Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: SCHOONGENOMEN Volgend artikel: SCHOONHEIDSGEVOEL
Etymologie: EWA
GTB Woordenboeken: MNW

SCHOONHEID

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: schoonheid

znw. vr. Mnl. scoonheyt. Van Schoon met -heid. Daarnaast vroeger schoonigheid.
+1.  De hoedanigheid schoon te zijn, de omstandigheid dat een persoon of zaak schoon, t.w. behagelijk voor oog of oor is.
Lieden, die in haer schoonheidt, sterckheidt, wijsheidt, authoriteidt en hooghe staet, zick zelven al te zeer behaghen,   GNAPHEUS, Tob. 75 [1557].
De sterren by de Son geleken sijn gans blendt, En in haer schoonicheyt en vind' ick oock geen endt,   D. HEINSIUS, Poëm. 87.
Bij u, o schoonst', in schoonigheit geleeken Blijft alle jeughd van schoonheits eer versteeken,   HOOFT, Ged. 1, 245 [1625].
De Mensche (en hadde) voor den Val gheen ander (kleet), dan een natuyrlijcke aengheschapene schoonheydt,   SPRANKHUISEN 1, 106 b [1634].
Den steel die neêrgequetst nu leyt, Doet haer verlepte schoonigheyt En treurigh hooft naer d'aerde buygen,   V. ZEVECOTE 316.
Schoonheydt schijndt van buyten iet, Maer van binnen is 't al niet,   GHESCHIER, Proefst. 41 [1643].
Die telkens in den spiegel ziet, En zich met schoonheid vleit, Beseft de ware schoonheid niet, Maar jaagt naar ijdelheid,   V. ALPHEN 1, 382 [1778].
Bekoord door de schoonheid van dit bosch, doolde ik onder het hoog geboomte rond,   POTGIETER 6, 169 [1837].
Zij was van de dertig niet ver meer verwijderd, maar noch in den vollen bloei eener gerijpte schoonheid,   VOSMAER, Amaz. 85.
(Deze) huwelijken waren merkwaardig door de schoonheid der bruiden,   SEGERS, Kemp. Kunst. 163 [1912].
2.  Als collectief of soortelijk begrip. Het geheel der dingen die de hoedanigheid schoon te zijn bezitten; tot dit geheel behoorende dingen.
Van schoonheid … zien wij niet hetgeen wij er van verslinden, maar hetgeen wij er van verteren,   BEETS, Versch. 4, 99.
Schoonheid voortbrengen lag in hunnen aard (t.w. die van de Grieken) zelven; bij ons is het eene bewuste studie en kunst,   VOSMAER, Amaz. 39.
+3.  Eigenschap die er toe bijdraagt een persoon of zaak schoon te doen zijn.
Deez' mijne schoonigheên,   HOOFT, Ged. 2, 150 [1605].
De sorg verteert het vleesch …, En 't suyver lichaem derft sijn' teere schoonigheden,   VONDEL 2, 719 [1629].
Om dat de schoonheden van de Herderinnen in een wangunstig Masker opgesloten bleven, stont hy enz.,   V. HEEMSKERK, Arc. 4.
Wat aerdig vrouwenbeeld … Komt haer … so heerelijck vertoonen …? O Huys, o kaemer, die so groote schoonigheden In uwe muyren sluyt,   WESTERBAEN, Ged. 1, 20 [1624].
(Zij) houden het aldaer voor een groote schoonheydt, dat sy haer Ooren lelijcke doorhackelen, ende onder aende lellen doorbooren,   Begin e. Voortg. 12, 10 a [ed. 1646].
Zeg byzonder iets van al haer schoonigheden. Zaegt gy ooit aengezicht zo aengenaem besneden?   SCHIPPER, T. Morus 23.
D'oovermoed van uw verheeve schoonicheeden,   SIX V. CHAND. 18 [1657].
Opdat gij … over haar gebreken en schoonheden (die van de Arabische poëzie) … eenigermate zoudt kunnen oordeelen,   V. D. PALM, Red. 2, 31.
