Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: SLEDDEREN Volgend artikel: SLEE I
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

SLEDE

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: slede, slee

SLEE —, znw. vr. Mnl. slede, ohd. slito (m.), slita (vr.), mhd. slite, slitte, hd. schlitten (m.), os. slido (m.), m. eng. slede, eng. sled. Van den stam van Slijderen, Slieren.
+1.  Voertuig zonder wielen, dat glijdend wordt voortbewogen en gewoonlijk rust op twee evenwijdige met metaal beslagen of metalen ribben.
2.  Raamvormig of op liggers rustend toestel dat over den grond wordt gesleept; bepaaldelijk in toepassing op een landbouwwerktuig: sleephek, sleep. In dit gebruik niet algemeen.
Een driehoekte of vierkantte slede, gemeenlijk met korte tanden die noesch achteruit gericht liggen,   DE BO 1031 b [1873].
+3.  Glijdend onderstel.
4.  Glijdend deel van een draaibank of andere werkbank, waarin een gereedschap kan worden vastgezet.
Bij groote draaibanken, waarop lange pletrollen enz. worden afgedraaid, verbindt men de leunspan derwijze met de draaibank, dat de eerste benevens eene slede (Schlitten, chariot …), waarop zij staat, door eene groote schroef … of eene getande staaf … van het eene einde van de draaibank naar de andere kan worden voortgestuwd,   KUYPER, Technol. 1, 311.
Draaibanken (bestaan): 1. uit een schraag of gestel; 2. uit één of twee boomen … (een enkele driehoekige — loopstang — of twee evenwijdige — wangen of slede —), die volkomen recht en glad afgewerkt moeten zijn …; 3. uit een … kop of stoel,   GROTHE, Mechan. Technol. 84 [1879].
De beide loodrechte wangen der (schaaf-)bank zijn aan het boveneinde van gleuven voorzien, waarin de werktafel (slede) … voor- en achterwaarts schuiven kan,   90.
De slede (bij de draaibank) dient voornamelijk om den beitel in te spannen en moet dus de gelegenheid bieden, deze in alle posities … te kunnen plaatsen,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 1¹, 458.
De grondvorm van de slede (is) een kruis,   Ald.
5.  Schuifbaar, gewoonlijk tevens dragend, deel van verschillende toestellen.
De stiften (van zekere kopieertelegrafen) zijn op sleden bevestigd,   V. CAPPELLE, Electr. 794 [1908].
Slee. De drager van den koolhouder,   Electrotechn. Woordenl. 122.
6.  Langs een geleilat schuivende mal voor het trekken van lijsten in pleisterwerk.
Bij het trekken van lijstwerken in Portlandcement of ander pleisterwerk wordt een Contramal gebruikt, die op een plank is bevestigd, welke met een sponning langs een geleilat geschoven en daarom ook Slede genoemd wordt,   ZWIERS 2, 355 a [1920].
7.  Toestel waarlangs de affuit van een stuk scheepsgeschut heen en weer kan schuiven.
Dit stuk in 't afschieten agter uitgelopen sijnde, werd aanstonds weder geladen, en door twee Touwen …, met een groote geswindheid, op sijn slede weder voorwaarts gebragt,   V. YK, Scheepsb. 9 [1697].
De slede heeft een vasten stand in den toren onder eene helling van 4°,   HAAKMAN, Zee-art. 3, 21 [1871].
De slede is op losse houten blokken gesteld, ten einde de vuurmond naar verkiezing meer of minder te kunnen vlugten of dompen,   3, 28.
8.  Toestel, bestaande uit een strook ijzer met twee stiften, dat met een schroef onder de tafel wordt vastgezet, waarin de tang van een diamantslijper rust (LEVIT.-POLAK, Diam.).
9.  Houten rand waarin een stuk zandsteen wordt gevat voor het schuren van natuursteenen vloeren.
Voor het schuren van vloeren in natuursteen … wordt eveneens een Slede gebruikt, nl. een houten rand, waarin een zwaar stuk zandsteen wordt vastgezet; door middel van een stok of een paar touwen … wordt de Slede dan heen en weer bewogen,   ZWIERS 2, 355 a [1920].
10.  Plankje dat het glijden van het rak van een steng helpt bevorderen.
Bigot. Slee, Sleede, Stengel. C'est une petite pièce de bois percée de deux ou trois trous, par où l'on passe le bâtard pour la composition du racage,   AUBIN, Dict. de Mar. 83 [1702].
— De sleeden zijn eene soort van plankjes, die op hun' kant tegen de steng aankomen; die kant is dus plat of regt, terwijl de andere kant ééne of twee inkeepingen heeft, om de parten van het rak te ontvangen,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 211 [1858].
