Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: STAMVADER Volgend artikel: STAND II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

STAND

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: stand

znw. m. Mnl. stant; mnd. stant; mhd. stant, nhd. stand; ags. stond, eng. stand. Van mnl. Standen enz., een verwante vorm naast Staan (zie bij STAAN).
+I.  Met betrekking tot personen.
+II.  Met betrekking tot zaken.
Afl. Standachtig, Standaftig, Standhaftig, standhaft, standig (zie die woorden).
In de bet. I, A, 3). Standloos, zonder stand of rang.
Wat kon hij, stand- en haveloos kind des onheils uit medelijden opgebracht, de schitterende uiterlijke hoedanigheden des onbezonnen students tegen over stellen?   DELCROIX, Geld of L. 45.
Samenst., samenst. afl. en koppel. Als eerste lid in de volgende woorden, bij sommige waarvan men ook aan den stam van het oude Standen: staan, kan denken, voor het tegenwoordig taalgevoel behooren zij echter bij Stand, waarom zij dan ook hier bij elkaar (mede voor het gemak van den zoeker) zijn geplaatst. Standbeeld, Standhoek, Standhouden, Standolie, Standpenning, Standplaats, Standpunt, Standrecht, Standvast (Standvastig), Standvink (Standvlieg, Standvliet), Standvogel, Standwerker (zie die woorden).
Standbint, een verbastering van standvink (zie dat art.).
Moerbindten, zolderbalken, standbindten of standvinken, moerbint-stijlen, spanribben enz.,   BERKHEY, N.H. 9, 33 [1811].
Standblok. 1°. Als scheepsterm. Een groot vierkant blok ter zijde aan den voet van den mast, knecht, met behulp waarvan men de raas ophijscht. Verouderd.
Staandblok: sie, knegt,   V. WINSCHOOTEN, Seeman 283 [1681].
Sep de drisse, Bloc d'issasMarmot. Knegt, Standt-blok,   AUBIN, Dict. de Mar. 692 [1702].
2°. Bij spinsters, in W.-Vlaanderen. Een houten blok dat op den vloer rust en waarin een houten stijl recht staat om het spinrok te dragen (DE BO [1873]).
Standboom, moerbeiboom die een zekeren tijd heeft gestaan.
Groeven of kuilen, ter planting van de standboomen,   Handw. 15, 25 [1798].
Men (moet) geleegenheid hebben, om … een genoegzaame menigte Moerbeziënbladeren, te kunnen krijgen, het zij dan uit groote boomgaarden; of van heggen, die men aangelegd heeft; of van standboomen, die ten minsten een paar jaaren gestaan hebben,   Handw. 15, 54 [1798].
Standcatalogus (zie Dl. III, 1976).
Standfries, fri. stânfries: ”echte, degelijke Fries” (Fri. Wdb.), ”iemand die de aloude Friesche deugden en zeden hoog in eere houdt en dit toont door handel en wandel” (KUIPERS). Naar men wil, heeft het woord zijn oorsprong te danken aan het bekende feit dat de afgevaardigden van Friesland in 1555 den eed aan koning Filips niet knielende, maar slechts staande wilden afleggen (zie Fri. Wdb.; WINKLER, in Tijdsp. 1896, 1, 381; DE BEER en LAURILLARD [1899]).
Standgeld, hetzelfde als Staangeld (zie dat art.).
Standgeld, … staandgeld of stageld, geld voor eene plaats, op eene markt waar men staat, hallage, tonlieu, étalage,   V. MOOCK
 (zie ook WEIL.).
Standgeld, marktgeld (voor het staan met eene kraam enz.),   V. DALE.
— Koop en verkoop geschiedde in de dusgenaemde Hallen, in welke ieder zijne waren voorstelde, gerangschikt volgens den aert van elks negotie, en betalende uit dien hoofde standgelden aen de gemeentekas,   DAVID, Hist. 4, 428 [1853].
Standgericht, hetzelfde als Standrecht (zie dat art.).
