Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: SNIJ(DE) Volgend artikel: SNIJDER
Afbeeldingen: Dodoens1554
Gewestelijke variatie: PLAND
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

SNIJDEN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,st.)

Modern lemma: snijden

bedr. en onz. st. ww. Mnl. sniden mnd. snîden, ohd. snîdan, mhd. snîden, hd. schneiden, os. snîthan, ofri. snîtha, ags. snîđan, got. sneiþan. De verdere verwantschappen zijn onzeker.
+A.  Bedr.
+B.  Onz. — 1) Zich of een werktuig een kerf of voor makend voortbewegen.
Afl. Besnijden, gesnij, ontsnijden, snede, snijder, snijding, versnijden (zie die woorden)
snijdbaar (”De kaas is integendeel eene vastere snijdbare zelfstandigheid” (t.w. dan de boter), BERKHEY, N.H. 9, 427 [1811]; ”Ik heb het (zeker endocarp) gekookt …, en ten slotte na opkoking met water zorgvuldig uitgewasschen. Het was toen zeer goed snijdbaar,” Versl. Rijkslandbouwproefst. 18, 136)
snijderij, ongewoon (”Soo ras hy syn Leer-jaren geeindigt had, wierd hy het sitten op de tafel moede, en begaf sig in dienst van een … Edelman, die na een knegt sogt, die een weinig in de snyderye gestudeert had,” HEINSIUS, Verm. Avant. 1, 9 [1695])
snijdig, gewest., 1°. flink, bij de hand, slagvaardig, ijverig, snedig, een germanisme? (”Een snijdige kerel die voor niets wijkt. Een snijdige minister die zijne tegenstrevers de mond weet te snoeren. Snijdig spreken. Snijdig werken,” DE BO [1873], zie ook Dr. Volksalm. 1844, 163 en TER LAAN), 2°. goed snijdend (DE BO [1873]), hierbij weder de afl. snijdigheid (”Als gij ze ('t werkvolk) nen dreupel geeft, ze zijn vol snijdigheid,” Loquela (Wdb.) [1907])
snijdsel, 1°. fijngesneden massa, inzonderheid: haksel van stroo (GUNNINK), 2°. wat bij het snijden afvalt (”Snijdsel. Segmen, segmentum, resegmen”, KIL.), 3°. een soort van in huis gemaakte vermicelli, in Z.-Afr. (MANSVELT), hierbij weder de samenst. snijdselbak, bak voor afval
snijling, in Z.-Ndl., 1°. wat bij het snijden afvalt (”Dan … sitter in een hoeck … Claartje …, Die al nieuwen-haaring seyd Asse uyt de pekel leyd: Stock-vis, veyltmen oock mit snijeling,” V. D. VENNE, Sinne-mal 29; zie ook JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL.), 2°. in den vorm van het mv. haksel (Hij) ”was … als naar gewoonte, snijlingen gaan maken op den dorschvloer, en had ze, met haver dooreengeroerd, het paard in de krib voorgegoten,” DE VOS, Vl. Jong. 49), 3°. in Gron. in toepassing op planten met snijdend blad, t.w. de lischdodde en de zegge (TER LAAN).
Samenst. afl., koppel. en samenst. — 1) Als tweede lid o.a. in Aansnijden, afsnijden, beeldsnijden, beurzensnijden, bijsnijden, doorsnijden, fijnsnijden, glassnijden, haarsnijden, insnijden, kaassnijden, kleinsnijden, nasnijden, neersnijden, omsnijden, ondersnijden, opsnijden, oversnijden, pennesnijden, plaatsnijden, rondsnijden, stempelsnijden, uitsnijden, voorsnijden, wegsnijden, zegelsnijden
diepsnijdend, scherpsnijdend, tweesnijdend
banksnijder, beeldsnijder, beurzesnijder, biggensnijder, eksteroogensnijder, haarsnijder, hakselsnijder, houtsnijder, ijzersnijder, kaassnijder, kapsnijder, kleisnijder, ledesnijder, lettersnijder, likdoornsnijder, lompensnijder, papiersnijder, penne(n)snijder, plaatsnijder, plaveisnijder, roosjessnijder, speksnijder, stempelstroosnijder, teensnijder, vleeschsnijder, wantsnijder, wortelsnijder (zie die woorden of het eerste lid)
aansnijden (zie ald.), in toepassing op een jachthond: van het geschoten wild eten (”Komt hij (de hond) loens met uitgezette ribben, de lippen lekkende terug, dan heeft hij den haas aangesneden,” Jagerstaal 31)
