Koppelingen:
Vorig artikel: SLEMP II Volgend artikel: SLEMPEN II

SLEMPENI

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: slempen

bedr. en onz. zw. ww. Van den stam van hd. schlamm. Indien het woord oud is, waarschijnlijk hetzelfde als het volgende en dan de meer oorspronkelijke bet.
+A.  Bedr.
B.  Onz — Voor onzijdige toepassingen zie bij de koppel. en samenst.
Afl. Slempig, geneigd dicht te vloeien (”Waar de kleigronden zandhoudend zijn, treedt de dichtslibbing eerder op, wijl de fijne zanddeeltjes nog gemakkelijker door den regen worden verplaatst dan de fijne kleideeltjes. De landbouwer heet deze laatste soort kleigrond slempig, strandig, platerig of toeslibbend”, V. BAREN, Bodem v. Ned. 1059 [1927])
slemping (”De grond (is) ter diepte van 1,75 M. uitgegraven en daarna ter hoogte van ± 0,50 M. aangevuld met zand, gemeten na de slemping”, Versl. Rijkslandbouwproefst. 22, 27).
Koppel. en Samenst. — Als eerste lid in Slemplaag, bij de fabricatie van aardappelmeel: door uitspoeling en neerslag verkregen laag (”Op den bodem der bezinkbakken treffen we de verschillende vaste stoffen … laagsgewijze aan. Het onderste laagje bestaat uit zandkorrels en de grofste zetmeelkorrels, daarop rust eene laag zuiver zetmeel, dan volgt de z.g. slemplaag, uit fijn korrelig zetmeel, vezels, eiwitvlokken enz. bestaande,” Versl Landb. 1910, 3, 173)
Slemptafel, tafel waarop aardappelmeel door spoelen naar de fijnte wordt gescheiden (”De reeks van bewerkingen, die het meelwater nog moet ondergaan, heeft tweeërlei doel, n. 1. zuiveren en drogen. Het eerste heeft plaats in de bezinkbakken en op de slemptafels”, Versl. Landb. 1910, 3, 172; ”De slemptafels beoogen een gelijk doel als de bezinkbakken. Zij bestaan in hoofdzaak uit een zacht hellend vlak, waarop gootvormige uithollingen zijn aangebracht en waarover men het meelwater laat voortbewegen met eene snelheid van 15 à 20 cM. per seconde”, 1910, 3, 173; ”In deze horizontale scheiding der meelmassa op de slemptafels is voor den fabrikant een eenvoudig middel gelegen, om zijn product in verschillende kwaliteiten te sorteeren”, Ald.)
Slempvoet, zeker gebrek bij vee (”Behalve de opgenoemde gebreken der pooten, kent men er nog onder de namen van strompelpooten, slempvoeten, spartelpooten, slibberpooten, dat alles op een uitkomt, doch niettemin al vrij gemeen bij sommige Koeijen zijn, schoon het bij de Schapen dikwijls eene doorgaande kwaal is”, BERKHEY, N.H. 8, 33 [1810]).
— Als tweede lid in Dichtslempen (”Door stortregens worden dikwijls de voren met zand gevuld, ze slempen dicht”, MOLEMA 380 a)
inslempen (”Door het inslempen, hegt zich de aarde als een pap van aarde geheel aan de wortels vast”, Vriend v. d. Landm. 1, 510)
toeslempen (”Een akker wordt ook zuur en koud, wanneer dezelve te laag en te nat ligt, omdat dan het water den bovengrond toeslempt, zoodat lucht en warmte er … niet indringen kunnen”, Vriend v. d. Landm. 1, 285; ”Wanneer men … met een' te zwaren straal of te lang achter elkander op dezelfde plaats giet, dan wordt de grond toegeslempt en er vormt zich op deszelfs oppervlakte eene korst”, 1, 591).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1928.