vuider les sepulchres des ossements des morts,   HALMA.
Afl. In de bet. 1). Rooier (”Met de hand worden dadelijk (bij het rooien) de aardappelen gesorteerd en in drie vóór den rooier geplaatste manden geworpen”, Onderz. Landb. 1886, 13, 17 [1890])
rooiing (”De rooiing (van heesters) moet geschieden met zoo weinig mogelijk wortelverlies”, Alg. Voorschr. 1901, § 445)
rooister (”De opsteker gaat reeds een paar uur vóór de rooisters komen, naar het land”, Versl. Landb. 1910, 3, 10).
Samenst. afl. In de bet. 1). Boomrooier (Dl. III, 419)
aardappelrooier, 1°. persoon die aardappelen rooit; 2°. werktuig waarmede men aardappelen rooit (”Zaaimachines, wiedmachines …, aardappelrooiers, hakselsnijders enz.”, Versl. Takken v. Dienst Landb. 1915, 7)
bietenrooier, 1°. persoon die bieten rooit; 2°. werktuig waarmede men bieten rooit (”Ploegen, eggen, rollen …, bietenrooier, bietensnijders enz.”, Versl. Takken v. Dienst Landb. 1917, 7).
Samenst. In de bet. 1). Rooimachine (”Gewone rooimachines, die de aardappels wel uit den grond werken, maar ze daarop laten liggen, konden den veenkolonialen landbouwer niet bekoren”, Versl. Landb. 1913, 4, LVII), waarbij aardappelrooimachine (”In de Veenkoloniën zijn tal van aardappelrooimachines aangeschaft”, Versl. Landb. 1913, 4, LVII), waarbij aardappelrooimachinefabriek (”De ”Eerste Veenkoloniale Aardappelrooimachinefabriek” te Veendam”, Versl. Landb. 1916, 3, LXVII)
rooispade, een sterke, smalle spade om de wortels van hout te rooien (DE BO [1873]; JOOS [1900-1904])
rooitijd (”Evenwel gaat het er (t.w. in de veenkoloniën) in den rooitijd met de arbeiders wel eens spannen en zijn de boeren ook al gedwongen, de loonen voor het rooien te verhoogen”, Versl. Landb. 1910, 3, 2; ”Dat het rooien van aardappelen op gescheurde graslanden bezwaren met zich brengt, daar de zode, wanneer de rooitijd aanbreekt, nog niet geheel zou zijn vergaan”, Verbouw op Gesch. Grasl. (Publ. Dir. Landb. 1918) 28).
— Als tweede lid. Narooien, uitrooien (zie die woorden of bij het eerste lid). — Boomrooien (Dl. III, 419) of boomenrooien (”Het boomenrooien op de stadssingels”, BEETS, C.O. 74 [1839]), aardappelrooien, bietenrooien.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1920.