Standgezicht, verticale projectie van eenig voorwerp.
Standgezicht.Elévation (vue en),   V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. 327 [1897].
Standhout, als scheepsterm in Antwerpen; zie de aanh.
Standhout. … Scheepsterm. Ieder der loodrechte balken in de zijden van het schip,   CORN.-VERVL. 2269.
Standkruidvlinder, zeker soort van nachtvlinder.
Standkruidvlinder; Ino statices,   OUDEMANS, Insecten 423 [1905].
Standleer, de leer van 't evenwicht (KUIPERS).
Standleiding, verticale buis- of draadleiding.
Standleiding, ook Stijgleiding. Buis- of draadleiding, die min of meer verticaal is aangebracht en waarbij de aanvoer dus van beneden naar boven, of wel de afvoer van boven naar beneden plaats heeft,   ZWIERS 2, 395 b [1920].
Standlijn, in de landmeetkunde; zie de aanh.
Stant-linie, Linea Stationis, word in het Land- of Veld-Meeten de Linie genoemd, uit welker beide enden men ofte eene Hoogte of Breedte afmeet, ofte ook eene Figuur in den Grond legt,   STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. 422 a [1740].
Standlijn, in de landmeetkunde: de lijn uit welker beide einden men eene hoogte of eene breedte meet, of ook eene figuur vormt,   C. DE JONG, Handwdb. 504 a [1869].
Standmuur, voor: loodrechte muur.
Dit schrikbaar Reuzenvolk … Had … aan 't steigren van 't gebergt' … De berggeit op de kruin des standmuurs nageklommen,   BILD. 2, 350 [1810].
Standontwikkeling, in de photographie.
Standontwikkeling, een methode van ontwikkelen van photographische platen, waarbij de platen niet liggend in vrij geconcentreerden ontwikkelaar in beweging worden gehouden, maar gedurende een veel langeren tijd staande met een zeer verdunden ontwikkelaar in aanraking worden gelaten,   Oosthoek's Encyclop. 10, 12 a.
Standpijp, verticale pijp of buis, tot verschillende doeleinden gebezigd.
Standpijp. Buis in verticale richting aangebracht, tot aanvoer van water uit een waterleiding naar een hooger gelegen verdieping …, of tot afvoer van privaatstoffen van een hooger gelegen verdieping naar beerkuil of grondleiding,   ZWIERS 2, 396 a [1920].
Standpijp. … (Spoorw.) Staande pijp, in den regel voorzien van een omgebogen uiteinde …, die dient om water door te laten voor de watervoorziening van locomotieven en voor het wasschen van locomotieven en rijtuigen,   ZWIERS 2, 396 a [1920].
— Aan de bovenzijde van dit mondstuk bevindt zich de klim- of standpijp …, waardoor het gas wordt afgevoerd,   KRECKE, Chem. Technol. 84 [1881].
Op geregelde afstanden in de kweekerijen treft men standpijpen aan, waarop slangen kunnen worden bevestigd, terwijl ook nog gebruik wordt gemaakt van gieters,   Versl. Landb. 1921, 5, 29.
Standregel, nagenoeg steeds in het mv. standregelen, Standregels, in Z.-Nederl. voor: statuten.
Door wijziging aan de standregels gebracht, moest de helft van het bestuur uittreden,   Het Volksbelang v. 23 Oct. 1909, blz. 3 b.
In de eerste vergadering werd alleen maar aangevangen met de redactie der standregelen,   N. Rott. Cour. v. 2 Sept. 1921, Ochtendbl. A  (van den correspondent te Brussel).
Standrok, het staande deel van een spinrokken. In W.-Vlaanderen.
Standrokke. Het staande deel van den rokke,   Loquela (Wdb.) [1907].
— Het onderste deel van den standrokke is de standblok,   Loquela (Wdb.) [1907].
Standstee, in Groningen voor: standplaats (van een dominee enz.) (TER LAAN).
Standstrook, als scheepsterm: opstaande strook of smalle plank; verg. Standhout. Verouderd.
