Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: SJOUWEN I Volgend artikel: SJOUWER

SJOUWENII

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: sjouwen

bedr. en onz. zw. ww. Van Sjouw (III).
A.  Bedr. — Door middel van een sjouw ontbieden.
Dat de Schipper den Zeevoogd aan boord geliefde te sjouwen, dat is, door een scheepszein aan boord te ontbieden,   VALENTIJN, O.-I. IV, 1, 279 b [1726].
Bekommering …, wat 'er dog in dat schip te doen mogt wezen, dat de Zeevoogd nog zoo laat op den dag aan 't zelve gesjouwt wierd,   V, 280 a.
B.  Onz. — Een sjouw laten waaien, een sjouw hijschen.
Tsjouwen. Een Vlag in een gerolt, een Tsjouw genaemt, achter af laten waeien, 't geen voor een merckteken streckt, om aen boort (er staat boot) te komen: oock wel een teken van noot,   WITSEN, Scheepsb. 511 b [1671].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1926.