Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: SPROOK Volgend artikel: SPROOT
Etymologie: EWN

SPROOKJE

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: sprookje

znw. onz. Verkleinw. van het ongebruikelijke sprook, sproke, mnl. sproke (dat waarschijnlijk de uitspraak spreuke weergeeft en waarvan de geschreven vorm de uitspraak met o heeft veroorzaakt), dus hetzelfde woord als SPREUK, maar met afwijkende ontwikkeling der bet. Enkele voorbeelden van sprook of sproke zijn tusschen die van sprookje opgenomen.
1.  In een ruimeren, thans ongebruikelijken zin: verhaaltje, vertelling, vertelsel.
Onse Symen-buur liep op de bier-banck by zijn droncke gesellen Dit hiele storijtje voor een nieuw sproockje vertellen,   BREDERO 1, 274 [1613].
Die het haagt die zy een weynig stil. Mijn Zangster wil een sprookje gaan vertellen, Noch nooyt gehoort,   LUYKEN, D. Lier 49.
(Zij) luisterden … naar de vertelling die zo veel gelachs veroorzaakt had: … het was eene dier ergerlijke sprookjens die men … in de Koningin de Navarre, of in La Fontaine verhaald vindt,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 3, 185 [1793].
+2.  In een engeren, thans den gewonen zin: vertelling waarin denkbeeldige, bovennatuurlijke wezens optreden, toovenarijen plaats vinden of dieren of dingen sprekende worden ingevoerd.
Sprookje van Reyntje de Vos,   VONDEL 2, 627 [1627].
Ik zel jou et sprookje van Erritje, Boontje, Strootje en Kooltje vier zeggen,   J. VOS, Ged. 2, 221.
Wij zaten laatst bij Saartje, Onze oude goede baker, Die sprookjes kan vertellen,   V. ALPHEN 1, 389 [1778].
Geen sprookjes zijn 't, die ik verhalen zal,   STARING 2, 34 [1827].
Van Alphen … vertelt geen vriendelijke sprookjes. Hij heeft geen schalke liedjes,   DE GÉNESTET 2, 325 [1857].
Dat hij … ons iets gewaeg', Van allerhande fraaie sproken, En ons vertell' van heksen, spoken enz.,   NOLET DE BR., Dichtl. 114.
Je speelde altijd met ons sprookjes tusschen die groote blâren, van eene prinses en feeën en ridders,   COUPERUS, Kl. Z. 1, 99 [1901].
De verhalen zelf (uit de Pentamerone) zijn met zeer weinig uitzonderingen geen novellen maar echte sprookjes, Asschepoes, De schoone slaapster, Tafeltje-dek-je enz.   …, meer dan twee derde wijkt van onze lezingen niet al te zeer af, JOLLES in Gids 1922, 4, 237.
In de letterkunde dringt het Oostersche sprookje op zeer verschillende manieren,   1923, 1, 393.
+3.  Leugenachtig verhaal; verdichtsel. Dit gebruik wordt thans als een euphemisme gevoeld.
Zulke brieven aen strandt gevischt? men moght het, nu 't geen sprookjen is, voor een' gemaekte mouw houden,   HOOFT, Br. 3, 57 [1635].
Paeyt men het bedeest gepeupel Met sprookjes, en met ydelheyd: Op dat het niet in deughd verslimme: Als 't waent dat des verstorvens schimme Noch leeft, als 't lijf begraven leyd?   VONDEL 2, 255 [1625].
Met welk sprookje zij hem te vrede heeft gesteld, is mij onbewust,   V. LENNEP, Rom. 12, 281 [1838].
Hij is mij komen vertellen, dat … gij arm zijt! Gij hebt toch wel eene betere gedachte van mijn verstand … dan te meenen, dat ik zulk sprookje gelooven zal?   CONSC. 1, 20 b [ed. 1867].
Afl. Sprookjesachtig (”Mengsels waarin wij tusschen novellenstoffen sprookjesmotieven, sprookjesstemmingen of sprookjesachtige bestanddeelen vinden”, JOLLES in Gids 1923, 2, 225).
Samenst. — Als eerste lid in Sprookjesboek (Don Sylvio) ”vindt … op een goeden dag in de bibliotheek sprookjesboeken, die zijn vader vroeger gelezen had”, JOLLES in Gids 1923, 2, 214)
Sprookjeslitteratuur (”In de sprookjeslitteratuur over de geheele wereld (keeren) dezelfde motieven telkens terug”, OBBINK, Godsdienstwetensch. 209)
Sprookjesmotief (zie een plaats bij sprookjesachtig)
Sprookjesprinses (”Don Sylvio gaat met zijn Sancho … de wereld in om een sprookjesprinses te zoeken”, JOLLES in Gids 1923, 2, 215)
Sprookjesschrijver
Sprookjesstof (”Daar hij (Boccacio) hiervoor stoffen noodig heeft, die tot de werkelijkheid in een zekere verhouding staan, schakelt hij de sprookjesstoffen uit, of werkt ze zoo om, dat zij het karakter van novellen krijgen”, JOLLES in Gids 1922, 4, 230)
Sprookjesverteller (”Mevrouw Wildschut naast den sprookjesverteller”, WOLFF en DEKEN, Wildsch. 3, 185 [1793]; ”Tenzij hij door sprekende dieren ten tooneel te voeren en prinsessen in betooverde paleizen te laten wonen, zich ondubbelzinnig voor fabeldichter en sprookjesverteller uitgeve”, GORTER, Lett. Stud. 1, 205 [1868]; ”Speelde, toen zulke opvoeringen aan de orde van den dag waren, de sprookjesverteller niet ook een rol? Voor vyfendertig jaren … heb ik 's avonds in Santa Lucia nog een verteller gezien: hij zat plat op de steenen van de kaai met een kring van toehoorders om zich heen”, JOLLES in Gids 1922, 4, 243).
— Als tweede lid in Bakersprookje, dierensprookje, kindersprookje, straatsprookje, tooversprookje, wondersprookje (zie die woorden of het eerste lid).

Aanvulling bij SPROOKJE

Samenst. Sprookjessfeer.
  V. DALE [1976].
— Het is duidelijk dat alleen een zo innige en tegelijk dichterlijke natuurliefde als Van der Leeuw bezat in staat is een tere sprookjessfeer en de scherpste werkelijkheidsobservatie zo harmonisch te doen samengaan,   HULSKER, Aart v.d. Leeuw 180 [1946].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1936.