8 Wolven om de Stantstrooken te wringen, kan men ook niet ontbeeren,   V. YK, Scheepsb. 28 [1697].
Standvede, in de volgende oude plaats voor: penis erectus. De vorm veken is de verkleinvorm van ve (zie PLANT. [1573]) naast vedeken als verkleinvorm van vede (zie KIL. en VERDAM): penis.
D. Dats een cruut om jonghe meyskins te ontgunnenne. Jnt labuer zouden pynen sulc lekens te zweetene. K. Sulc cruut pleicht tonsent stantvekens te heetene. Dats een goede waere, om wel te vercoopene,   EVERAERT 200 [1528].
Standvenster, staand dakvenster. In Z.-Nederl. Reeds mnl.
Standvenster. … Eene uitspringende dakvenster in loodrechten stand,   DE BO [1873].
— Er zijn platte of liggende dakvensters … en staande dakvensters of standvensters,   V. HOUCKE, Loodg. 182 [1901]
 (zie ook V. KEIRSBILCK, Mets. 59) .
Standverandering, verandering van stand.
Metingen van de rijzingen en dalingen van den waterspiegel in verband met de standverandering van de aardas,   V. DALE.
Standverf, verf met standolie aangemaakt; hetzelfde als standolieverf (zie bij STANDOLIE).
Vuurlak gaf bruine randjes in de witte ”standverf”,   V. LOOY, Jaap 248 [1923].
Standvizier, vizier in zijn hoogsten stand.
Het stellen van de vizierklep als standvizier,   Recrutenschool 1888, IV.
Standvlak, in de meetkunde; zie de aanh.
Een plat vlak, loodrecht op de ribbe, heet het Standvlak, en de hoek in dit vlak tusschen de zijden de Standhoek,   ZWIERS 1, 521 b [1917].
Standvorm, in de volgende plaats door BILD. gebezigd in den zin van: vorm waarin iets staat of zich bevindt.
De Heldraak spuwt en braakt zijn giftige ingewanden: Zijn pestwalm … scheurt en rijt met ijzren tanden 't Ontzenuwd Staatsgeraamte uit standvorm en gewricht (Staatsgezag),   BILD. 9, 365 [1827].
Standwacht, door HOOFT gebezigd voor: staande wacht, wachtpost, schildwacht.
Antonius (is) met schielyken aanloop, tot de standtwachten der vyanden, ingebrooken,   HOOFT, Tac. 393 [c. 1635].
Standwang, mv. Standwangen, in de artillerie: zijstukken der wangaffuiten (V. DALE).
Standwisseling, wisseling van stand of houding.
Standwisseling. … Uitgangshouding: zijwaarts gespreide stand. … Met 1/4 draai links, op de hielen, wisselen tot dwarsgespreiden stand enz.,   CUPÉRUS-DELAIVE, Turnvakt. 154.
Standzekerheid, voor: stabiliteit (ZWIERS 2, 396 a [1920]).
In de bet. II, A, 2): plaatselijke gelegenheid of ligging.
Standsgelegenheid, plaatselijke gelegenheid of ligging; hetzelfde als Stand in de bet. II, A, 2). Verouderd.
Standsgelegenheid.Situation, assiette de lieu,   HALMA.
In de bet. I, A, 2) of II, A, 3): toestand, gesteldheid, staat.
Stand(s)verwisseling, verwisseling van toestand.
Standsverwisseling, … verwisseling van stand, changement d'état,   V. MOOCK.
— Hij, die, verhoogd, den troon beklom, Bedreigt, verstrooit, verslaat alom, Die 't klimmend rijk verwoed bespringen. In storm en onweer groeit het aan; Ja, aarde en hemel moog' vergaan, Het tart die stand-verwisselingen,   V. ALPHEN 2, 178 [1801-1802].
Met betrekking tot het leven in de maatschappij.
Met uwe standsverwisseling is het gegaan zoo als ik dadelijk vermoedde toen gij mij in Maart ll. vertrouwelijke mededeeling deedt van uwe wenschen en … de Staten … zouden doen als u welgevallig was,   FALCK, Br. 372.