draadsnijden, t.w. schroefdraad (”Bij het maken van een schroef en moer begint men met in de moer ”draad te tappen”, teneinde haar bij het ”draadsnijden” op den bout als maat of mal te doen dienen, V.D. KLOES, Smid 271 [1908]); hierbij weder de samenst. draadsnijbeitel (”Men gebruikt voor het aansnijden bepaalde Draadsnijbeitels, die met behulp van een schroef nauwkeurig in een stalen Draadsnijbeitelhouder worden gesteld,” ZWIERS 1, 309 b [1917]), draadsnijgereedschap (”Men verzuime vooral niet het draadsnijgereedschap vóór het gebruik met olie in te smeren,” V.D. KLOES, Smid 274 [1908]), draadsnijijzer (”In de smederij wordt gewoonlijk het Draadsnij-ijzer, kortweg Snij-ijzer genoemd, gebruikt,” ZWIERS 1, 309 a [1917]), draadsnijmachine (”Meer machinaal geschiedt het draadsnijden met de Draadsnijmachine,” ZWIERS 1, 309 b [1917])
gelijksnijden (”Men moet voords de plaaten, met behulp van een winkelhaak, regt maaken en gelijk snijden,” Handw. 13, 174 [1796])
schroefsnijgereedschap, schroefsnijkussen, schroefsnijmachine, schroefsnijtap (zie Dl. XIV, 1093)
brillantsnijder (LEVIT.POLAK, Diam. 89), hierbij weder samenst. als brillantsnijdersvereeniging (”In Mei 1894 werd eene Brillant-snijders- en snijdsters- Vereeniging gesticht, die zich tegen het einde van dat jaar omzette in een afdeeling van A.N.D.B.,” LEVIT.POLAK, Diam. 377)
glassnijder, 1°. persoon (”De kunst om op chrystal binnenwaards en verheven te etsen … is door den beroemden Glassnijder Hendrik Schwanhard, te Neurenburg, in het jaar 1670 uitgevonden,” Handw. 13, 243 [1796]; ”De glassnijder verricht zijn werk op een soort van draaibank,” GROTHE, Mechan. Technol. 156 [1879]), 2°. gereedschap (”Een zakmes met een glassnijder er in”)
meesnijder, zie de aanhaling (”Meesnijder. Hieronder wordt verstaan de stok van den kloover en den snijder, die den steen bevat, waarmede gewerkt wordt; … Ook is meesnijder de naam van den steen, die in dezen stok is,” LEVIT.-POLAK, Diam. 261)
opsnijder, zie de aanhaling (”Snijdersstokken. Twee stokken van palmhout, waarvan de eene heet opsnijder, die de grootste is en den steen bevat, die gesneden wordt, LEVIT.-POLAK, Diam. 376).
2) Als eerste lid in Snijboon, Snij-ijzer (zie die woorden)
Snijbak. — 1°. Bak waarop stroo tot haksel wordt gesneden, snijbank.
Liet een snijback voor de peerden koopen,   C. HUYGENS Jr., Journ. 2, 95 [1692].
Ten huize van voornoemde weduwe (zal) publiek worden verkocht: … kern- en melkgereedschap, wanmolen, snijbak,   Advertentiebl. v. de Gelderlander v. 4 Aug. 1900.
2°. Bak waarin verzameld wordt, wat van bepaalde zaken bij het snijden afvalt.
Eer de koeken (lijnkoeken of koolzaadkoeken) in den handel komen, worden ze … aan beide uiteinden, een weinig afgesneden en afgerond. De snijdelingen, de schroolingen vallen in den snijbak, den schroobak,   Loquela (Wdb.) [1907].
Hierbij weder de samenst. Handsnijbak (zie Dl. V, 1859).
Snijbal, in sommige balspelen: bal die een andere of eenig spelmateriaal zoo fijn raakt, dat zijn richting zich nauwelijks wijzigt.
Zoo'n snijbal, waarbij het er op aankomt den paal, als men er bijna of zelfs geheel achter ligt, zóó fijn teraken, dat de bal toch nog geheel of bijna geheel naar ”achter” gaat, is een succes, waar men enz.,   SPUYBROEK, Kolfsp. 21.
Snijbank. — 1°. In verschillende beroepen. Werkbank of raam, waarin bepaalde zaken worden vastgezet, die bijgesneden of geschaafd moeten worden.
Het fijne zilver (voor zilverdraad) wordt … in verscheidene stukken gekapt en tot ronde stangen gesmeed. Deze laatsten worden in een houten raam of gestel (snij- of snoeibank) liggende, heet … over de gansche oppervlakte afgeschaafd,   KUYPER, Technol. 1, 219.
De reep- of snijbank. … Dit is de bekende eenvoudige inrichting der kuipers en enkele andere arbeiders in hout, waarbij de werkman schrijlings op eene bank zit en het hout door den druk zijner voeten tegen eenen hefboom vastklemt, zoodat hij het ter hoogte der borst vóór zich heeft,   1, 699.
