Koppelingen:
Vorig artikel: SCHELF I Volgend artikel: SCHELF III
GTB Woordenboeken: MNW

SCHELFII

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: schelf

znw. vr. Mnl. scelfe, ohd. sceliva. Van denzelfden stam als Schelf (I). Verouderd.
1.  Schilfer.
Hooy … 't welk ontsteeken, met zynen rook, vlam, en vuurighe schelven, aangevoert door den windt, de verweerders van daar dreef,   HOOFT, N.H. 914 [c. 1645].
2.  Schub (van een visch).
Schelffe, schubbe van den visch. Squama, squamula, testa, cortex,   KIL.
Squamma … De schubbe oft scelfe,   JUNIUS, Nomencl. 49 b.
Afl. Schelfachtig, schilferachtig (”De Stoffe … van de tweede laag was vaster samengepakt, en schelfagtig, van eene bruine verwe; en deeze is het eigentlyke Veen”, BERKHEY, N.H. 2, 88 [1769])
schelven, 1°. schubben, visch schrappen (”Schelffen den visch. Desquamare piscem”, KIL.); 2°. schilferen (”och ick sal mynen Fiel noch de lappen van syn Cleeren sien schelven, En de straten daer me besayen”, OGIER, Seven Hoofts. 27 [1644]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1921.