Het geheel (van een gedicht) is niet spaarzaam bedeeld met dergelijke schoonheden,   QUACK, Stud. 277 [1875].
4.  Vrouw die in hooge mate schoon is.
Groote persoonaedjen, die menigmael niet min vermaekt zijn met dwergen en diergelijke wanschepsels, als met het gesicht van een bekoorlijke schoonheit,   HOOFT, Br. 1, 261 [1626].
Om de reuckeloze jongkheit te waerschuwen zich van de bekoorlijcke streecken der lichtvaerdige schoonheden te hoeden,   VONDEL 9, 153 [1660].
Dewyl, zo'er eenige jonge schoonheid in de wyk van een trouwzuchtigen Priester is, yder om 't zeerst yvert om ze hem te geeven,   DE BRUYN, Reizen 1, 106 a [1698].
Vergun my dan dat ik dees schoonheid onderhouw' Met woorden die de min my afperst,   LANGENDIJK 2, 164.
Zij is geen eerste schoonheid, maar heeft die zagte bevalligheid, die fijne gelaatstrekken die enz.,   OVERDORP-POST, Het Land 168.
Ware zij geene Freule, ik geloof …, dat ik haar uit alle de schoonheden van Griekenland en Circassiën voor mij zoude kunnen kiezen,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 4, 422 [1793].
De natuurlijkste zaak van de wereld, dat eene zedige schoonheid met een' ondeu genden zwierbol trouwt,   LOOSJES, Bronkh. 5, 46 [1807].
Niet alleen was F. R. een waarlijk groote kunstenares; zij mocht tevens voor eene schoonheid … doorgaan,   SLEECKX 12, 103 [1867].
(Zij) was als niet geëvenaarde schoonheid nog beroemd, toen haar dochter reeds volwassen was,   QUACK, Stud. 130 [1868].
5.  Schoon bestanddeel van een landschap enz. In dit gebruik niet gewoon.
De schoonste koornlanden, en weiden vol vee … liggen in eene treffende eenvoudigheid. Het gezigt der omgelegen schoonheden, hier op den digt belommerden voorgrond alleen, zou mij een onschatbaar vermaak zijn,   OVERDORP-POST, Het Land 143.
De goede stad Leiden heeft binnen den omtrek van hare … wallen, twee territoriale schoonheden, die men niet genoeg roemen kan,   BEETS, C.O. 227 [1840].
6.  De hoedanigheid schoon te zijn in zedelijken zin.
Te mesachtene ende te onteerene die schoonheyt vanden aenschijne van onser moeder der heligher Kercken,   Vl. Placcaertb. 1, 93 [1521].
Mijnen Salich-maecker, om dies-wille dat alle schoonicheydt deser wereldt de sielen inghestort … zijn,   DE HARDUYN, Godd. Wensch. 239.
De schoonheit der weldaaden, die met de glorie van U Eed. Gestr. blaaken, is te geweldigh een brandstichtster,   HOOFT, Br. 4, 140 [1644].
Hebt ghy een edel hert om te minnen, so stiert uwe liefde na God, wiens schoonigheyt nimmermeer en sal verminderen,   POIRTERS, Mask. 84 [ed. 1688].
De schoonigheit van Roselles gemoed, booven haar gelaat gepreesen,   SIX V. CHAND. 15 [1657].
In de volkomene eenstemmigheid van gevoelen, spreken en handelen naar de volkomene waarheid en schoonheid van het christelijk karakter en leven (moet) worden gestaan en gestreefd,   BEETS, St. Uren 5, 162 [1858].
7.  In de aanhaling: iets aanlokkelijks, voordeel, emolument.
De gheestelicke en hadden wijfs noch kinderen te hauden, hadden ooc veel ander schoonicheden, die de weerlicke persoonen niet en hebben, ende ghijnghen alomme quijte,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 2, 42 [1566].
