Koppelingen:
Vorig artikel: SNAK III Volgend artikel: SNAKERIJ

SNAKEN

Woordsoort: ww.(intr.,zw.)

Modern lemma: snaken

onz. zw. ww. Een gewestelijke vorm naast Snakken. Nog in zuidelijke dialecten (DE BO [1873]) en op de Veluwe (V. SCHOTHORST).
1.  De mond opendoen om iets machtig te worden (dat men ontbeert); happen.
Ghelijck den veughele naer tloer van ase snaect,   DE CASTELEIN, Pyram. 24 [c. 1530].
Drencktse die van dorste blaken, Troost die naden adem snaken,   REVIUS, Over- Yss. Sang. 234.
+2.  Heftig begeeren, vurig verlangen, niet kunnen ontberen.
Afl. Gesnaak, gesnak (”Het knaegende verdriet, gesnaeck, verlangenis, Waerdoor sij wiert gepraemt in dees gevangenis”, in Tijdschr. 1, 121 (a°. 1686)
snakerig, snakkend (”Waer 'smiddaeghs inde Sonn met snaekerigh verlanghen Om te boeten den dorst … Allederhande Vee comt cudd-wijs aenghestout”, DE HARDUYN, Godd. Lofs. 4 [1620]; ”Dat gheboomte …, Waer onder Abrahams kindt riep snaekerigh om drincken”, 126).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1931.