Ik (wil) U in vertrouwen mededeelen, dat ik weder op het punt ben, eene standverwisseling te ondergaan. Gelukkig en te vrede in het midden der mijnen … zie (ik) mij geroepen tot het Ministerie, dat door den afstand van den Heer Six open is,   ELOUT, in J. V. LENNEP, Lev. v. D. J. v. L. 2, 198 [1820].
Met betrekking tot het leven hiernamaals.
Zy (de Voorzienigheid) geve, dat wy nog eenigen tyd hier te samen mogen leven, om ons méér voortebereiden voor de grote standsverwisseling,   WOLFF en DEKEN, Burg. 721 [1782].
Wanneer, myne geliefde Vriendin, zullen wy hier … spreeken van onze waare bestemming …? spreeken over de zeer zekere standsverwisseling?   WOLFF en DEKEN, Leev. 2, 292 [1784].
Wel haast zal de gelukkige standsverwisseling beginnen: … nog een weinig benaauwdheid, en de machine zal zyn afgeloopen,   4, 166.
Voor lange poogde ik my voor te bereiden voor de groote, en in eenigen opzichte beslissende stands-verwisseling,   6, 30.
Zyt gy benaauwd? Niets het minste! Wel, dan heb ik niets te doen, dan u geluk te wenschen met de aanstaande standsverwisseling. Dat denk ik ook, Doktor,   8, 290.
Ik ben tot aan den oever des doods geweest. … ik verdeelde mijne aandacht geduurig tusschen u, en de aanstaande standverwisseling,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 5, 33 [1796].
Standwissel, verandering van toestand. Door HOOFT gebezigd.
Geduurende dit oover hoop leggen, waaren, op de lucht der ontsteltenis en 't blikkeren eenigher hoope van standtwissel, veele vluchtelingen aangekoomen, tot maghtighe steun der Nassausche partye,   HOOFT, N.H. 245 [1642].
In de bet. I, A, 3): rang in de maatschappij.
Standsbejag, het jagen naar verheffing van stand, naar een betere betrekking in hoogeren stand (V. DALE).
Standgemeen, van denzelfden stand in de maatschappij.
Wy zijn lot- noch standgemeen,   BILD. 1, 459 [1822].
Standsgemis, gemis van stand of rang in de maatschappij. In de volgende plaats door BILD. gebezigd.
Ook rijkdom tracht een nieuw genoegen By 't afgewisseld standsgemis, Aan 's levens weelde toe te voegen, In 't zweet van 't noestig akkerploegen Of 't spijzen aan een boerendisch (Zomerlust),   BILD. 8, 264 [1823].
Standgenoot, iemand die met anderen van denzelfden stand is.
Voortgekomen uit het volk, steeg hij (Olivier van Keulen), zonder genie, door zijne gaven en zijne bruikbaarheid in de kerkelijke hiërarchie tot op één na den hoogsten rang, en gaf in een merkwaardig tijdvak, rijk aan merkwaardige mannen, zijne standgenooten en ambtsbroeders het bemoedigend voorbeeld eener schitterende carrière,   BUSKEN HUET, Rembr. 1, 13 [1882].
Standmatig, volgens iemands stand.
Standmatig … overeenkomstig iemands stand, convenable à l'état, convenable à la condition, convenable à la qualité, selon son état,   V. MOOCK.
Standmatig leven, vivre selon son état,   Ald.
Standspersoon, Dl. XII, 1331 eigenlijk min juist vermeld, daar de volledige verbinding oudtijds luidde aanzienlijke-standspersoon, hooge-standspersoon, lage-standspersoon, persoon van aanzienlijken, hoogen, lagen stand; verg. hooge-standspersonage (Dl. XII, 1305).
Agripa, dat een Treurspel is, ende onder hooge Stantspersoonen speelt, … de Gelijcke Tweelingen, dat een kluchtig Blyspel is, en dies door heel lage Stantspersoonen verbeeld word,   MEYER, Spoock. W. 11.
