Koppelingen:
Vorig artikel: SNUIT I Volgend artikel: SNUITDOEK

SNUITII

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: snuit

znw. onz. Van Snuiten (I). Daarnaast in W.-Vlaand. snuite, vr.
—  Bij de bewerking met mes, kam of hekel verkregen afval van vlas, die nog geschikt is om als mindere kwaliteit verwerkt te worden.
Grof vlas … Ofte hiede, werck, spijt, snuyte: Dit is het gene dat uijt het vlas gehekelt wort, het welck seer snellick van het vyer verteert wort,   Statenb., Jes. 1, kantt. 101 [ed. 1688].
Snuit beteekend ook …, het slegtste van het vlas: waar van het seggen: dat gaarn is maar van snuit gesponnen,   V. WINSCHOOTEN, Seeman 269 [1681].
Heet gij dat vlas? 't is snuit, Moet uit zoo korten bocht ik hemdengaren spinnen?   STORM V. 'S GRAV., Luim. Poëzy 64.
Bij de vlasbewerking, zooals die boven is beschreven, worden nog enkele bijproducten verkregen, n.l. a. de lokken, of vlokken …; b. de scheeven …; c. de milt of snuit, d.i. een afvalproduct, dat bij het opmaken met het mes of de kam of de hekel wordt verkregen. Het wordt in balen gepakt en door de vlasboeren aan opkoopers verkocht, die het verder verwerken,   Versl. Landb. 1913, 3, 152.
De minister van landbouw, nijverheid en handel heeft vastgesteld de volgende maximum prijzen voor vlas en vlasafvallen: geel of blauw vlas f 2.50 …, snuit 1ste soort f 1.55, snuit 2de soort f 1.25, snuit 3de soort f 1, gezwingelde lokken, Groningsch f 0.85, gezwingelde lokken, Hollandsch f 0.80, Friesche heede, landheede, 1ste qualiteit f 0.60,   Ned. Staatscour. v. 7 Sept. 1918.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1932.