Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: SPAR Volgend artikel: SPARGE
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

SPAREN

Woordsoort: ww.(intr.,zw.,trans.)

Modern lemma: sparen

bedr., zelden onz. zw. ww. Mnl. sparen, mnd. sparen, ohd. sparên, sparôn, mhd. sparn, hd. sparen, os. sparon, ofri. sparia, ags. sparian, eng. to spare, on. spara. Van ohd. spar, ags. spœr, karig, on. sparr, spaarzaam, gespaard wordend; voor verdere verwanten, zie FRANCK-V. WIJK.
+A.  Bedr.
B.  Onz.Sparen van, zich onthouden van; geen melding maken van. Niet meer in gebruik.
Wie in Duytschland gheweest hebben int regiment Hoordy de nieu curte cronijcke verclaren … Maer van die Coninghen van Belgys zietmen daer sparen,   V. VAERNEWIJCK, Vl. Audtvr. 67 [1562].
Afl. Besparen, ontsparen, spaarlijk, spaarzaam, sparig, versparen (zie die woorden)
sparing, ongewoon, 1°. de handeling van sparen, besparing (”Tot sparing der onkosten”, DOEDYNS, Merc. 1, 486 [1698]), 2°. het bespaarde of uitgespaarde (”Vervolgens worden die loodsen op zijde en aan de gevels met greenen 3 dms. gerabatte deelen met de sparingen voor de lichtramen, digt gemaakt”, KROOK, Molenb. 164 [1851]).
Samenst. afl. en samenst. — 1) Als tweede lid in Opsparen, oversparen en uitsparen (zie die woorden)
goedspaars, eenmaal aangetroffen, spaarzaam (”'t Is een smeerich Ambacht, waren sy wat goet spaars, Sy mochtender hondert pont groot op verteeren 's Jaars”, BREDERO 2, 197 [1617]).
2) Als eerste lid in Spaarbank, Spaarpenning, Spaarpot (zie die woorden)
Spaarbek, iemand die ”het uit zijn mond spaart”. Verouderd.
Spaer-beck. Perparcus,   KIL.
Spaarbekken, spaarzaam zijn met eten, zich onthouden van eten, vasten.
Spaerbecken. Parce nimis viuere, defraudare genium,   KIL.
— De eene mensch is tot spaer-becken zoo ghezet, dat hy, van den dauw, ghelijck een hey-krekel, schijnt te leven,   DE BRUNE, Bank. 2, 308 [1658].
Soo dat den vanck een ander te passe komt, ende moeten selver spaer-becken,   POIRTERS, Mask. 103 [ed. 1688].
Spaarboekje, boekje waarin gespaarde gelden worden opgeteekend.
Elke onderofficier of soldaat, die gelden ter besparing geeft, bekomt een spaarboekje,   Stbl. v. N.-I. 1859, n°. 36, blz. 1.
Weken, dat hij alle verdienste voor zichzelf scheen te gebruiken en angstvallig zijn spaarboekje in den binnenzak van zijn jas hield,   SCHART.-ANT., Sprotje 3, 93 [1910].
Spaarboog, boog in een fundeeringsmuur die metselwerk uitspaart; aardboog (ZWIERS 1, 9 a [1917]; V. KEIRSBILCK, Mets. 5).
Spaarbordje, klein raapbord, waarmede bij het pleisteren afvallende specie wordt opgevangen.
Bij het voegen van muren gebruikt de metselaar gewoonlijk zijn troffel als spaarbordje,   ZWIERS 2, 375 b [1920].
Spaarbrander, gasbrander met gering verbruik.
Spaarbusje, busje voor gespaard geld.
Het in leen verstrekken van spaarbusjes, welke op geregelden tijd werden opgehaald,   Encyclop. v. N.-I. ² 4, 46 a.
Spaarcent.
K., die juist van de rijkste niet was, had zijne zuur gewonnen spaarcentjes éen voor éen zien verdwijnen,   DE MONT en DE COCK, Vl. Wonderspr. 279.
