Koppelingen:
Vorig artikel: SPINNER Volgend artikel: SPINNEVOETEN

SPINNERIJ

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: spinnerij

znw. vr. Van Spinnen met -erij.
1.  De bezigheid of het bedrijf van spinnen.
De Supplianten …, de Spinderye van Inlandsche Tabak exerceerende,   Gr. Placaetb. 9, 981 a [1769].
Eyndelijk is zeer nodig tot verbetering van de spinderij, dat de spinders door een wet bij hunne pligten wierden bepaald,   in POSTHUMUS, Leidsche Textielnijverh. 6, 149 [1778].
2.  Gebouw waarin het spinnen beoefend wordt; onderneming die het bedrijf van spinnen uitoefent.
Het departement van den Oeconomischen Tak binnen Leyden … niet onkundig zijnde, hoeveel belang inzonderheid deze stad bij den bloei der spinderijen hebbe, doet enz.,   in POSTHUMUS, Leidsche Textielnijverh. 6, 53 [1779].
Wat verder is eene spinderij, waarin al wat behoeftig is, en werken kan, werk vind,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 5, 357 [1796].
In 1861 en 1867 waren de spinnerijen en weverijen als volgt over de verschillende gemeenten van Twente verbreid,   EVERWIJN, Handel en Nijverh. 286 [1912].
In verschillende spinnerijen bestaat de gewoonte het garen op 81/2% vochtigheid te brengen door het tijdelijk te bewaren in kelders met water,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mech. Technol. 2², 149.
3.  Bijeenkomst van meisjes, zooals die oorspronkelijk belegd werden om te spinnen; spinning. In Drente.
De zoogenoemde spinderijen zijn eigenlijk niets anders, dan meisjes visites en worden door de ongehuwden aangerigt. Beide (t.w. de spinmalen en de spinderijen) worden door de jongelingen … bezocht,   in Drenthsche Volksalm. 1839, 147.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1935.