Koppelingen:
Vorig artikel: SMOELWERK Volgend artikel: SMOES II
Etymologie: EWN

SMOESI

Woordsoort: znw.

Modern lemma: smoes

znw. Naar het schijnt ontleend aan hebr. šem ot, nieuws, tijdingen. Opmerkelijk is echter de groote verbreiding in N.-Ndl., ook op het land en een afl. als smuzeltjes; verg. ook SMOEZEN (I).
Verzinsel of praatje, dat men gebruikt als voorwendsel, verontschuldiging of aanloopje. Gewoonlijk in den vorm van het verkleinw. smoesje.
Nou dòrst ie, nou had ie lef met z'n gluperige smoesies,   BRUSSE, Boefje 105.
En tegelijk voelde hij, dat-ie er ingeloopen was, … dat ze hem door haar smoesjes had ingepalmd,   HARTOG, Sjofelen 253.
Toen G. hem van de tafel wou lokken, met een smoes over 't nazien van sommige prijzen in het boek,   DE MAN, Wass. W. 82.
Afl. Smoezen (zie ald., 1ste art.)
smuzeltjes, laffe grappen (GALLÉE 62 a).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1931.