2°. Bank waarop stroo tot haksel wordt gesneden, snijbak.
De hakselsnijders … kunnen het werk van verscheidene snijbanken verrichten, door in één uur 5 mud haksel en bij groote werktuigen nog meer te snijden,   HARTOG, Landbouwverb. 14.
Snijbiet, bietensoort waarvan de bladen gesneden en op de wijze van spinazie gegeten worden, Beta vulgaris L. (Beta Cicla Koch.).
Beet (Beta vulgaris) Tot deze soort (behoort) … de in het wild … groeijende zee Biet … dat is de wilde Beete of kroote … waaruit door kweeking schijnt ontstaan te zijn de snijbietBeta vulgaris, cicla Koch; Beta cicla — welke als een overblijvend gewas in onze tuinen gekweekt en waarvan het blad van tijd tot tijd … als een niet onaangenaam moeskruid afgesneden wordt,   V. HALL, Landh. Flora 182 [1854].
Snijbloem, bloem die gekweekt wordt om ze afgesneden te verkoopen of te genieten; alleen in het mv.: bloemen die afgesneden aan de markt worden gebracht.
De bloemkweekerij gaf zeer goede uitkomsten. In Aalsmeer … was de handel in snijgroen en snijbloemen zeer levendig,   Versl. Landb. 1910, 4, XLVIII.
Snijblok. — 1°. Gereedschap voor het insnijden van schroefdraad, bestaande uit twee of meer harde, van draad voorziene kussens, die naar elkander worden toegedreven.
Veel verkieslijker (dan snijijzers) zijn, vooral voor dikke schroeven, de snijblokken; deze werken meer door een eigenlijk snijden, en bestaan uit een soort van dubbele kruk, waarin twee, soms drie, kussens … van gehard staal passen, die door een schroef al meer en meer kunnen aangedreven of naar elkander toegeschoven worden, zullende naar die mate de draden der spil dieper uitvallen,   GROTHE, Mechan. Technol. 88 [1879].
2°. Bij wagenmakers: houten blok dat tegen de borst wordt gezet, wanneer men met het haalmes werkt (JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL. 2046).
Snijboor, zekere soort van boor voor grondonderzoek.
Aardboor …, dient tot het onderzoeken van zachte grondsoorten … Naar gelang van de grondsoort verschilt de vorm; men heeft: de Centerboor …; de Lepelboor …; de Snijboor, alleen dienend voor het doorsnijden van plaggen en wortels,   ZWIERS 1, 9 a [1917].
Snijbord, bord om op te snijden.
Van mes voorziene hak- en snijborden,   Tariefw. 1924 (Stbl. 568), blz. 146.
Snijbrander, brander dien men gebruikt bij het snijden van metaal.
Men gebruikt voor het snijden (van metaal) bijzondere branders, die in staat stellen eerst het metaal ter plaatse sterk te verhitten en daarna een zuurstofstraal op de verhitte plek te richten. … Fig. 290 stelt den snijbrander ”Econoom” voor,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 1¹, 373.
Snijdiamant, kleine diamant voor het snijden van glas.
Snijdraad, draad waarmede men klei snijdt.
Een eind dun ijzer- of messingdraad, de kleisnede of snijdraad, welke aan ieder uiteinde een houten hecht heeft, wordt nu met beide handen langs de bovenste schroten door de klei getrokken, en snijdt daardoor eene plaat af,   KUYPER, Technol. 2, 750.
Snijgat, bij dijk- en wegenbouw: in het stort als doorrit opengehouden ruimte.
Snijgereedschap.
Hy wiste wel, dat ik den beste snyder in de Neerduytse mode niet en was: dat ik my met de Latynsche sny-gereetschap, die ik dagelijcx gewoon was te hanteeren, vry beter generen kon,   GEULINCX, Hooftd. IV.
Snijgras, benaming voor grassen of grasachtige planten met scherpkantige bladen, inzonderheid voor de soorten van zegge, gesl. Carex Mich., in het Land van Hulst ook voor het galigaangras, Cladium Mariscus R. Br. (HEUKELS [1907]).
Snijgras. — Te Rethy. — Men noemt alzoo, in 't algemeen, verscheidene soorten van 't geslacht Carex, fr. Carex, Laiche; vl. Zegge. Deze planten gelijken op Gras … en hunne stengel is gewonelijk van drij snijdende kanten voorzien,   PAQUE, Volksn. 350.
— Alzo het land tusschen Way en Tolehoe … vol Coescoes, of lang sny-gras is,   VALENTIJN, O.-I. II, 1, 111 b [1724].
Zo zy nu die nog niet gebakken mogten hebben, nemen zy maar wat van dat ongebakken meel in een Sagoe-blad mede, binden dat met wat snygras vast,   II, 1, 156 b.