8.  Aardigheid, aantrekkelijkheid. In Z.-Ndl.
Gij hadt van dien besteek niet moeten hippen; nu is al de schoonigheid er van af,   CLAES, Bijv. op TUERL.
9.  Schoone voorspiegelingen, mooie woorden. Als collectivum.
Dit wiert … aenghebrocht aen caesar, die veel houdende van den Eeduwen, dede al dat hy conde om Dun-ourich af te trecken van sijne intentie, met schoonicheydt, op dat hy niet soo verre en soude gaen, dat hy hem, ofte de Republicque der Eeduwen soude verhinderen,   V. SCRIECK, Oorspr. d. Holl. 146.
Naer veel schoonicheyt die sy ons voorhielden seyden (zij) dat niemant eenige speceryen soude moghen coopen ende uytvoeren, voor ende aleer wy onse ladinge oft genoegen becomen hadden,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 33 c [1598].
Samenst. 1) Als tweede lid in Lichaamsschoonheid, mannenschoonheid, vrouwenschoonheid en zieleschoonheid (zie bij het eerste lid).
2) Als eerste lid in Schoonheidsgevoel (zie ald.) en verder in
Schoonheidsdorst.
Ik kon mijn schoonheidsdorst niet boeten, En zag wel duizendwerven om,   BEETS 3, 314 [1863].
Schoonheidsideaal.
Ook hier weer houdt hij zich aan 't uiterlijke schoonheidsideaal,   DE KOE, van Alphen's Theorieën 124.
Schoonheidskunde, schoonheidsleer. Ongewoon.
Aesthetica of schoonheidskunde,   titel v. e. werk v. J. V. VLOTEN.
Schoonheidsleer, leer aangaande het wezen der schoonheid, aesthetica.
Schoonheidsmiddelen.
Bij onze Oosterburen (wordt) wijwater uit eene vreemde kerk een krachtig schoonheidsmiddel geacht,   DE COCK, Volksgeneesk. 247 [1891].
Schoonheidspleister.
Schoonheidsvorm,
Alle schoonheidsvormen, die het vernuft der Grieken uitgevonden heeft,   GEEL 143 [1838].
De oneindigheid der schoonheidsvormen,   166.
Schoonheidswedstrijd.
Deze koe kreeg den eersten prijs in den schoonheidswedstrijd,   Versl. Landb. 1921, 5, 113.
Schoonheidszin, schoonheidsgevoel. Waarschijnlijk een germanisme.
Met den ademtogt en 't leven, Bliest gij (God) ons den schoonheidszin, 't Merk dier hooger afkomst in,   TOLLENS 11, 28 [c. 1850].
Ik wenschte dat het bestuur van iedere groote stad schoonheidszin genoeg bezat, de strenge maar edele lijnen eener zuil, de grillige doch sierlijke welvingen van eenen boog, een statelijk portiek of eenen luchtigen gang, niet door een afschutsel, een winkeltje, een brandspuithuisje te doen verbreken,   POTGIETER 4, 194 [1840].
Dichterlijke architekten (helpen) den schoonheidszin hunner medeburgers voor insluimeren behoeden,   BUSKEN HUET, Rub. 179 [1879].

Aanvulling bij SCHOONHEID

Samenst. Schoonheidscommissie.
Schoonheidscommissie, commissie van deskundigen die B. en W. van advies dient inzake de aesthetische zijde van bouwplannen waarvoor vergunning gevraagd wordt,   V. DALE [1950 ].
— Men moet zich … behelpen met: (a) de toepassing van de zgn. welstandsbepaling in de Bouwverordening, dus toetsing van het bouwplan door de schoonheidscommissie,   Bouwk. Encyclop. 2, 422 b [1955].
Schoonheidsfout(je), fout(je) in iets dat verder voortreffelijk is.
Schoonheidsfout, schoonheidsfoutje, klein gebrek dat de schoonheid of voortreffelijkheid van het geheel te beter doet uitkomen; — ook klein gebrek, vormfout (b.v. in een contract) die geen invloed heeft op de juiste interpretatie; fout die niet de moeite waard is om hem te corrigeren,   V. DALE [1976].