Vijfde Vervolg der Brieven, geschreven aan verscheide Hoge Standspersonen en Geleerde Luijden, door A. van Leeuwenhoek, Titel. Wie had het oyt gelooft, dat hooge stants persoonen, Met kinderlyk bedryf sig besig souden toonen?   DROSTE, Overbl. 235.
Hooge en aanzienlyke Standspersonen handel ik niet anders dan Luiden van eene … laage geboorte,   Philanthrope 2, 262 [1758].
Aanzienlijke standspersonen,   YPEIJ en DERMOUT, Gesch. d. N. H. Kerk 1, 59.
Verg. nog in de volgende plaats allerlei-standsmenschen, menschen van allerlei stand.
Eene gemeene elende, over allerley stants menschen,   Statenb., Jer. 45, kantt. 8 [ed. 1688]  (bij: een quaet over allen vleesche).
Bij HUYGENS vindt men hooge-standstafel, lage-standstafel, waarin stand de meer concrete bet. I, A, 6) (zie beneden) heeft.
Ick heb van jongs af hooge ende leege Stands Tafelen bewandelt (t.w. ik heb bij allerlei slag van menschen gegeten),   HUYGENS 1, 211 [1638].
Stand(s)verheffing, verheffing in maatschappelijken rang.
Dat het een zot is, die zich laat verheffen tot eenen staat, waarvoor hij niet geschikt is; en geen mindere zot, door wiens gunst of invloed zulke ergerlijke en ongeregelde standsverheffingen plaats grijpen,   V.D. PALM, Sal. 6, 62 [1813].
Standverhooging, verhooging in stand, aanzien (KUIPERS).
Stand(s)verhouding, rangverhouding der lagere militairen.
Besluit van den 6den Augustus 1910 (Stbl. 247), houdende regeling betreffende de onderlinge rangs- en standsverhouding der officieren en der militairen beneden den rang van officier behoorende tot de Koninklijke Marine, het Leger hier te lande en het Leger in Nederlandsch-Indië. De Officieren en militairen beneden den rang van Officier behoorende tot de Koninklijke Marine, het Leger hier te lande en het Leger in Nederlandsch-Indië, worden ten opzichte van hunnen rang en stand en van hunne rangs- en standsverhouding gerangschikt in de onderstaande volgorde,   Besl. v. 6 Aug. 1910 (Stbl. 247), blz. 2.
Standverschil, verschil in stand.
Is hoog en neer eendrachtig, Dan glanst de wereld prachtig Bij alle stam- en standverschil,   DAUTZENBERG, Verspr. en Nag. Ged. 290.
In de meer concrete bet. I, A, 6).
Standorde, orde, rangorde der standen.
Waar 't recht of voorrang geldt, is 't minst geschil gewichtig … 't Is 't onze niet, maar 't recht der standorde in den Staat,   BILD. 7, 359 [1827].
Standenschool, school die door de kinderen van een bepaalden stand wordt bezocht.
Wanneer er zijn, die voor hun kinderen f 60 à f 70 per jaar aan schoolgeld moeten betalen en daarnaast kosteloozen, dan zijn de eersten er op uit aan de inrichting van hun scholen hooger eischen te stellen, die scholen beter te maken dan die voor de kosteloos schoolgaanden, en zoo krijgt men de standenscholen,   OSSENDORP, in Hand. d. St.-Gener. 1919—'20, Tw. K. 1790 a.
Wij (zijn) er voor, dat het onderwijs zal zijn kosteloos over de geheele linie en standenscholen niet mogen bestaan,   1790 b.
Standstucht, tucht waaraan een bepaalde stand moet gehoorzamen.
Het geldt hier standstucht,   Hand. d. St.-Gener. 1927—'28, Tw. K. 2074 b.
Standenverschil, verschil der standen.
