Koppelingen:
Vorig artikel: RUIM I Volgend artikel: RUIMBAAN
Etymologie: EWA, EWN

RUIMII

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: ruim

znw. onz. Mnl. ruum; os. rûm; ohd. rûm, mhd. rûm, roum, nhd. raum; ags. rûm, eng. room; on. rûm; got. rûm. Een naast Ruim (I) staand znw.
+1.  Ruimte, in 't algemeen.
Sy weten, dat God de syne leydet door het enge, tot het ruym,   SPRANKHUISEN 2, 12 b [1630].
Die zich niet in d'Enge Weg wil geeven, Maar in het Ruim van zyne lusten leeven, Heeft enz.,   LUYKEN, Bykorf 367.
+2.  In 't bijzonder.
+3.  Van een schip. De inwendige ruimte onder het benedenste dek, waarin goederen, ballast, levensmiddelen enz. worden geborgen.
4.  In een (Protestantsche) kerk. De ruimte waar de zitplaatsen (stoelen) voor de vrouwen staan, omgeven door de banken voor de mannen.
Het ruim der kerke (is) bezet met negenhonderd vier en zeventig vrouwen stoelen,   WAGEN., Amst. 2, 184 b.
In 't ruim, hangen drie groote koperen Kerkkroonen,   Ald.
De gestoelten en banken zaten vol heeren, en het ruim was met de fraaist gekleede dames versierd,   FOKKE, Verz. W. 9, 68 [1808].
Nu, ik wreef mijne oogen en grabbelde bij den tast, tot ik in 't ruim kwam, en daar zag ik nog licht branden,   FOKKE, B.R. 3, 21 [1802].
De kerk en de menschen, het gestommel af en toe van een stoel, een bankje in 't te volle ruim … — ze bemerkte van dat alles niets meer,   V. ECKEREN, De van Beemsters 1, 36.
In het ruim der kerk zien we Crëusa's vader, omstuwd door hovelingen en sleepdragende pages,   SCHMIDT DEGENER, Rembr. 89.
5.  In den voormaligen schouwburg. Het gegedeelte waar het lagere volk plaats nam (verg. WORP, Drama en Toon. 2, 84).
De voornaemste toesienders sitten op de pleyn van 't tooneel, en voor hanneken alle man wordt de ruym gelaeten,   COMENIUS, Deure d. Taalen 298 [1666].
— Maakt dan een dichter, dat zyn speeler anders spreekt, Dan zulk één, in wiens staat, en kleederen hy steekt, 't Ruim, Galeryen, Bak, en Huisjens zullen schat'ren Van lachchen, om zulk mal, en buitenspoorig snat'ren,   PELS, Horat. Dichtk. 10.
Schoon een' plug … aan twe', dry and're funnen … mag vergunnen De vrye toegang tot de Zydelgalery, Of 't Ruim van Schouwburg,   21.
6.  Op een trekschuit. De ruimte voor de passagiers die niet in de roef plaats namen.
Wy voeren … af, en hebben tellen laeten Hoe veel in 't ruym of roef nog andre menschen saeten,   DROSTE, Overbl. 151.
Ook word by deezen yder Passagier wel scherpelyk verboden, in 't Ruym Tabak te rooken, op een Boete van drie Guldens,   Keuren v. Haerlem 2, 10 b [1707].
In de trekschuit van Leiden op Haarlem was de roef verhuurd. … In het ruim waren weinige passagiers,   V. EFFEN, Spect. 9, 27 [1734].
Ik (had) nooit in het ruim van eene trekschuit gezeten, zelfs maar zeldzaam in de roef,   LOOSJES, Bronkh. 4, 72 [1807].
Het zij in de roef, het zij in het ruim gezeten,   Ald.
Tegen mij, die heimelijk te onvreden was, dat ik in het ruim van eene schuit zitten moest, zeide een vrouw enz.,   4, 73.
Zij vertrokken … met de schuit naar Leyden, doch waren genoodzaakt, nadien de roef was gehuurd, in het ruim te zitten,   KIST, Eikenh. 1, 341 [1809].
Hy (nam) plaats, niet in ruim of roef, maar in den stuurstoel naast den schipper,   J. V. LENNEP, Lev. v. C. v. L. 302.
7.  Van een kar of wagen. Het gedeelte waarin de vracht geladen wordt.