— Die schoonheidsfout (kromme beenen), waar ze bij het klauteren en ravotten geen last van hadden, vond men blijkbaar niet zo erg,   Ons Gezin 6, 60 b [1951].
Wist hij veel, dat ze nog zoveel werk zouden hebben om nog een muurtje en een trap op te metselen en binnen plastische chirurgie te plegen op enkele schoonheidsfoutjes,   Schager Cour. 28 Juli 1966.
Schoonheidsgewaarwording.
  V. DALE [1976].
— De wetenschap der schoonheidsgewaarwordingen,   titel v.e. werk v. J. TE WINKEL [1911].
Bij Baumgarten sloot zich Moses Mendelssohn aan met zijne ”Briefe über die Empfindungen” (1755) en andere geschriften, waarin hij de schoonheidsgewaarwording verklaarde als het voelen van eenheid in verscheidenheid,   TE WINKEL, Ontwikkelingsgang2 6, 12 [1925].
Schoonheidskoningin.
Schoonheidskoningin, winnares in een schoonheidswedstrijd,   V. DALE [1950 ].
— Toen herinnerde de directie van een kleine maatschappij … zich de roodharige schoonheidskoningin, en gaf haar de hoofdrol in een sensatiefilm,   KLOPPERS, Film 112 [1932].
Het gevolg was, dat de schoonheidskoningin van Oetelbeek de hele week niet de deur uit mocht,   ROOTHAERT, Vlimmen 234 [1936].
Schoonheidssalon.
Schoonheidssalon, schoonheidsinstituut,   V. DALE [1950 ].
— G. ging voor het eerst naar een schoonheids-salon,   Vrouw en h. Huis 34, 10 [1939].
”Ik ben kunstschilder. Als ik iets moois zie dan moet ik het schilderen. Eer heb ik geen rust.” ”Iets moois? Kom nou! Dan mag ik wel eerst 'n abonnement nemen op een schoonheidssalon. Haal op die rimpels!”,   MENS, Godt alleen d'Eere 209 [1957].
Schoonheidsspecialiste, Schoonheidsspecialist, vrouw, soms ook man die gespecialiseerd is op het gebied van schoonheidsbehandeling.
Schoonheidsspecialist, Schoonheidsspecialiste, iem. die een schoonheidsinstituut houdt,   V. DALE [1950 ].
— Waarom zou de schoonheidsspecialiste hier dan niet de helpende hand bieden?   Vrouw en h. Huis 34, 245 [1939].
Hij (een Jood) mag dus geen heilgymnastiek onderwijzen …, geen masseur zijn, geen schoonheidsspecialist en geen kapper, behalve dan voor Joden,   Onderdr. en Verzet 3, 74 [1952].
Ze wilde schoonheidsspecialiste worden, met een eigen Salon en alles zeegroen,   V. EYK, Uit en thuis 17 [1957].
Jonge mensen zullen doorgaans beginnen als assistente of gediplomeerd schoonheidsspecialiste bij een kappersbedrijf, terwijl zij zich later zelfstandig vestigen met de risico's van de economische ups en downs in dit conjunctuurgevoelige vak,   SCHLATMANN, Beroepen-Alm. 1964 79 b.
Schoonheidsvlak, schoonheidsvlek.
Ik kan u zeggen Euphrosyne dat de Indiaansche Koning niet meer verleegen was om reden te geeven van de natuur der schoonheids-vlakken, welke hy hier op het gelaat der Engelsche Jufferen zag op en ondergaan, dan de Wysgeeren om iets wegens deeze Zonnevlakken vast te stellen,   Oefenschoole K. en W. 1, 44 [1763].
Schoonheidsvlekje.
Schoonheidsvlekje, klein vlekje dat de schoonheid van het geheel accentueert, tache de beauté,   V. DALE [1950 ].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1924.