Terwijl toch bij vele sportvereenigingen het standenverschil naar voren treedt en in een zelfde plaats onderscheiden clubs gevormd worden, omvatten onze kaatsclubs de leden van elken stand,   WESTRA, Kaatssp. 11.
Standenvertegenwoordiging, vertegenwoordiging der (politieke) standen, b.v. in de Provinciale Staten van 1815—1848 (BUYS, Grondw. 2, 13).
Standsvooroordeel, vooroordeel aan sommige standen eigen (V. DALE).
In de bet. I, B, 2) of II, B, 2): wezen, bestaan; ook: vastheid, onveranderlijkheid.
Standgewicht, hetzelfde als standaardgewicht.
Wanneer nieuwe standgewichten van d'Edele Compe naar de buyten comptoiren werden versonden, zullen deselve alvoorens door den eykmeester … g'examineert en g'eykt worden,   N.-I. Plakaatb. 9, 555 [1754].
Wanneer nieuwe stand gewichten van weegens het gouvernement herwaards worden gezonden, zullen dezelve direct bij aanbreng door den ijkmeester … geëxamineerd en geijkt werden,   16, 335 [1810].
Standkleur, kleur die standhoudt, bestendige, blijvende, duurzame kleur.
Er naast wordt een bovenraam opgeschoven; een muts vol strikken en kwikken, prijkende op een bejaard hoofd met een vlammig rood gezicht, wordt er uitgestoken. De bezitster van deze standkleur gaat ter halver lijve uit het raam liggen, om enz.,   BOHN-BEETS, Onze Buurt 211.
Standmonster, hetzelfde als standaardmonster.
De standmonsters tot het bepalen der klassen van de ruwe suikers en basterden en tot het onderscheiden der geraffineerde suikers … worden door Onzen Minister van Financien vastgesteld,   Wet v. 2 Juni 1865 (Stbl. 63), a. 35, § 1.
Voor de rietsuikers … gelden … geen andere standmonsters dan die voor Java-suiker, welke onlangs zijn herzien overeenkomstig den nieuwen standaard van de Nederlandsche Handelmaatschappij,   Bijv. Stbl. 1881, blz. 91.
Tot het berekenen van den accijns voor kandij … wordt de klasse bepaald naar standmonsters,   Suikerw. (Stbl. 1897, n°. 63), a. 78.
Ruw zout: Fijner en tevens blanker dan het … vast te stellen standmonster,   Tariefw. 1924 (Stbl. 568), blz. 206.
Standprijs, hetzelfde als standaardprijs.
Standprijs: een aangenomen prijs voor een bepaalde hoeveelheid koopwaar, die den grondslag vormt van de dagelijksche prijsnoteering, n.l. de dagelijksche prijs wordt aangegeven door de afwijking te noteeren, die dezen van den standprijs vertoont,   HAGERS, Handelslex. 486 a.
— Voor goud is de standprijs te Parijs 3437 fr. per K.G. fijn,   Ald.
Standtijdeloos, door HOOFT in de volgende plaats gesmeed met de bet. van: zonder tijd van bestaan, geen of slechts zeer korten tijd van bestaan hebbende.
'T standttijdeloos geslacht, dat vander Aerden leeft,   HOOFT, Ged. 1, 100 [1610].
Standvest, door CAMPHUYZEN gebezigd in den zin van: bolwerk, sterkte en derg.
O! saligh Rijck, dat opter aerde Den Vrede brengen sal …, En standt-vest der gerechticheden, Een aller dingen vreuchdt,   CAMPHUYZEN, Ps. 72, 5 [c. 1626].
De heylig' Hut te Silo …, De roem sijns volcks, de standt-vest van 't gelooff,   CAMPHUYZEN, Ps. 78, 38 [c. 1626].
In de bet. I, C): het blijven op dezelfde plaats.
Standkwartier (zie Dl. VIII, 718).
Standlegerplaats (zie Dl. VIII, 1411).
Standvisch, visch die op dezelfde plaats blijft, in tegenstelling met trekvisch.
