Koppelingen:
Vorig artikel: SPRUCHTEL Volgend artikel: SPRUITEN
Etymologie: EWN, EWN, EWA
Gewestelijke variatie: TNZN
GTB Woordenboeken: MNW

SPRUIT

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: spruit

znw. vr. Mnl. sprute, mnd. sprute, eng. sprout. Van Spruiten.
1.  De werking van spruiten. Zeer ongewoon.
Wilt dees schoon Lelie doch met paeise laten Tot int wtkommen, alst al neemt synen spruyt,   DE CASTELEIN, Bal. 2.
2.  Jonge uitlooper of zich ontwikkelende kiem of knop van een gewas.
Jonge spruytkens oft bottekens van den Swarten Populier,   DODON. 1402 b [ed. 1608].
De wortel … waer uyt dat de jonghe spruyten schieten, die nut zijn om in d'aerde te steecken, als sy af ghesneden zijn,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 5, 69 c [1602].
Gelijck aen een en het selve kruyt de Bye na de bloeme tracht, de Geyte na de spruyte, het Verken na de wortels enz.,   CATS 1, 45 b [1618].
Drooch hout ontsteken, brandt feller als groene spruiten,   HOOFT, Ged. 2, 152 [1605].
De Kinderen zyn gelijck jonge spruytjens, die men soo buyghen kan, alsmen wil,   SPRANKHUISEN 1, 100 b [1634].
Terwyl de sneeuw versmelt tot kabbelende beeken, En de eerste spruitjes 't hoofd door aard- en kleikorst steeken,   V. WINTER, Jaarg. 2.
Spruitjes van Suikery-wortel … Deeze worden ook tot salade gebruikt,   Holl. Keukenm. 109.
Omdat … bij de monopodiale (vertakking) de hoofdas aan haar top blijft doorgroeien en de nieuwe spruiten onder dien top te voorschijn komen,   OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 41.
Bij heesterachtige planten komt het vermogen, zich door losgeraakte spruiten over groote oppervlakten te verspreiden, slechts zelden voor,   77.
Hoe goed die bewaring ook tegen de vorst beschermt, zij heeft in den regel het nadeel, dat bij het ontblooten in het voorjaar de knollen zeer sterke spruiten hebben ontwikkeld,   Versl. Landb. 1910, 3, 47.
De tarwearen waren op een aantal velden ruig van de spruiten der kiemende korrels,   1910, 4, XI.
3.  Jonge, roosvormige loot aan den stengel van bepaalde koolsoorten, die in hoeveelheden de groente spruitjes of Brusselsche spruitjes oplevert.
De … Aspergie-kool is mede een zoort van Krulkool, daar van verschillende, dat hij geslootene spruitjes maakt, welke gekookt … nagenoeg de smaak en zagtigheid van Aspergies hebben,   CHOMEL 1573 [1770].
Als men de hoofden van de Savoijkool, enz. heeft afgesneeden, laat men de stronken staan, zo zullen ze doorgaans weder kleine uitspruitzels voortbrengen, die men gewoonlijk spruiten noemt, en in de nawinter … een aangenaam eeten, in soupen of groen moes zijn,   1575 a.
Spruitjes of krul-kool, hoe men die stooven zal,   Holl. Keukenm., Aanh. 92.
Aardappelen met spruitjes en ossevleesch,   V. LOOY, Jaapje 90 [1917].
Maak de spruitjes schoon door de verdorde blaadjes en een klein stukje van het stronkje af te snijden … Laat ze in ruim kokend water … gaar koken,   WANNÉE, Kookb. 173.
4.  Zelden in toepassing op een dierlijke kiem of vrucht.
De Kinderen zyn spruyten en afsetsels van ons Lichaem,   SPRANKHUISEN 1, 100 b [1634].
Het oorspronglyke Dierlyke Spruitje bestaat in de bevrugting. Door dit Spruitje (Germen,) heeft men te verstaan zoodanig eene zelfstandigheid, waarin alle de werktuiglyke deelen van een dierlyk weezen oneindig fyn liggen opgeslooten,   BERKHEY, N.H. 3, 89 [1772].
+5.  Kind of afstammeling, in zijn verhouding tot zijn ouders of voorgeslacht.
6.  Jong persoon, inzonderheid: jong meisje. In deze toepassing nauwelijks meer in gebruik.
Myn mutskin die scoone sprute En mach oock thooft nauwe steken hute. So nauwe esse onder vader en moeders bedwanc,   EVERAERT 267 [1530].
Hoorende Doof, bey scoone sprute, Slachtge den cochuut, ligghe te mute? Steket thooft hute, wel lieve sloorkin,   511.