Spaardoos, doos voor gespaard geld.
Die … by gelegenheid mededeelzaam is aan den armen, by nood helder in den spaardoos tast, om te hulp te koomen,   Ned. Spect. 7, 69.
De moeder kreeg Sprotjes spaardoos uit de ladekast; bij de drieëntwintig centen, die ze al had, kwamen de twee kwartjes en het dubbeltje van haar eerste weekloon,   SCHART.-ANT., Sprotje 2, 55 [1909].
Spaarduitje.
Slechts enkelen zijn in de gelegenheid of leggen er zich op toe, om eenig geld over te leggen als een spaarduitje voor den ouden dag,   Onderz. Landb. 1886, 18, 52 [1890].
De hoedendoos stond tusschen meerdere hoedendoozen op de bedsteeplank. Inbrekers zouden natuurlijk daar de spaarduitjes niet zoeken,   FALKLAND 1, 35 [1896].
Ze leven sober en als ze naar huis gaan, brengen ze een aardig spaarduitje mede,   Versl. Landb. 1910, 1, 87.
Spaargeld.
Al het spaargeld, door des vader vlijt vergaard, Werd uitgeput,   V. BEERS, Rijz. Bl. 99 [1883].
De kinderen onzer dagen lezen … van engeltjes met jurkjes en broekjes, die hun spaargeld aan een arm mensch geven enz.,   BEETS, C.O. 274 [1837].
Het is mijn spaargeld, zeide zij treurig, met hare magere en hare poezele hand … de bankbriefjes overbladerend,   LOVELING, Sophie 72 [1885].
Iets dat zij … van haar laatste spaargeld dan kocht,   SCHART.-ANT., Sprotje 3, 102 [1910].
Spaarhaard, zuinig brandende haard.
Spaarkaars, lange, dunne kaars, die zuinig brandt. In Z.-Ndl. (Loquela (Wdb.) [1907]).
Spaarkaart, kaart voor het opplakken van spaarzegels.
Spaarkachel, zuinig brandende kachel.
Spaarkalk, in Z.-Ndl.: zeker mengsel van leem en kalkmortel (V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. [1897]).
Spaarkant, iemand die zelfs de broodkorsten spaart. In zuidelijke dialecten.
Spaerkant. Perparcus, sordidus,   KIL.
— Lieve spaerkant: ziet, of uw meel-tonne des te beter varen zal,   DE BRUNE, Bank. 2, 189 [1658]
 (zie ook DE BO 919 b [1873]) .
Spaarkas. — 1°. Onderneming die spaargelden in kleine bedragen regelmatig int en daarvoor vaste uitkeeringen op bepaalde tijdstippen in het vooruitzicht stelt.
De … te Bandoeng in 1915 opgerichte N. V. De Eerste NederlandschIndische spaarkas,   Encyclop. v. N.-I². 4, 46 a.
2°. Kas voor spaargelden, die ten behoeve van de leden eener vereeniging, de personen in een bepaald dienstverband enz. wordt gehouden.
Spaarkassen. Reglement op de bespaarde gelden van militairen,   Stbl. v. N.-I. 1859, n°. 36  (Opschrift).
Spaarkom, kom bij een schutsluis, die het gespuide water opvangt.
Het … kanaal van Boesingen, alwaar men door middel van spaarkommen (bassins d'épargne) het waterverlies, niettegenstaande de schuthoogte 6,50 el bedraagt, heeft verminderd, tot dat der gewone sluizen van 2 tot 2, 10 el verval,   STORM BUYSING, Waterb. 2, 154.
Spaarkunst. Eenmaal aangetroffen.
Mijn raet, mijn trou behulp, mijn spaerkunst boven dat Heeft ons in huys gebracht al vry een grooten schat,   CATS 2, 236 b [1635].
Spaarlamp, zuinig brandende lamp.
