Koppelingen:
Vorig artikel: TACHTERNOEN Volgend artikel: TACHTIGER I
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW, MNW, MNW

TACHTIG

Woordsoort: telw.

Modern lemma: tachtig

telw. Mnl. tachtich; ofri. nfri. tachtich; nnd. tachtig. Een samenst. van Acht (IV) met een oud woord waarvan de stam tizu- luidde en dat tiental beteekende; de t- aan het begin wordt gewoonlijk gehouden voor een overblijfsel van een voorgevoegd woord dat eveneens tiental beduidde en dat in 't Ags. als hund- (hundeahtatig), in 't Os. als ant- (antahtoda) voorkomt. Verschillende germ. talen hebben ook, of uitsluitend, vormen zonder t-: mnl. achtich; ofri. achtich; ohd. ahtozug (mhd. ahtzic, nhd. achtzig); ags. eahtatig (meng. eizteti, neng. eighty); on. atta tigir; enz. Naast tachtig vindt men reeds in 't Mnl. en nog lang daarna tachtentig (zoo b.v. steeds in den Statenb.) en tachentig: het laatste schijnt door dissimilatie ontstaan te wezen uit het eerste dat 't oudste schijnt te zijn. De invoeging van -en- hierin is blijkbaar aan analogie naar zeventig en negentig toe te schrijven. Tachentig heeft lang voor beschaafd gegolden; voor HALMA en MARIN is 't blijkbaar de gewone vorm, evenzoo voor veel beschaafde Amsterdammers uit het midden der 19de eeuw (zie V. LENNEP, in Ned. Mag. 1859, 123), thans geldt het voor minder beschaafd maar is het in tal van dialekten nog het gewone woord.
+1.  Achtmaal tien.
Neemt uwen brief ende scrijft tachtentich,   Liesv. Bijbel v. 1526, Luc. 16, B.
Alle d'ander Priesteren tot vijf-en-tachentich mannen toe,   STRATIUS, Conste om wel te sterven 260.
Ende Methusalah leefde, na dat hy Lamech gewonnen hadde, seven hondert ende twee en tachtentigh jaer,   Statenb., Gen. 5, 25 [ed. 1688].
Ick ben heden tachtentigh jaer oudt,   Statenb., 2 Sam. 19, 35 [ed. 1688].
Don Frederik … zond hem 't regement van Lombardye tegemoet; Bossu, Noirkarmes, en Romero vooruit, met tseeventigh moskettiers, en tachtentigh lichte paarden,   HOOFT, N.H. 297 [1642].
Zijnder niet wel van seventigh ende van tachentigh jaren?   V. HARINXMA, Wonderl. Ges. 70.
Hy … geeft het Slot oover: dat strax teeghens de stadt geslecht werd … naa dat het ontrent taghtigh jaaren gestaan had,   689.
Hier duurt de tijt slechts vijfmael veertien jaeren. De sterckste kan geen tachtentigh vergaeren,   VONDEL 7, 429 [1657].
Phlips liet 'er tachentich van dien heilloozen hoop te Parijs verbranden,   DE BRUNE, Jok en E. 326 [1644].
Vierentachtentig goudt-guldens,   COMENIUS, Deure d. Taalen 154 [1666].
In de oude tyden …, toen droeg men van die geleide Kraagen met een zeventig tagchentig ellen dundoek,   DE RIJK, Dagd. 40.
Hy had tagtentigh man aen de Westzyde der rivier overgezonden, alle van schietgeweer verzien, om de lantstreek daer … te veiligen voor de roovery der Tartaren,   DE BRUYN, Reizen 2, 443 a [1714].
Dan klimmen wij ten hoogsten tot den top Van seventig of tachtig jaaren op,   Psalmber. 90, 5.
”De reis om de wereld in tachtig dagen” is door Jules Verne beschreven.   poëem WNT
2.  Als verkorting van achttienhonderd tachtig is tachtig sinds ± 1900 zeer gebruikelijk in verband met een letterkundige beweging, in hoofdzaak tusschen 1880 en 1890, van een groep jonge dichters en prozaschrijvers, voornamelijk te Amsterdam, die, onder sterken franschen en engelschen invloed, de schoonheid in de kunst vooropstelden, en in 1885 als hun orgaan De Nieuwe Gids stichtten. Men spreekt b.v. van de beweging, de mannen van Tachtig. Zeer gewoon is ook tachtiger; zie ald.
De mannen van '80 aan het woord,   Titel v. e. werk v. D'OLIVEIRA [1909].
Afl. Tachtiger (zie ald., 1ste art.)
tachtigste (zie ald.).
Aanm. Een germanisme is tachtiger als bnw. in de tachtiger jaren, de jaren 80 tot en met 89 van de eeuw waarin de spreker leeft of waarvan in 't verband sprake is.
De hoofdoorzaak der malaise van de tachtiger jaren, de lage graanprijzen,   Rapport Land- en Tuinb. 1921, 1, 5.
Samenst. Tachtigtal, Tachtigvoud (zie die woorden).
Samenst. afl. Tachtigdaagsch, tachtig dagen durende, geldig, enz. (”Een tachtigdaagsch verblijf te X.”; ”Een tachtigdaagsch retourbiljet”)
tachtigjarig, 1°. tachtig jaren durende, inzonderheid in de verbinding de tachtigjarige oorlog, de oorlog tusschen Nederland en Spanje van 1568 tot 1648 (”Verhef u, zangster! … Bezing 't verbrijzelen van Spanjes ijzren boei, Den tachtigjaargen strijd!”, HELMERS, Holl. N. 42 [ed. 1814]; ”Den overwonnen basterd, Die … 't tachtig jarig pleit beschimpt”, 145; ”Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog, 1588—1598”, Titel v. e. werk v. R. FRUIN); 2°. tachtig jaren oud (”By my is een kind, dat een wysneusje is, een even zot figuurtje, als een tagtigjaarige Coquette of Petitmaître”, WOLFF en DEKEN, Leev. 7, 116 [1785]; ”Wij (bleven) met belangstelling luisteren op hetgeen de tachtigjarige Pastoor ons vertelde uit den Besloten Tijd en uit den Boerenkrijg”, CONSC. 1, 99 a [ed. 1867]); 3°. op iemands tachtigste jaar gemaakt, er op betrekking hebbende, enz. (”Tachtig-jarige Bedenckingen”, Titel v. e. werk v. J. CATS).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1928.