Ook moet men zoo een gesteeken persoon pas boven de plaats, daar hy gesteeken is, met het voornoemde sny-gras verbinden, op dat het fenyn niet voortloope,   II, 1, 252 b.
Lalan is een Snygras van een byzondere gedaante, gemengt van 't regte Snygras Carex, gemeen gras, en Spartium. Het bestaat uit enkele smalle bladeren zonder steelen …, in gedaante van degens, vier en vyf voeten hoog, schaars een duim breed, dun …, in de midden met een styve zenuwe, aan de kanten wat snydende,   RUMPHIUS, Amb. Kruidb. 6, 17.
Snijgroen, groene plantendeelen die afgesneden voor versiering gebruikt of in den handel gebracht worden.
In Zuidholland begint de handel in snijgroen op het buitenland langzamerhand van beteekenis te worden,   Versl. Landb. 1914, 4, LIII.
Snijhaak, haak die een pottebakker gebruikt om aarde te snijden (JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL. 2046).
Snijhoek, hoek waaronder een beitel snijdt (V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 1¹, 371).
Snijinstrument.
(De voornaamste gereedschappen tot het afsnijden van het boek) zijn: 1. een pers (snij-pers) 2. een snij-instrument (ploeg) 3. een vierkant plankje enz.,   Handw. 22, 56 [1806].
Snijkamer, kamer waar menschelijke lichamen worden ontleed, soms ook: kamer voor heelkundige operaties.
Achter dit vertrek is de Anatomie, of zoogenaamde Snykamer …, in het midden van dezelve staat eene draaitafel, om de doode Lichaamen, voor die zich in de genees- en heelkunde willen oeffenen, op te openen, en de onderscheidene deelen tot onderwys te verklaaren,   V. MIERIS, Beschr. v. Leyd. 555 a.
Zyn lighaam wierd aan de Snykaamer verkogt,   Philanthrope 4, 232 [1760].
Die weergaaze jongen heeft zyne kostelyke gezondheid in den grond gewerkt: hy ziet er by get uit als een deserteur van de snykamer,   WOLFF en DEKEN, Blank. 1, 56 [1787].
B. … vroeg, of zij ook begeerte hadden om de Hortus medicus te zien, zoo gij gelegenheid hebt, zeide Mevrouw v. E., om ons naar de Snijkamer te geleiden, zult gij mij vermaak doen,   KIST, Eikenh. 2, 340 [1810].
Wat weldoende tegenstelling maakte de frischheid onder de notelaars op de dijken, bij de stiklucht der besloten snijkamer!   DE VOS, Vl. Jong. 294.
Lou is naar de snijkamer,   FALKLAND 1, 7 [1896].
Snijkant, kant van een zaak, waarmee deze snijdt.
(De tappen) worden uit best gereedschapstaal gedraaid; vervolgens worden er drie voren in gefreesd, zoodanig dat drie haaksche snijkanten ontstaan,   V.D. KLOES, Smid 272 [1908].
Plaatst men de snijkanten (van de beide schaarbladen) schuin ten opzichte van elkander, dan geschiedt de werking langzamerhand, zal daardoor minder kracht vereischen en minder stootend plaats hebben,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 1¹, 356.
De kroon (van den lateralen snijtand) is ter halver hoogte het breedst, zoowel naar den snijkant als naar den wortel wordt zij smaller,   V. D. BROEK e. a., Ontleedk. 3, 29.
Snijkist, zeker toestel voor het snijden van stroo tot haksel (JONGENEEL; SCHUERM. [1865-1870]).
Snijkoek, zachte koek, die in schijfjes gesneden (inzonderheid op het brood) wordt gegeten. In Holland, maar niet in de beschaafde taal.
Snijkoren, rogge die voor groenvoer bestemd is of gebruikt wordt. In Z.-Ndl. (DE BO [1873]; RUTTEN [1890]; CORN.-VERVL.).
De … zeilen (van den molen) draaiden lustig in den wind, die dichterbij door het snijkoren suizelde,   LOVELING, D.E. 96 [1891].
Snijkunst. — 1°. Vroeger in den zin van ontleedkunde.
Anatomia. … B. Anatomie, sny konst, ontleding,   BLANCARDUS, Lexicon Med.
2°. Vroeger in den zin van graveerkunst.
't Zii dat êr (te Valenciennes) de Sniid- en Muntkonst meer dan in Holland gebloeid hebbe,   V. ALKEMADE, Penn. d. Gr. v. Holl. XI [1700].
Snijkussen (zie Dl. VIII, 614).
Snijlicht, langs een voorwerp strijkend licht.
Geschiedt dit (t.w. het schuins verlichten) zoo sterk, dat de lichtstralen het vlak niet meer treffen, maar, even als raaklijnen, er langs strijken, dan zegt men, dat dit gedeelte in het snijlicht is geplaatst,   ROSE, Orn. 48.