De enden tros … zijn bestemd om de ra aan de steng te verbinden en maken dus het eigenlijke rak uit, terwijl de sleeden het glijden bevorderen,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 211 [1858].
Een rak met lummel … dat langs de slede van den mast op en neêr kan bewegen,   LEHMANN, Schoenersch. 29.
Leuvers die om een slede pakken zooals ook langs de achterkant van den mast,   71.
11.  Draagbalk van een overstekende verdieping van een huis. Vroeger, althans te Utrecht; verg. bij de samenst. Sleebalk en Sleestuk.
Dat van nu voortaan alle timmeringen … alsoo sullen moeten werden gemaakt, dat men gelyks die voorpaayen recht opwaarts zal moeten timmeren, sonder eenige oversteken of uytwinningen op eenige sleden, ofte andersints te mogen maken, hebben, ofte brengen; dat men ook, soo men op die oude voorpaay zal willen opvaren, alle het houtwerk boven deselve voorpaay staande, als ook soo daar een overstek is, die courtonsen ende sleden ofte ander houtwerk, daar men mede oversteekt, zal moeten afbreken,   Utr. Placaatb. 3, 642 a [1622].
12.  Plank waarop de schoor van een onderschraging wordt bevestigd. Te Gent (elders in Z.-Ndl.: slets) (V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. 257 [1897]).
13.  Inrichting om den mond van een kornet open te houden en over den bodem te doen schuiven.
Thans zijn zij (de korijzers) vervangen door hoepelvormige sleden, die zwaarder gemaakt zijn, bij stil weer niet omvallen zooals de rechthoekige ijzers, beter den grond ploegen en het net steeds openhouden,   BLIJ, Zeilvischsl. 151.
Afl. Sleden, met een slede rijden of spelen; sle(d)enaar, bestuurder van een slede, vroeger plaatselijk naar het voorbeeld van wagenaar (”Soo seggen de Dordenaars een sleenaar, waar voor de Amsterdammers seggen een sleeper”, V. WINSCHOOTEN, Seeman 259 [1681]).
Samenst. afl. en samenst. — 1) Als tweede lid in Arreslede, bakslede, bierslede, boerenslede, bovenslede, braadslede, draaislede, duwslede, handslede, huurslede, ijsslede, kinderslede, koeslede, koetsslede, melkslede, narreslede, onderslede, prikslede, rakslede, reisslede, rouwslede, schuifslede, sleepslede, slikslede, spanslede, toeslede, tolslede, turfslede, vetslede, vrachtslede, zaadslede (zie die woorden of het eerste lid)
bruidsslede (”Dat aan een iegelyk die eige sleeden houden, werde geinterdiceert … haarlieder Koetssleeden aan iemand anders tot Bruydsleeden of Doopsleeden te leenen, omme daar mede een Bruyd of Bruydegom na de kerk of het Stadhuys ter Trouwe, of eenig Kind … ter Doop te ryden”, Handv. v. Amst., 1ste Verv. 109 a [1750]
bobslede, naar eng. (amerik.)bob-sleigh, lange, vlakke slede, waarop men besneeuwde hellingen afglijdt
carronnadeslede (”Het aantal carronnade-sleden … op dezen oogenblik op 's lands vloot aanwezig, zal zich tot een 4 tal bepalen”, HAAKMAN, Zee-art. 3, 63 [1871])
dwarsslede, zie ald. en voeg toe de bet.: dwars bewegende slede van een draaibank (”De zwaluwstaartgeleiding b, waarop de dwarsslede c loopt”, V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 1¹, 458)
pijpesleedje, bakje om den kop van een steenen pijp in te laten rusten (”Tot de rookgereedschappen behoorden ook zilveren, koperen en houten … pijpen-sluiven of doozen en sleden”, SCHOTEL, Maatsch. Lev. 71).
2) Als eerste lid, doorgaans in den vorm slee, in
Sleebaan.
Sleebalk. — 1°. Balk waarover de slede van een houtzaagmolen glijdt. Twee … balken (de sleebalken …), waarover de slee voortbeweegt, KUYPER, Technol. 1, 680.
2°. Draagbalk boven een onderpui (verg. boven de bet. 11
Dat in de stegen de voorsz. Rivelkens niet verder uytgesteken sullen mogen werden dan gelijck de sleybalck van de voor-puye,   Handv. v. Amst. 990 b [1566].
Sleeband, ijzeren beslag van een slede (BOEKENOOGEN op Sleedsband).
Sleebeitel, in een slede bevestigde beitel, bij het draaien van metalen voorwerpen.
De slecht- of sleebeitel …, dienende tot het gladdraaien of slechten,   GROTHE, Mechan. Technol. 86 [1879]
 (zie ook KUYPER, Technol. 1, 312) .