De selve Koopman somwijlen overkomende, om met den selven haren broeder sijn dingen te effenen, hadde de oogen sijner ydelheyt laten vallen op dese jonge spruyte,   CATS 2, 63 b [1635].
7.  Tak van een rivier of ander water en vervolgens ook (nog in Z.-Afrika): kleine rivier, waterloop.
Alzoo de gronden overal van droogte op het land van den anderen geweken zijn, en veel spruitjens van rivierkens heel droog bevinden,   V. RIEBEECK, Dagverh. 1, 9 [1652].
In de Tafelbaai omtrent de laagte komende, vonden weder de schoonste kleigronden van de wereld, welke van verscheide spruiten in den regentijd bevochtigd worden,   1, 22.
Nae een weynich vertoevingh, hebben weder opgepackt, quamen aan neffens een spruyt der gemelte Oliphantsrivier,   3, 725.
De Rivieren, Spruyten, en binnen-lantse Water-stroomen,   SCHOUTEN, Voyagie 1, 146 [1676].
Wy … roeyden by nacht de Wolga-Stroom af, en een verkeerde Spruyt in,   STRUYS, Reysen 210 [1676].
Bij gebrek van regen …, trecken sij 't water uyt een cleen spruytken, dat door de velden heen loopt,   SPEELMAN, Journ. 128.
3 eilanden … even beneden welke …, zich een swaare spruit in de hoofdrivier ontlast,   VALENTIJN, O.-I. IV, 2, 236 b [1726].
Allen eigenaars van landeryen, waar door of langs rivieren, spruiten of gemeene waterleidingen loopen, voor het vervolg te interdiceeren … het verleggen of verplaatzen van de thans gevonden wordende afleidingen uit dezelve … buiten speciaale … permissie van enz.,   N.-I. Plakaatb. 13, 249 [1801].
Een ossewagen, voortkruipende over de meest kunstelooze paden, telkens dagen of weken gestremd door een gezwollen rivier of spruit,   N. Rott. Cour. v. 4 Juni 1874, 1ste Bl. (uit Bloemfontein).
8.  Tak van een bloedvat of van een ander weefsel in het dierlijk lichaam.
Soo verdeelt sy (de poortader) haer in twee groote tacken, gaende na de Milt, ende het Darm-scheyl, die elck wederom kleyne spruyten uytgeven,   V. BEVERW., Heelk. 44 b [1645].
Spruytjens uyt de Lever-ader,   47 b.
9.  Zijtak of tak van een buis of pijpleiding; rioolleiding van niet te groote wijdte.
Tot afleidinge van het overtollige water dienen verscheiden Spruiten,   WAGEN., Amst. 4, 462 a.
Op deze takken spruiten, met … kranen,   Uit een bestek [1882].
Van bovengenoemde reservoir te maken eene tak naar de badkamers, en daar voorzien van spruit in ieder bad uitkomende,   Ald.
De geheele pijpleiding zal worden gemaakt van compositiebuizen, zwaar 6 K.Gr. per Meter, behalve de als spruiten genoemde deelen, welke 3 K.Gr. moeten zijn,   Ald.
Men teekent dus eerst de hoofdpijp in dwarsdoorsnede en de spruiten aan den omtrek daarvan aansluitende,   V.D. KLOES, Smid 121 [1908].
+10.  Touw dat als aftakking van een ander te beschouwen is.
Dat het eene einde van de spruit is gehaakt in den verkeerden ringbout (bij het te water laten van een vlet), dagbladbericht, Mei 1925.   poëem WNT
11.  Stijl die in een balk rust, inzonderheid: been van een kapspant.
Die spruyten van de kap sullen dick wesen vijff duym vierkant, aen yder syd negen spruyten, lanck na den eysch,   Hs. bestek watermolen (a°. 1634; arch. v. Assendelft).
Op den bindbalk (van een dakstoel) worden met pen en gat twee spruiten schuins tegen elkander inloopende, en bij de vereeniging op halfhout verbonden, gesteld,   PIJTAK [1848].
12.  Sport (van een stoel of ladder). Opgegeven voor Brabant (18de eeuw).
13.  Uitstekende balk onder de kap van een windmolen, waaraan de schoren van de staart worden bevestigd; roosterhout. Men onderscheidt de lange en de korte spruit.
Men leyt ook het WindPeuluw en de korte Spruyt met bedekte Swaaluwestaarten op de Voeghouten, en de lange Spruyt met Voorloeven op de Voeghouten gesonken,   Gr. Volk. Moolenb. 3 b.
De lange Spruyt, de korte Spruyt, of agter-balk,   5 a.