Snijlijn. — 1°. Lijn, die een of meer andere snijdt. Inzonderheid: rechte lijn die twee evenwijdige lijnen of een cirkelomtrek snijdt.
De lini A I, heet van wegen datse den omtrek deursnijt, Snylijn,   STEVIN, Gedacht. 1, 2 b.
De snijlijn maakt, door hare doorsnijding, met de evenwijdige lijnen, acht onderscheidene hoeken,   DE GELDER, Beg. d. Meetk. 28.
Hoeken …, aan onderscheidene lijnen en aan tegenovergestelde zijden van de snijlijn liggende,   29.
De hoek, A B C, onder welken twee snijlijnen, A B en A C, eens cirkels elkander doorsnijden,   117.
In de driehoeksmeting inzonderheid de lijn die het middelpunt van een cirkel met den top der tangens verbindt, secans (C. DE JONG, Handwdb. 475 b [1869]).
Wesende ghegheven een bekende booch: Deur de tafel der snylijnen haer snylijn te vinden,   STEVIN, Gedacht. 1, 140.
Rechthoucx houckmaet is middeleveredenighe tusschen de ghestelde boochs houckmaet, ende de snylijn van haer schilbooch,   1, 207.
2°. Lijn volgens welke twee vlakken elkaar snijden.
De snijlijn van dit vlak met de zeespiegel,   in Nat. en Mensch 1932, 162 b.
3°. Lijn volgens welke een zaak wordt doorgesneden, af- of ingesneden.
De gewone scharen moeten voor lange stukken herhaaldelijk open en dicht gemaakt worden, hetgeen tijdverlies en onregelmatige snijlijnen veroorzaakt,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 1¹, 357.
4°. Lijn die het snijvlak van een gereedschap begrenst.
In elk geval krijgt men (bij het slijpen van gereedschap) dus geen rechte lijn als snijlijn, doch een kant, die meer of minder breed is en … door het onregelmatige afbrokkelen gekarteld,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 1¹, 369.
Snijlisch (zie Dl. VIII, 2496).
Snijlook (zie Dl. VIII, 2784).
Snijloon.
Het snijloon bedraagt naar gelang van het jaargetijde 1/20 tot 1/10 van den oogst,   DE HAAN, Priangan 2, 689 b.
Snijmachine.
(Tot het snijden van de tarwe) gebruikt men eene groote snijmachine met een mes van 12 voet lengte,   Versl. Landb. 1914, 1, 97.
Schaaf-, snij- en houtschilmachines,   Arbeidsbesl. 1920, a. 25, 1.
Hierbij weder de samenst. als Papiermachine, schroefsnijmachine (zie het eerste lid)
blikmachine, broodsnijmachine (Tariefw. 1924 (Stbl. 568), blz. 146).
Snijmes. — 1°. Mes met twee handvatten, waarmee men naar zich toe snijdt; haalmes: trekmes.
Het snijmes … is … nagenoeg in den vorm van het boommes, doch het blad is niet zoo breed, de handvatten zijn langer enz.,   MOSSEL, Schip 118 [1859].
De bekende eenvoudige inrichting der kuipers …, waarbij de werkman schrijlings op eene bank zit en het hout door den druk zijner voeten … vastklemt, zoodat hij … beide handen ter bestiering van het snijmes gebruiken kan,   KUYPER, Technol. 1, 699.
Het Trek- of Snijmes … is een zeer geliefd en onmisbaar gereedschap van den wagenmaker en den kuiper,   V.D. KLOES, Wagenm. 248 [1907]
 (zie ook J. LINDEMANS e. a., Hopteelt 125) .
2°. In verschillende toepassingen op messen, die weinig of geen bijzondere kenmerken hebben.
Snijd-mes. Falx putatoria: culter putatorius, scalprum. & Culter escarius,   KIL.
— Om dien bogt (van een slang) met een houwer, of snymes, door te kappen,   VALENTIJN, O.-I. IV, 2, 26 b [1726].
Men moet voor eerst het hout (waarin men graveeren wil) in- en oversnijden in A. B. C. D. 't welk zestien sneeden met het snijmesjen vereischt,   Handw. 13, 77 [1796].
De grootte van het snijmes (ploeg) (van den boekbinder) heeft minder bepaling nodig …; het heeft in de midden een schuin vierkant gat, waarin de schroef … sluit,   22, 58.
Ons reizer zag hem eens het snymes in de hand Om 't hout te zuiveren en naer den eisch te snoeijen,   CONINCKX, Fab. 373 [1808].
Bij het volk op de velden, ijverig bezig met het inzamelen van den rijstoogst, ging een kreet van angst op; men wierp de gesneden padie en snijmesjes weg en ijlde naar huis,   V. REES, T. Poland 1, 9 [1867].