Sleeblok, blok waarover het touw van de slede van een houtzaagmolen loopt (BOEKENOOGEN op Sleedsblok).
Sleedjerijden
't Vermaak van 't sleedjerijden,   TER GOUW, Volksverm. 598 [1871].
Sleedraaibank, draaibank waaraan een slee verbonden is (KUYPER, Technol. 1, 311).
Sleegeld. — 1°. Geld voor het huren van een slede.
De wagen wordt tegen een koets verruild. Men houdt 'er met een paar dozyn yzere pennen de jongens agter af, en wint dus een knegt uit, en 's winters sleedjes geld,   Denker 3, 187 [1766].
Gy zyt veels ten goeden man om my kwalyk te nemen dat ik my niet geruïneerd heb met sleegeld te betaalen,   WOLFF en DEKEN, Br. 222.
2°. Zekere heffing op het gebruik van sleden.
Wyders, is hem ook aanbevolen, het ontvangen van het Sleedegeld van zulken, die met eene, twee of drie sleeden te trouwen ryden,   WAGEN., Amst. 2, 296 a.
Sleegrond, vloer waarover de sleden van een houtzaagmolen loopen.
Den sleegrond van den palsrok houtzaagmolen, met deszelfs rollen en sleestukken,   HARTE, Molenb. 49 a [1849].
Sleehouder, iemand die sleden (in de bet. 1, b) of 1, c) houdt, om die te verhuren.
So wanneer eenige Slede-houders of Slepers bevonden werden weygerig te sijn om de Luyden te rijden en ten dienste te staan,   Handv. v. Amst. 1438 b [1671].
Sleejacht, in de uitdrukking in een sleejacht, in een oogenblik. In Gron.
Dou 't zo haard begunde te reeg, was de stroat ien sleejacht schoon,   TER LAAN.
Sleelegger, legger van een slede, inzonderheid van de slede van een houtzaagmolen.
(Het) raamwerk … bestaat uit drie regels, waarvan de twee ondersten, sleeleggers genaamd, aan de beide einden met de zoogenaamde hoofden aanéén verbonden zijn,   KROOK, Molenb. 126 [1851].
Sleeleider, zie de aanhaling.
Van de gewone zaagmolens bekleedt men den onderkant der sleeleggers met een hard en fijn soort van hout, en doet dit, tusschen sleeleijers, over in de … sleestukken gehakte … neuten, loopen. Op deze wijze schuiven deze sleden vrij ligt en worden, tusschen de sleeleijers, steeds in eene regte rigting gehouden,   KROOK, Molenb. 126 [1851].
Sleelieden, sleevoerders. Verouderd.
Schippers, schuyt-luyden, wagen-luyden, sle-luyden …, die eenige bieren binnen deser stede begeren sullen te brengen,   Handv. v. Amst. 177 b [1581].
Sonder welck los-billet de Craen-kinders ofte Wyn-schrooders, mitsgaeders de Voerlieden ende Slee-lieden, de selve Wynen niet en sullen mogen wercken, overslaen ofte transporteren,   Vl. Placcaertb. 4, 1003 [1702].
Sleepaard.
Commende opte Plaetse, daer die sleepaerden staen, ontrent die voorscreven marct,   in Bijdr. Hist. Gen. 24, 194 [1565].
Dat niemand van de Sle-luyden heure Sle-paerden met heure Sleden vervorderen en sullen te laten staen, voeren ende leggen op deser Stede Plaetse,   Handv. v. Amst. 1085 a [1567].
Sleeplank, plank die bij een slede gebruikt wordt.
Zal voorts een yder zyn Paard, Wagen, Sleede-Planken en ander Gereedschap moeten bergen op de Plaatsen, daar toe geschikt,   Keuren v. Haerlem 2, 260 a [1751].
Sleerak, rak aan een steng, dat uit een aantal sleedjes (in de bet. 10) bestaat.
Men (stelt) thans algemeen de rakken der marseraas te zamen uit eene reeks van houten sleetjes en bollen of klooten, en noemt ze daarna sleede-rakken,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 211 [1858].
De sleederakken … hebben het voordeel boven de gewone rakken, dat zij de steng beveiligen tegen het invijlen van het touw en gemakkelijk glijden,   212.
Sleeschaafbank.
Sleescheepje, ijsschuitje.
Men ziet daar sleescheepjes vaaren Gedreeven al door de wind, Amst. Kermisvr. Het zeilen met sleêscheepjes of ijsschuitjes,   TER GOUW, Volksverm. 599 [1871].
Sleeschroef, schroef waarmee een slede (in de bet. 4) wordt vastgezet.
