Koppelingen:
Vorig artikel: TALG Volgend artikel: TALIE I
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

TALHOUT

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: talhout

znw. onz., mv. -en. Mnl. talhout.
+1.  Eig. Uit dunne stammen en takken gezaagd hout dat bij het tal of aantal stukken verkocht wordt en dient voor het aanmaken van vuur enz.; het woord wordt zoowel in collectieven zin gebezigd als voor een enkel stuk.
Dat 'er veele personen zyn, die … alsoo duerte maken in den turf en hout, als van talhout, en brandhout,   Utr. Placaatb. 3, 816 a [1586].
Van het duysent Tal-hout van de waerde van 10. tot 30. stuyv. het duysent 10 pen. (arbeidsloon voor de tellers),   Handv. v. Amst. 921 a [1601].
Voorts, moet het Talhout, door Stads Tellers, geteld, en het Vademhout, door Stads Meeters, gemeeten worden,   WAGEN., Amst. 2, 428 a.
Kunje dan ook meteen een talhout boven brengen of iets anders, om het raam open te houden?   V. LENNEP, K. Zev. 3, 265 [1865].
Het schel- of talhout is minder in prijs dan in vroegere jaren, ten gevolge van de afschaffing van den accijns op de brandstoffen,   Med. d. Geld. Mij v. Landb. 1869, 147.
Het eiken talhout wordt tegen 8 cent de bos verkocht,   Onderz. Landb. 1886, 8, 13 [1890].
Een groot gedeelte dezer werkzaamheden bestaat in het hakken van hout en het bewerken van dit hout tot talof duizendhout,   14, 2.
2.  Oneig.: zie de aanhaling.
Talhoutjes, breekijzers,   Boevent.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1928.