Met het snijmes snijdt men metaal en bijz. zink rechtdoor,   V. HOUCKE, Loodg. 675 [1902].
3°. Vroeger naar het schijnt ook in toepassing op een soort van scherpe bies, verg. de afl. snijling.
Snijd-mesken. Scirpicula,   KIL.
Snijmoes, moes niet van echte boerenkool, maar van koolzaadblaren. In Gron. (TER LAAN).
Snijmolen, handmolen voor het snijden van peen, rapen, bieten enz. (CORN.-VERVL.).
Snijnaald, naam van verschillende soorten van naalden voor wevers en zadelmakers.
Snijnaalden (voor wevers), in dwarsdoorsnede nagenoeg hartvormig of driekant op de tegenover den dunnen kant staande smalle zijde met een overlangsche groef … voorzien,   KUYPER, Technol. 2, 187.
Pak-, matras-, zeil-, snij- en stoffeerdersnaalden,   Tariefw. 1924 (Stbl. 568), blz. 116.
Snijpaard, snijbank, snijbak. Gewest. in Z.-Ndl.
Het schemerde (op den deel) alles dooreen voor zijne blikken: het ”snijpaard” in den hoek, de wanmolen daarnevens enz.,   DE VOS, Vl. Jong. 57  (zie ook DE BO [1873] en CORN.-VERVL. 2046).
Snijpap, pap van in kokend heete melk gestrooid meel, die met een mes wordt geroerd. In N.-Holl. (BOUMAN).
Snijpartij, vechtpartij op het mes.
De zulken, die eene snyparty willen aangaan, om elkander een veeg met het Mes te geeven,   BERKHEY, N.H. 3, 528 [1773].
Waarschijnlijk had hij verwacht, dat ik hem de gelegenheid tot een klein snijpartijtjen zoude verschaft hebben,   V. LENNEP, Rom. 3, 21 [1840].
Snijpasser (zie Dl. XII, 716).
Snijpers, pers waarin een boekbinder een boek legt dat hij moet afsnijden.
(De voornaamste gereedschappen tot het afsnijden van het boek) zijn: 1. een pers (snij-pers). 2. een snijinstrument. 3. een vierkant plankje enz.,   Handw. 22, 56 [1806]
 (zie ook V. D. MEULEN, Het Boek 169) .
Snijplaat. — 1°. Doorboorde plaat, met behulp waarvan men draad op kleine schroeven snijdt.
Voor schroeven van minder dan 6 mM. middellijn wordt een snijplaat gebezigd,   V.D. KLOES, Smid 274 [1908].
Voor het snijden van draad op bouten bezigt men snijplaten en snijkussens. De eersten zijn alleen voor kleine middellijnen in gebruik,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 1¹, 399.
2°. IJzeren plaat aan de stijlen van een zaagraam, die dit in de goede richting helpt houden.
De op- en neêrgaande beweging van het zaag raam, langs een loodrechte of daarvan weinig afwijkende lijn, verkrijgt men door de raamstijlen in de sponningen van stevig bevestigde standers te laten glijden, of ook door aan de stijlen vastgeschroefde platen (schuur- en snijplaten) langs kleine uit pokhout of hardsteen vervaardigde en aan de standers bevestigde nokken … te voeren,   GROTHE, Mechan. Technol. 203 [1879].
Op de raamstijlen zijn boven en beneden aan weêrzijden ijzeren platen (snijplaten) vastgeschroefd, waarmede het raam tegen de neuten in de balken en de dwarsgebindten leunt,   206.
Snijplank, plank waarop gesneden wordt, inzonderheid: plank aarop schoen- en zadelmakers het leer afsnijden.
Snijploeg, een boekbindersgereedschap, zie de aanhaling.
Het boek wordt dan in een gewone houten pers gezet en met den snijploeg, een soort van schaaf met een rond mes er in, langs den kant van de pers afgesneden,   V. D. MEULEN, Het Boek 169.
Snijpunt, punt waar twee lijnen elkander snijden.
Verlengt nu C, D, tot daar sy G snijd. Steld in 't Snypunct de Passer, en opentse tot in D, of E,   V. YK, Scheepsb. 58 [1697].
De lijn, gaande door het snijpunt der draden en het optisch middelpunt van het objectief,   SCHOLS, Landm. en Waterp.³ 9.
Wij kunnen ons namelijk voorstellen, dat een stuk papier van eene vierkante eenheid oppervlakte, bijv. 1 cM.², zoodanig in de nabijheid van den magneet wordt bewogen, dat het steeds loodrecht door de krachtlijnen gesneden wordt; het aantal dezer snijpunten is dan eene maat voor de intensiteit van het magnetisch veld,   V. CAPPELLE, Electr. 21 [1908].
