Koppelingen:
Vorig artikel: RUIKEN Volgend artikel: RUIKERD
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

RUIKER

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: ruiker

— oudtijds ook RIEKER —, znw. m. Van Ruiken (rieken) met het achtervoegsel -er.
+I.  Van Ruiken (rieken) in de bet. I, 1).
+II.  Van Ruiken (rieken) in de bet. I, 2).
Samenst. en samenst. afl. In de bet. I, 2). Ruikerbloem (”Als Prozerpijn haar ruikerbloemtjens plukte”, BILD. 3, 168 [1829])
ruikermaker, ruikermaakster (”Ruikermaakster. … Bouquetière”, HALMA).
— Als tweede lid. Bloemruiker, zie Dl. II, 2898 en verg. nog de volgende oude plaats (”Een bloemen ruikert, Die op Himettus wies”, SIX V. CHAND. 256 [1657]).
— In de bet. II, 1). Ruikerflesch (”Ruikerfleschje … stopflesch, flacon d'odeur”, V. MOOCK).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1922.