Op dit oogenblik drong de beulskar door het volk. … De veroordeelde Herman, in zwart lijnwaad gekleed, zat met eenen priester achter in het ruim van den wagen; Geeraart met het groote zwaard bevond zich nevens zijnen knecht op den voortrein,   CONSC. 1, 165 a [ed. 1867].
8.  Van een blok. Schijfgat.
Ruim van een blok. Mortaise d'une poulie. Sheave hole,   TWENT, Zeem. Wdb. [1813].
Samenst. In de bet. 3). Ruimanker.
Ruim anker. Ancre de cale, de reserve,   TWENT, Zeem. Wdb. [1813].
Ruimbalk.
Lastbalken of Ruimbalken (veroud.). Balken, die tot versterking dienen van het onderschip en waarvan het koebrugdek gevormd wordt,   V. LENNEP, Zeem.-Wdb. 124 [1856].
Ruimband; zie de aanh.
Ruimbanden zijn houten of ijzeren knieën, die in het ruim of tusschen de onderste dekken met het midden op slemphout, oploopen of stevens gebout zijn, met de veeren tegen de wegers aanliggen en aan het boord met doorgaande klinkbouten bevestigd worden,   TIDEMAN, Wdb. v. Scheepsb. 25.
De ruimbanden dienen om de beide zijden van het schip aan elkander te verbinden, dáár waar de spanten niet onafgebroken over de kiel doorgaan,   MOSSEL, Schip 173 [1859].
Men gebruikt thans algemeen ijzeren ruimbanden, omdat zij minder plaats innemen dan de houten, die voormaals in zwang waren,   MOSSEL, Schip 173 [1859].
Ruimgast, matroos belast met de zorg voor het ruim.
Een ieder (neemt) wel haast zyne … gereedschappen ter hand …, de Strantsnyders hunne Strantmessen, de Kappers en Banksnyders hunne Bank- en Kapmessen …; en de Ruimgasten hunne spekbaalies enz.,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 360 [ed. 1727].
De Ruimgasten (beginnen) te roepen; boven hou, stryk spek af!   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 361 [ed. 1727].
Wolf, de ruimsgast … is een oude matroos …, die den geheelen dag in de onderste gedeelten van het schip vertoeft, waar hij het toezicht houdt op touwwerk, lantarens en andere scheepsbehoeften,   MARGADANT, Aldebaran 126.
Ruimkoffer, koffer die aan boord van passagiersstoomschepen in het ruim wordt geplaatst.
Gepantserde Ruim- en Hutkoffers te koop gevraagd,   Leidsch Dagbl. v. 10 Jan. 1922, Eerste Bl., blz. 4 e.
Ruimladder.
De toegangsmiddelen tot die plaatsen (t.w. tot ruimen, tusschendekken enz.) moeten bestaan uit vaste ruimladders, trappen of losse ladders,   Besl. v. 5 Sept. 1916 (Stbl. 433), a. 9 a.
De ruimladders, die de dekken onderling verbinden   Besl. v. 5 Sept. 1916 (Stbl. 433), a. 9 b.
Ruimlamp, lamp die in het ruim hangt (zie b.v. BLY, Zeilvischsl. 241).
Ruimpomp, pomp om het water onder uit het schip te pompen.
Twee dezer pompen dienen voor de voeding, de twee andere voor verwijdering van het ruimwater, ruim- of lenspompen,   VERDAM, Machin. 437.
Ruimstank, stank zooals in een ruim kan heerschen door de lading.
Ruimwater, water dat zich door lekkage, regen of golfslag in het ruim verzamelt (zie de vorige aanh.).
— Als tweede lid. In de bet. 2, a). Hemelruim, luchtruim, wereldruim, wolkenruim (zie die woorden of bij het eerste lid).
— In de bet. 3). Achterruim, kabelruim, kolenruim, reepruim, scheepsruim, spiritusruim, steenkolenruim, tonnenruim, victualieruim, vleeschruim, voorruim, wantruim, waterruim, wijnruim (zie die woorden of bij het eerste lid). — Verder nog: Bunkerruim (”Ruimen, tusschendekken, bunkerruimen en andere onder het oppervlak gelegen plaatsen van een zeeschip”, Besl. v. 5 Sept. 1916 (Stbl. 433), a. 9)
laadruim, netruim (HOOGENDIJK, Grootvissch. 188).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1922.