Met de eene hand laten ze (de pootsters) telkens een aardappel in de vore vallen, welke aardappel daarna met den voet op de juiste plaats, n.1. tegenover het snijpunt van de met den markeur getrokken streep met de vore, links, tegen den vasten kant wordt gedrukt,   Versl. Landb. 1910, 3, 8.
Snijraam (I), zeker werktuig voor het insnijden van schroefdraad.
Een dergelijke bespoediging van den arbeid, als door het aanwenden der draaibank, bereikt men door het snijraam. Hierbij is namelijk het lichaam van 't snijijzer (het ijzeren raam, dat de kussens omvat) zonder handvatsels te lood onbeweeglijk bevestigd, en de schroefspil, welke men verlangt aan te snijden, wordt met haren kop in eene soort van stang … vastgeklemd. Deze laatste draait men voorts door middel van eene kruk … rond,   KUYPER, Technol. 1, 344.
Snijraam (II), door snijwerk verdeeld raam boven een deur.
Uit de kroeg, door 't snijraam boven de deur, valt licht op het tegenoverliggend huis,   V. MAURIK, Amst. bij D. en N. 115.
In het sousterrain vond ik nog een snijraam met monogram opgeborgen,   in N. Rott. Cour. v. 31 Jan. 1932, Ochtendbl. D.
Snijrogge, rogge die voor groenvoer bestemd is of gebruikt wordt.
Andere soorten van groen voeder worden op den stal niet vervoerd en in het voorjaar alleen een weinig snijrogge,   Onderz. Landb. 1886, 12, 13 [1890].
Snijschool, vakschool voor het machinaal snijden van diamant (LEVIT.-POLAK, Diam.).
Snijsla, sla, t.w. latuw, waarvan de jonge blaadjes vóór de vorming van een stengel gesneden worden.
Snijsalade … (Lactuca laciniata Roth. Dc., laitue épinard) wordt even als krullatuw herhaaldelijk afgesneden,   V. HALL, Landh. Flora 116 [1854].
Snijstaal, hardstalen wieltje aan een handvat, voor het snijden van glas (ZWIERS [1920]).
Snijstift, zeker gereedschap van een graveur.
Snijstiften van verscheiden gedaanten, als ronde, halfronde, platte en scherpe,   Handw. 13, 52 [1796].
Terwijl de outil, of snijstift, tusschen den voorsten vinger en duim, (met welken hij (de linker hand) de regtehand in het bestuuren van den Steen, van vooren onder den snijstift, behulpzaam is) laat door draaijen,   13, 53.
Snijstok, snijdersstok (LEVIT.-POLAK, Diam.).
Snijstreek.
Wanneer een scherpe Noordewind … den eenen of anderen koornakker, met een sny- of zystreek, zoo als men 't noemt treft, dan ziet men weldra alle de airen kwynen, en verdorren,   BERKHEY, N.H. 1, 398 [1769].
Snijtafel, tafel voor heelkundige operaties of ontledingen.
Snijtand. — 1°. Aan een dierlijk lichaam.
De voorste (tanden), die het dunst en scherpst zyn, noemt men Sny-, de volgende die puntig zyn, Hoek- …, en de vordere naar agteren … MaalTanden,   PALFYN, Heelk. Ontl. 526.
Zo dat (bij zekeren visch) de Voor- of Sny- Tanden in de Onderkaak dubbeld zyn,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 8, 440 [1765].
De snijtanden hebben een beitelvormige kroon, die aan den vrijen rand breeder is dan aan den hals,   V. D. BROEK e.a., Ontleedk. 3, 29.
2°. Aan een gereedschap of werktuig.
In het algemeen is het voordeeliger, in plaats van de frees, eenen enkelen snijtand (Schneidzahn) of wel eenen stalen beitel aan te wenden,   KUYPER, Technol. 1, 617.
Hierbij weder de samenst. Achtertand, melktand, paardentand, veulentand, voorsnijtand (zie de ontleedkundige, diergeneeskundige en andere handboeken).
Snijtang (zie Dl. XVI, 916).
Snijtap, tap voor het snijden van schroefdraad.
Het boren van gaten, waarin schroefdraad moet worden getapt, moet geschieden met een tapboor van gelijke middellijn als de grond van den draad in den snijtap,   V.D. KLOES, Smid 270 [1908].
Snijtarwe (zie Dl. XVI, 994).
Snijtoestel.
Snij- en haktoestellen, bestaande uit een bord, plank of toestel met een daaraan bevestigd mes, dat bij het snijden of hakken met de hand wordt op en neer bewogen,   Tariefw. 1924 (Stbl. 568), blz. 146.
Snijton, ton waarin men groente snijdt voor den inmaak. Gewestelijk.
As 't herfst is, geen snijton Met liedje en gelach,   CREMER 14, 264 [1860].