Het in den wind zetten of verkruijen van den molen geschiedt door het draaijen van de kap … De groote of lange spruit en de korte spruit of wolfsbalk zijn daartoe in en met de kap ten sterkste bevestigd, want door dezen wordt de beweging medegedeeld,   STORM BUYSING, Waterb. 2, 414.
+14.  In een rad of andere cirkelronde houtconstructie met kruisarmen: stuk dat een zwaard met den omtrek verbindt.
De Kruys-Balken (van de vloer van een onderkruier), half en half in malkander gekeept, en de Zwaarden daar in gezonken, met verlooren Lippen en Tanden ingewerkt, daar de Spruyten met Pen en Gaten in schieten, en met houte Nagels geslooten,   Gr. Volk. Moolenb. 2 a.
In deze (de zwaarden van de kroon eener grutterij) werkt men met doorschietende pennen, en op eene gelijke verdeeling, de twaalf spruiten,   KROOK, Molenb. 52 [1850].
15.  Spuit, brandspuit. Gewestelijk (HOUBEN; TEIRL., Z.O.-Vl.).
16.  Broes van een gieter. Gewestelijk (HOUBEN).
Samenst. — 1) Als tweede lid in Boelijnspruit, kapspruit, wortelspruit (zie op het eerste lid)
bladspruit, spruit, die zich aan een blad ontwikkelt (OUDEM. en DE VRIES, Leerb.² 2, 43)
boerenspruit, spruit van boerenkool (”6 struiken boerenspruiten 2 L. aardappelen enz. … Behandel de stamppot geheel als boerenkool”, WANNÉE, Kookb. 197)
okselspruit, spruit die zich in een bladoksel ontwikkelt (OUDEM. en DE VRIES, Leerb.² 2, 43); verder kunnen samenst. gevormd worden met zeer veel plantennamen.
2) Als eerste lid in
Spruitbalk, spruit (in de bet. 13).
't Wintpeulen en de lange Spruyt-balk, de Yzerbalk, de Penbalk, en korte Spruytbalk voor 't endt,   Gr. Volk. Moolenb. 1 b.
Spruitblok, blok waarover een spruit (in de bet. 10) loopt.
Moques de pattes de bouline. Spruit-blokken,   AUBIN, Dict. de Mar. [1702].
Spruitgroeve, kweekerij. Verouderd.
Spruyt-groeve. Seminarium,   KIL.  (zie ook PLANT. [1573]).
Spruithof, kweekerij; kweekplaats. Enkele malen aangetroffen.
Uit dezen Zimon, als uit een spruithof aller ketterijen, zijn door lange stoelbezittingen voortgekomen de wanscheppelijke Ofijten, de vuile Gnostiken, de godlooze Valentinianen,   OUDAAN, Agrippa 167  (zie ook 187).
Spruitkool, verscheidenheid van kool, waarvan de spruitjes gegeten worden.
Spruytkool, (F.), Cole-wort,   SEWEL.
— De Aspergie- of gekrulde Spruit-kool,   CHOMEL 1573 a [1770].
Bij Maastricht heeft de spruitkool … zoo goed als niets opgebracht, daar tengevolge der droogte zich bijna geene spruiten vormden,   Versl. Landb. 1909, 4, XXXVI.
Na vroege aardappelen wordt veelal spruitkool geteeld. Dit gewas is voor het Westland dan ook een belangrijk product,   1913, 6, 22.
Spruitkop, kop van spruitkool.
De vermoedelijke oorzaak (t.w. van een sterfgeval van een rund) moest gezocht worden in het voederen van in rotting verkeerende spruitkoppen,   Versl. Veearts. Staatstoezicht 1912, 70.
Spruitriool (zie Dl. XIII, 579).
Spruitstuk, stuk voor een buis- of pijpleiding, dat de mond van een zijleiding bevat.
Bij elke pijpleiding zijn verschillende hulpstukken noodig zooals bochtstukken, rechte en schuine spruitof vertakkingsstukken,   V.D. KLOES, Bouwm. 5, 152 [1925].
Spruitvreter, naam voor de rups van de mottensoort Incurvaria capitella.
Het onderzoek naar het voorkomen van den spruitvreter of knopworm der bessestruiken (Incurvaria capitella) werd … afgesloten,   Versl. Takken v. Dienst, Landb. 1915, 42.
Spruitwoord, afgeleid woord. Verouderd.
Grondt- woorden zijn, die van gheen andere Woorden af-ghe-trokken zijn … Spruitwoorden zijn, die van andere Woorden af-komstigh zijn,   KOK, Nederd. Letterk. 9.
Spruitzwam, gistzwam (OUDEM. en DE VR., Leerb. 2², 390).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1936.