Koppelingen:
Vorig artikel: SCHOONDRUK Volgend artikel: SCHOONGENOMEN
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

SCHOONEN

Woordsoort: ww.(intr.,zw.,trans.)

Modern lemma: schonen

bedr., zelden onz. zw. ww. Van Schoon.
+A.  Bedr.
B.  Onz. — Schooner worden. In dit gebruik eenmaal aangetroffen.
't Goed was schoon dat zich vertoonde, En, hoe 't naarder quam, Hoe 't in d'oogen noch meer schoonde, En 't hart tot zich nam,   CAMPHUYZEN, Sticht. Rymen 30.
Afl. Ongeschoond, verschoonen (zie die woorden)
schoonbaar, verschoonbaar (”Het is bywijlen eenen Vorst dienstigh, dat zijne parthy mishandelt wordt, om met schoonbaarder overlast, uit wederparthye te perssen de middelen, die hy uit de zijnen niet zoude darren”, HOOFT, Henr. de Gr. 63 [1626])
schooning (”De ingelanden zijn verplicht te gedoogen, dat bij schooning der wateringen” enz., Prov. bl. v. Gron. 1890, n°. 52; Men stapt dan over het bezwaar der slechte schooning heen, omdat men sterk vlas noodig heeft”, Versl. Landb. 1913, 3, 91).
Samenst. afl. Boekweitschoon(d)er, gerstschoon(d)er, zekere landbouwwerktuigen (STARING, Huisb. 696 [1862]).
Samenst. Afschoonen (zie ald.), opschoonen.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1924.