Willem boog het hoofd en hield de hand voor de oogen, want de spaarlamp scheen nu zeer strak op zijn gelaat,   TEN BRINK, Rom. 4, 39.
Spaarleger, reserveleger. In Z.-Ndl.
Al onze krijgskundigen zijn van gevoelen, dat wij naast een leger van 100,000 man in het veld, nog een spaarleger van minstens 30,000 man in en rond Antwerpen van noode hebben,   J. V. RIJSWIJCK Jr. 2, 11.
Spaarmond, hetzelfde als Spaarbek.
Spaermond koopt smeer-mond zijn huys en Land af,   DE BRUNE, Bank. 1, 32 [1657].
Spaarwaterskan, aarden kruik van 1 L. inhoud, bierkruik. In de Zaanstreek (BOEKENOOGEN 1359). Waarschijnlijk is spaarwater een grappige naam voor bier geweest, ”dat water uitspaart”; verg. Spaarzijde.
Spaarwulf, spaarboog, aardboog.
Moet een lange muur diep gefundeerd worden, dan kan het voordeelig zijn, in plaats daarvan steenen pijlers in den bodem te plaatsen …, waarop spaarwelven steunen en waarover … de muur wordt opgetrokken,   ZWIERS 2, 375 b [1920].
Spaarzegel, zegel dat tot bewijs strekt voor gestort spaargeld.
Men kan voor bepaalde bedragen bij deze instellingen (bij de spaarzegelkassen) zegels (spaarzegels) koopen, welke voor iederen persoon in een boekje worden geplakt. Voor het bedrag, dat men op deze wijze bijeen heeft ”gespaard”, kan men dan in bepaald aangegeven winkelzaken, die met de spaarzegel kas een overeenkomst hebben gesloten, alle goederen, welke deze winkels in voorraad hebben, koopen,   Hand. d. St.-Gener. 1930—'31, Tw. K., Bijl. 41, blz. 6 b.
Hierbij weder de samenst. Spaarzegelkas (zie boven).
Spaarzijde, zwart naaigaren (dat de vroeger gebruikte zijde vervangt). In Limb. (Onze Volkst. 2, 228 a).
Spaarzucht, te groote spaarzaamheid.
Draegt vorder goede sorg de spaer-sugt uyt te bannen, Een plage voor het huys, een grouwel voor de mannen,   CATS 1, 414 a [1625].
Onbezonne spaarzugt,   V. EFFEN, Spect. 10, 150 [1734].
Aangezien mijnheer van Vlierbeke in de omstreken gekend was voor een rijken vrek, van voorbeeldelooze gierigheid en spaarzucht,   CONSC. 1, 13 a [ed. 1867].

Aanvulling bij SPAREN

Samenst. Spaarbrief. 1°. (Geldw.) Bewijs van deelname in een spaarkas.
  V. DALE [1950].
Spaarbrief, bewijs van geregelde stortingen ter verkrijging van een vooruit bepaald bedrag of recht; bewijs van deelneming in een spaarkas,   V. DALE [1976].
2°. (Geldw.) Soort obligatie waarbij kapitaal en gecumuleerde rente op den eindvervaldag uitgekeerd worden; spaar- of kasbiljet; rentespaarbrief.
De V.V.D. … vindt de plannen van de regering om spaarbrieven uit te geven onverantwoordelijk en zal daaraan nimmer haar stem geven,   N. Rott. Cour. 12 Maart 1966.
Spaarfonds, (geldw.) fonds dat bestaat uit spaargelden.
  V. DALE [1976].
— In de circulaire is reeds gedacht aan de te verwachten verijdeling van het met het spaarfonds beoogde doel door den verkwistenden aard der meeste Inlanders,   SNOUCK HURGRONJE, Ambt. Adv. 1047 [1902].
Aan de voorwaarden, bedoeld bij het tweede lid, 2°, van artikel 1637 s van het Burgerlijk Wetboek, wordt voldaan door een spaarfonds, opzettelijk opgericht als bij genoemd wetsartikel is aangegeven, welks reglement bepalingen bevat voldoende aan de voorschriften der navolgende artikelen,   Besl. v. 31 Maart 1908 (Stbl. 95), a. 1.