De zware brug, waaraan aan het eene einde een Sleêschroef en aan het andere einde een Boorplaat verbonden is, kan met behulp van worm en hengel gemakkelijk versteld worden,   ZWIERS 1, 162 b [1917].
Sleeschuit, ijsschuit.
Tot de ijssleden behooren ook de sleêschuiten. … Zij dienen om, bij ijsgang op onze stroomen, de gemeenschap met de Overmaasche en Zeeuwsche eilanden te onderhouden. Van ouds werden ze daarom ook schietschouwen, en tegenwoordig … ijsbooten genoemd; maar de ware naam is sleêschuit, want het ding is sleê en schuit tegelijk: 't is een schuit op schaatsen, zonder roer, voor en achter vierkant, die in open water geroeid en over de ijsvelden geduwd wordt,   Oude Tijd 1871, 359.
Sleestelling, stelling waarover de slede van een houtzaagmolen loopt.
De leggers van de sleestelling …, in deze leggers worden de rollen verbonden,   HARTE, Molenb. 49 a [1849].
Sleestuk. — 1°. Zwaar stuk hout dat tusschen twee zolderbalken gewerkt wordt, om een der stijlen van de dakstoel te dragen (verg. boven de bet. 11).
Wanneer de verdeeling der dakstoelen of kapgebindten niet overeenkomt met de verdeeling der zolderbalken, zoodat de bindstijlen niet in de zolderbalken kunnen worden gewerkt, alsdan wordt op die plaats, alwaar een dakstoel moet geplaatst worden, tusschen de balken een zwaar stuk hout ingewerkt, het slee-stuk genoemd, waarin alsdan de bindstijlen door pen en gat worden bevestigd,   PIJTAK 541 [1848].
2°. Elk van de stukken hout, waarover de sleden van een houtzaagmolen loopen.
Een bindlaag, waarover men, in de rigting en onder den loop der sleden de zoogenaamde sleestukken keept,   KROOK, Molenb. 126 [1851].
Sleetouw.
Twee opwinders, een sleestouw, … een sleesblok met ijzerbeslag en metale-schijf,   Invent. houtzaagmolen bij BOEKENOOGEN [1809].
De slof wordt … door middel van haken onder de kiel van het schip gestoken, en aldus door de sleetouwen aan beide zijden … vastgehouden,   MOSSEL, Schip 430 [1859].
Sleetuig, paardentuig voor een slede.
Een staatelijke Slede, waar van het Paard ook met een best Sledetuig vercierd was,   BERKHEY, Ill. Sledev. 24.
Al vroeg (heeft men) … noodig geoordeeld, zig op de Sledetuigen, over sneeuw en Ys, van zulke Schelletjes te bedienen; vermits men anders de aankomst eener Slede volstrekt niet hooren zoude,   BERKHEY, N.H. 4, 1, 254 [1779].
Sleevaart, tocht in een slede.
Sledevaart, sleevaart. f. Ryspel met Narresleen op het ys, over de sneeuw &c.,   MARIN.
— Aanzienlyke of bedaarde Lieden behandelen dit Ysvermaak (t.w. het rijden met de slede) op een beter trant … Dezulken voegen zig in een statelyken trein by een, by manier van eene geregelde Sledevaart, en ryden in gezelschap deftiglyk een toer door de Stad, of naar buiten,   BERKHEY, N.H. 4, 1, 258 [1779].
Wat was dat gisteravond schoon, Die lange sleevaart met flambouwen!   TOLLENS 10, 175 [1845].
Sleevoerder.
Dat geen schlevuyrders … paspoerten int accishuys halen en sullen, dan dieghene die dat byer toekoempt sullen,   Stadr. v. Nijm. 335 [1558].
Dat die slefurderen … gheynerley waren off guederen … diewelcke die dregeren van ons lieff Vrouwen gilde … tho fueren plegen, … onderstaen sullen tho fueren.   Ald.
  [1561].

Aanvulling bij SLEDE

Samenst. Sledemenner, hij die het paard of de paarden van een slede ment.
Sledemenner, voerman,   V. DALE [1872 1914].
— Den tonnendragers contra den tapper is de tonne biers prijs gegeven, die he mit een slemenner ende niet dorch hoer inbrengen laten,   ALTING, Diarium 720 [1588].
Karn ad Lune um te bolwarcken tot 15 of meer mit peerden ende ander thobehoer tbestellende, de stadt 4, Hilligen Geestsgasthues 2, St. Geertruyts 1, Geestlicke Mageden 2, Aedwerth 2, Selwert 2, Essen 2, Warffum 1 kaermenders ende slemenders,   ALTING, Diarium 826 [1591].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1928.