In de binnenwateren werd op standvisch tot den 23en April, toen de gesloten tijd begon, betrekkelijk weinig gevischt,   Maandcijfers d. Visscherijstatist. 1918, 312
 (verg. 313: le poisson sédentaire).
Op de Zuidhollandsche benedenrivieren en de daarmede in verbinding staande killen en gaten werd druk op standvisschen gevischt met vischzegens, blieknetten, schrobnetten en pooknetten,   1918, 1042 (verg. te voren: De visscherij op trekvisschen).
De visscherij op standvisch met de vischzegen en andere vischtuigen was over het geheel genomen niet voorspoedig; alleen op de Beneden-Waal werden in de derde week van November met de vischzegen ruime vangsten van witvisch verkregen,   N. Rott. Cour. v. Nov. 1921.
De visscherij op standvisch werd in verband met de beperkte vraag naar schubvisch en de lage vischprijzen over het algemeen maar matig beoefend,   Ald.
Samenst. Standvischsoort (Maandc. d. Visscherijstatist. 1918, 311).
Standwild, als jagersterm: wild dat het geheele jaar voorkomt.
— Als tweede lid. Achterstand, adelstand, armenstand, arbeidersstand, barometerstand, bladstand, boerenstand, boezemstand, burgerstand, grondstand, hoofdstand, hoogstand, huisstand, koopmansstand, krijgsmansstand, landstand, legerstand, lichaamsstand, locomotiefstand, middelstand, middenstand, ridderstand, rijksstand, rivierstand, roosterstand, ruststand, seinstand, slavenstand, soldatenstand, tusschenstand, vischstand, waterstand, welstand, welvaartstand, werkmansstand, zeestand, zomerstand, zonnestand (zie die woorden of het eerste lid). — Verder b.v. nog
— In de bet. I, A, 1, b) in een aantal termen in de gymnastiek als b.v. Buigstand (CUPÉRUS-DELAIVE, Turnvakt. 44, 113), nijgstand (a. w. 85), strekstand (a. w. 41), uitvalstand (a. w. 42) enz.
— In de bet. I, A, 2). Echtstand (HALMA), heilstand (”Tot welk een heilstand God de ziele lokt en nood!” LUYKEN, Z. e. St. Gez. 153; ”Ik schatte my gelukkig In de armen van een' gâ, Een' gâ die my beminde; En dacht mijn' heilstand na”, BILD. 1, 57 [1788]; ”Ontbreekt er aan uw' heilstand iets?” BILD. 1, 65 [1788]).
— In de bet. I, A, 3) of 6). Baronnenstand, gravenstand, hertogenstand
pachtersstand (PIERSON, Staath. 2, 317).
— In de bet. II, A, 1). Evenwichtsstand (”De balans (behoudt) den stand dien zij, aan zich zelf overgelaten, aanneemt, den evenwichtsstand …, wanneer aan weerszijden gelijke gewichten worden geplaatst”, LORENTZ, Natuurk.³ 1, 109; ”Daarentegen heft een draaiingsmoment in de tegengestelde richting deze beweging gedurende een oogenblik op of vermindert ze en laat zelfs den kop en de oogen in den evenwichtsstand terugkeeren”, ZWAARDEMAKER, Physiol. 2, 309);
Bloesemstand (”Bladeren lancetvormig aangepunt; stengel zeer hoog; bloesemstand, uitgebreid en los”, BERTRAM, Tabak 5 [1896])
schedelstand (”(Een) veelvuldig voorkomend voorbeeld van abnormalen schedelstand”, TREUB, Verlosk. 781)
schuifstand (”Eene verandering van den schuifstand”, VERDAM, Machin. 345).

Aanvulling bij STAND

Samenst. en kopp. Standsbesef.
Ik ben overtuigd dat …, als wij maar iets konden kweeken van het standsbesef, van het saamhoorigheidsbesef, van het gevoel van verantwoordelijkheid voor het aanzien van het beroep en de eer van den stand, … wij in het algemeen belang iets zeer goeds zouden verrichten,   Advocatenblad 12, 168 [1929].
