Koppelingen:
Vorig artikel: TEEDER Volgend artikel: TEEDERLIJK
GTB Woordenboeken: MNW

TEEDERHEID

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: tederheid

TEERHEID —, znw. vr., mv. -heden. Mnl. tederheit. Van Teeder (teer). Tegenwoordig zegt men in de algemeene taal gewoonlijk teerheid in de bet. 1), teederheid in de bett. 2—3). De verschillende toepassingen zijn niet altijd scherp te scheiden.
+1.  De eigenschap van teeder of teer te zijn in de bet. A, 1): geringe weerstand tegen ruwe bejegening, delicaatheid, de eigenschap dat er licht iets aan bedorven kan worden.
Wat duller razerny Bevanght u … dat ghy u teerderheyd (sic) en zwackheyd gaet vergeten,   VONDEL 1, 465 [1617]  (de os spreekt tot den kikvorsch).
Terwijl de ranck geen wederspoeden Gewoon is, noch verduurt door haere tederheên,   VONDEL 8, 225 [1660].
De tederheyd van 't vervoeren van speceryen,   N.-I. Plakaatb. 3, 535 [1704].
Hy (zekere vogel) kan kwalyk zitten, om de teerheid van zyn pooten onder zyn groot lichaam,   VALENTIJN, O.-I. III, 1, 304 a [1726].
De zwakheden, waar aan zy door de tederheid haars gestels onderheevig geworden is,   WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 91 [1784].
Kruisers zijn …, ondanks hun teerheid, waaromtrent ik, niettegenstaande de pech met onze eerstelingen niet zoo verschrikkelijk somber gestemd ben, een niet te ontzeilen noodzakelijkheid,   Alg. Handelsbl. v. 2 Oct. 1930.
+2.  De eigenschap van teeder of teer te zijn in de bet. A, 2): zachtheid, gevoeligheid, zacht gevoel; vaak het tegenovergestelde van forschheid, ruwheid enz.
's Cajsars suster, hem hoorende in eenighe dichten vernieuwen den lof … van haeren soone M. …, waer door sy van tejderhejt te beswijmen ende wt haer selven geraeckte, beval enz.,   HOOFT, Br. 1, 427 [1613].
De traenen, die 't in 't geweldt des ramps niet geweest is Uwer E. af te perssen, zijn tot mijn' ooghen ujtgewrongen, door innerlijke tederheit, gebooren ujt het betrachten des overheerlijken zins, van die leerlijke en stichtlijke regelen,   2, 382.
Al wat Eva heeft vernoeght haer bruigoms eisch: Der leden tederheit, een zachter vel en vleisch …, aenminnigheit der oogen,   VONDEL 6, 226 [1654].
Ick hadde mij altijdts in Uw Ed. soodaenige standvastigheydt ende courage voor oogen gestelt, dat ick mij niet hebbe kunnen verbeelden soodanige teederheydt, als waervan ick nu in 't laetst van Uw Eds. missive de teeckenen bespeure,   J. DE WITT in VEEGENS, Hist. Stud. 2, 133 [1665].
Denkende ernst en waare tederheid zyn in myn oog de beminlykste hoedanigheden uwer Sex. Gy kunt niet gelooven, hoe gaarn ik ernst in eene Vrouw zie; mits dezelve … in eene bevallige zagtaardigheid omwonden is. Eene ongevoelige Vrouw is een gedrocht,   WOLFF en DEKEN, Leev. 4, 42 [1784].
Toen nam ik den Engel bevende op, en droeg haar, met alle mogelyke tederheid, zagtjes voortgaande, naar den rustbank,   WOLFF en DEKEN, Leev. 4, 167 [1784].
Er is in die openlijke erkentenis van haar geluk zekere teerheid van gevoel, die voor haar inneemt,   VEEGENS, Hist. Stud. 1, 234 [1876].
De natuur toonde zich aan hem (Corot) in al haar teederheid en poëzie,   QUACK, Stud. 323 [1884].
Hoe smolten de harten der vrouwen weg van teederheid (t.w. bij het lezen van Rousseau's geschriften),   QUACK, Soc. 1, 275.
Toen Reine … over den boomgaard ging, zag zij een man met eene nieuwe wieg op den schouder uit de richting van het dorp komen …; en droomend met eene zeldzame gewaarwording van teederheid en verkropten weemoed, achtervolgde zij met den blik het verkleinend witte punt,   LOVELING, D.E. 87 [1891].
Midden op het plein daar rees een gevaarte van bontheid, daar begonnen in de hoogte de kleuren te schreeuwen en te vloeken tegen de teerheid van den morgen,   V. LOOY, Proza 69 [1889].
+3.  Zachte en hartelijke liefde, (gevoel van) innigheid, zacht zich uitende hartelijkheid.
Zijn Excellentie met grote tederheit van gevoel afscheit van zijn gemalin, en van zijn vrienden genomen hebbende, trad over in ons schip,   Voyag. v. Klenk 8 [1677].
(De binnenregent) zal zig in allen deelen geschikt en godvrugtig gedragen, voorbeeld geevende aan de geenen, waar over hy directie voerd; (en) dezelve met alle teederheid en liefde behandelen,   N.-I. Plakaatb. 10, 216 [1778].
Myn waarde Vader … bemint myne Moeder, met de tederheid van eenen Vriend, en met de zorgvuldige liefde van eenen Vader,   WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 34 [1785].
Hij dankt haar …, Voor al de blijken van haar liefde en tederheid,   HELMERS, Holl. N. 33 [ed. 1814].
Amalia hing hem (Frederik Hendrik) aan met eene teederheid, waarin zich eerbied en ontzag mengde,   VEEGENS, Hist. Stud. 1, 241 [1876].
Een kind! … Wat teederheid, wat zorgen zou ik 't wijden!   V. LENNEP, Poët. 7, 147 [1838].
Hij kuste zijne moeder met teederheid,   CONSC. 3, 75 b [ed. 1868].
Die oogen, … stralend van de innigste teêrheid,   V. BEERS 2, 212 [1868].
In het eerste stukje wordt de ”amour-phantasie”, in het tweede de teederheid, in het derde de hartstocht der liefde … voorgesteld,   QUACK, Stud. 282 [1875].
(Zij was) getroffen door iets van moederlijke teederheid in de wijze waarmede het wichtje werd omvat,   LOVELING, D.E. 78 [1891]
 (zie ook LOVELING, D.E. 139 [1891]) .
Samenst. Teerheidvol, vol teederheid (BILD. 5, 147 [1817]).
Koppel. Teerheidademend (”Wees ongevoelig …, Geen teêrheidaâmend blad maakt aanspraak op uw gunst”, BILD. 10, 17 [1785]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1931.