Spaarnis.
Spaarnis, ter besparing van muurwerk aangebrachte nis,   V. DALE [1976].
Het oudste, westelijke transept is breed en hoog, met spaarnissen in de hooge muuren,   Oudh. Jaarb. 1924, 190.
Uit de aanzetten van spaarnissen in den benedenwand van den noorderdwarsarm en op het restant van den vroegeren noordmuur der koortravee blijkt, dat in de oude kruiskerk de binnenbehandeling onder de vensterzône ongeveer in overeenstemming zal zijn geweest met de uitwendige,   Ned. Mon. 6, 1, 9 [1940].
Spaarpremie.
1°. Premie die betaald wordt aan werknemers die spaarzaam omgaan met werktuigen, hulpmiddelen en energie.
Spaarpremie, premie aan arbeiders voor zorgvuldige behandeling v. werktuigen en hulpmiddelen,   V. DALE [1976].
— Eene spaarpremie ontvangt de machinist, die weinig kolen gebruikt, de bestuurder, die met de electriciteit spaarzaam handelt; waakzaamheid-nauwkeurigheidspremies worden voor nauwlettend toezien uitgekeerd,   DIEPENHORST, Leerb. Econ. 2, 515 [1935].
2°. (Geldw.) Deel van de jaarlijks verschuldigde levensverzekeringspremie dat dient voor den groei van het kapitaal.
We hebben hier (t.w. bij een levensverzekering) dus met 2 bestanddelen der premie te maken, de risicopremie en de spaarpremie,   Syllabus R.V.U. 3 Febr. 1955, 3 b.
Spaarrekening, (geldw.) rekening waarop men spaargeld uitzet tegen een hoogere rente dan die welke voor een betaalrekening geldt.
Spaarrekening, rekening bij een bank waarop spaargelden staan,   V. DALE [1976].
— Open daarom nù een spaarrekening bij de N.H.M.,   uit een advert. [1961].
Spaarrente.
Spaarrente, rente op spaargelden,   V. DALE [1976].
— De spaarrente is steeds lager dan de voorschotrente,   Vivat's Encyclop., Suppl. 121 b [1908].
Spaarrente verhoogd tot 3½ %,   uit een advert. [1964].
Spaarsaldo.
  Aant. v. A. V. DAM [c. 1960].
Spaarsaldo, saldo van een spaarrekening; tegoed op een spaarbankboekje,   V. DALE [1976].
Spaartegoed.
Spaartegoed, spaarsaldo,   V. DALE [1976].
Spaartegoeden in Februari gestegen,   Alg. Dagbl. 3 Maart 1953, 7 b.
Spaarvarken, spaarpot in den vorm van een varken.
  V. DALE [1950 ].
Spaarvarken,   Reclamebl. [1963].
Spaarveld, (bouwk.) in het muurwerk uitgespaard vlak.
Meestal … is in de plaats van het eigenlijke ”triforium” een met blindbogen versierd spaarveld gekomen, dat de Engelschen ”blind story” noemen,   Bull. Oudh. Bond 1907, 225.
Spaarvelden in nissen, venstereggen, kleine vakken, die in het muurwerk zijn uitgespaard, werden gepleisterd en gewit, en vormen een levendig schilderachtig contrast met het diepe rood van de overige vlakken,   Oudh. Jaarb. 1934, 57.
Een ander uitermate zeldzaam fragment vormt de top van een schoorsteen, versierd met spaarveldjes met driepasjes,   O.K.W. Med. 27, 292 a [1963].
Spaarzin.
  Aant. v. A. V. DAM [c. 1960].
Spaarzin, gezindheid tot sparen,   V. DALE [1976].
— Maatregelen om de spaarzin te bevorderen,   V. DALE [1976].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1933.