Standen kennen niet het minderwaardigheidscomplex dat in het onderbewustzijn van een klasse kan sluimeren. Het standsbesef zal zich blijven vastklampen aan vroeger verworven maatschappelijk prestige,   BOUMAN in Soc. Leven 738 [1946].
Standgreppel, (archaeol.).
Gezien de smalle, diepe, scherp geprofileerde randgreppel met houtsporen, een stand-greppel dus, rondom het graf, is dit oorspronkelijk omgeven geweest met een of andere rechthoekige houtconstructie, vermoedelijk alleen een balkenomranding,   V. GIFFEN, Brab. Oergesch. 12 [1937].
Uit de `houten' perioden zijn sporen aan het licht gekomen van een aantal grote gebouwen in de vorm van standgreppels en resten van wandposten,   O.K.W. Med. 25, 204 b [1961].
Standgrijpen, van afspraken, rechten, toezeggingen e.d.: van kracht worden, geldigheid krijgen. Zie Dl. XV, 469 voor de verb. stand grijpen en nog eenige aanh. waarin het woord als kopp. is aaneengeschreven.
Ze (keerde) zich tot hare Hoog. Mog. met ernstige bede, dat het dezelve om alle deze inzichten niet alleen gelieven mogte al het geen voor dezen by hen vergunt was te doen stantgrypen,   BRANDT, De Groot 213 [voor 1696].
Standenhiërarchie.
  V. DALE [1950 ].
— Voor de standen-hiërarchie tijdens het hoog- en laatkapitalisme, overdekt als deze is door de klassenstructuur, heeft de sociologische literatuur van onze tijd weinig oog,   V. HEEK in Soc. Leven 259 [1948].
Prof. Idenburg acht grond aanwezig om te veronderstellen, dat … men toen de maatschappij nog zonder kwaad geweten als een standenhiërarchie zag,   O.K.W. Med. 27, 215 a [1963].
Standkuil, (archaeol.).
Het hunebed D 42, ten noorden van Westenesch is gecompleteerd door de standkuilen van de ontbrekende draagstenen te fixeren,   O.K.W. Med. 24, 509 b [1960].
Bij de andere genoemde hunebedden bepaalde de restauratie zich tot het opsporen van de standkuilen der ontbrekende orthostatische stenen,   O.K.W. Med. 25, 698 b [1961].
Standring, (archaeol.).
Standring, ringvormige verhevenheid waarop een vaatwerk kan staan,   V. DALE [1976].
— Het middeleeuwse aardewerk omvatte het Pingsdorftype, handgevormde bruingrauwe kogelpotten, Paffrath, alsmede handgevormde, wijdmondige, kogelvormige potten met aangeknepen standring,   O.K.W. Med. 28, 378 c [1964].
De vorm van het bord is niet met zekerheid vast te stellen; er is nog iets van een wandknik aanwezig; de bodem is aan de onderzijde tussen de standring volkomen vlak,   O.K.W. Med. 28, 522 c [1964].
Standspoor, (archaeol.).
De vrij diepe greppels, om die bedden heen, met hun onderbreking aan de smalle zijde, waren hier zeer sprekend als het standspoor van een omheining gekarakteriseerd,   HOLWERDA, Nederl. vr. Gesch. 96 [1925].
Een smal en rechthoekig verlopend standspoor van een helaas door de zandafgraving gedeeltelijk vernielde hutkom,   O.K.W. Med. 28, 551 a [1964].
Standenstaat.
Standenstaat, staatsorganisatie die gebaseerd is op standen; corporatistische staat,   V. DALE [1976].
— De Republiek was de ruïne van de standenstaat, zonder landsheer en diens vertegenwoordiger, de landvoogd,   O.K.W. Med. 28, 23 a [1964].
In 1815 komt in de Grondwet, dat de provinciale staten gekozen worden door drie standen: de ridderschap, de steden en de landelijke stand. De tijd van de standenstaat is evenwel voorbij,   O.K.W. Med. 28, 23 b [1964].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1930.