Snijtrog, snijbak (V. DALE).
Snijvijl, mesvijl.
Snijvijlen met bogen … zijn zeer dunne, platte en regthoekige vijlen, hebben aan de lange zijde van onderen en van boven eene rij fijne tandjes even als eene zaag. Zij zijn met twee nokken gevat in eenen ijzeren boog, die van eene schroef voorzien is, waarmede de vijl stijf uitgespannen wordt,   MOSSEL, Schip 113 [1859].
Snij-, snid-, inkeping- of schroefkopvijlen …, met eene zeer sterk scheefhoekige ruit tot dwarsdoorsnede, wier scherpe hoeken een weinig afgerond zijn. De twee daardoor ontstane zeer smalle vlakken zijn evenzeer behouwen als de vier breede. Men maakt daarmede insnijdingen in de koppen der schroeven en dergelijke smalle kepen, waartoe nimmer eene grooter lengte der vijl dan van 5 tot 12 dm vereischt wordt,   KUYPER, Technol. 1, 288.
Snijvlak. — 1°. Snijdend vlak, vlak van een snijdend deel.
Bij het boren in smeedijzer of staal moet het gat met olie of een of ander zeepsopmengsel worden natgehouden, als smeermiddel voor de snijvlakken en om de wrijvingswarmte op te heffen,   V.D. KLOES, Smid 270 [1908].
2°. Vlak waarlangs een lichaam wordt gesneden of doorgesneden.
Door het maalgoed te brengen in een snijvlak der twee trechters, waar de wervelstroomen elkaar ontmoeten,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 2¹, 46.
Snijwals.
Snij-ijzer, dat door middel van snijwalsen uit platte staven wordt gesneden,   V.D. KLOES, Bouwm. 5, 115 [1925].
Snijwater, zie de aanhaling.
Snywater. Een schee, die over de voorsteven getimmert wordt, wanneer het schip voor te breedt van boegh is, en de steven te klein, om het water na den eisch te snijden,   WITSEN, Scheepsb. 508 b [1671].
Snijwerk. — 1°. Gesneden versieringen, gesneden kunstwerken.
Dit acht is in alle zijne deelen zeer rijckelijck uitgewerkt, alom bezet met snijwerck, vergult, en zeer kostelijck geverft,   WITSEN, Scheepsb. 176 b [1671].
De Predikstoel, die met konstig snywerk, verbeeldende de voornaamste Evangelische geschiedenissen, versierd is, staat in het voorste of ronde gebouw,   WAGEN., Amst. 2, 186 a.
De voornaamste plaats, die tot keuken dient …, prijkt in den regel met eene bruine eiken kast, zonder snijwerk,   SLEECKX 8, 225 [1863].
Boven den hoogen schoorsteenmantel was in donkergrijs snijwerk een kleine langwerpige spiegel gevat,   BOHN-BEETS, Onze Buurt 6.
2°. Gesneden voegwerk.
Het (is) bij het maken van gesneden voegen, of zoogenaamd snijwerk, noodig, om bij het metselen de voegen aan de schoone of dagzijde niet vol te werken, opdat enz.,   PIJTAK 620 [1848].
Voor Knipwerk worden de lintvoegen … met den voegspijker volgezet; … langs een rij stevig ingestreken en daarna de kanten met den voegspijker afgesneden; de stootvoegen worden … uit de hand afgesneden. Snijwerk geschiedt op dezelfde wijze, doch met fijnere specie, terwijl het afsnijden met een … mesje geschiedt,   ZWIERS 2, 539 a [1920].
Snijwerktuig.
Het snijden der schroef is in zoo ver het omgekeerde van 't gewone draaien, als daarbij het voorwerp vast staat en het snijwerktuig er zich om heen beweegt,   GROTHE, Mechan. Technol. 88 [1879].
Snijwind, in de aanhaling in toepassing op bepaalde scherpe winden.
By de Landlieden aan den Duinkant heeft wel inzonderheid eene algemeene behandeling plaats, welke zeer dienstig is, om hunne Weiden, hunne Koorn- Garst- en Teellanden, voor de Zee- en zoogenaamde Snywinden te behoeden,   BERKHEY, N.H. 3, 898 [1773].
Snijwond, door snijden veroorzaakte wond.
Snijzomp, snijbak, snijbank (opgegeven voor Deventer uit de 18de eeuw).

Aanvulling bij SNIJDEN

Samenst. Snijapparaat.
Snijapparaat, toestel om te snijden, b.v. een papiersnijtoestel,   V. DALE [1976].
Snijapparaten. Papiersnijmachine, Snijapparaat met hefboomaanpersing en vooraanleg,   Prijscour., Ahrend 33, 46 [1956-'57].
Een ontworpen snijapparaat voor plakband,   Buskruid Juni 1960, 3 b.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1932.