Koppelingen:
Vorig artikel: TEELLAND Volgend artikel: TEELTKEUS
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

TEELT

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: teelt

znw. vr., mv. -en. Mnl. teelt; bij KIL. ook teelte, welke vorm in de 17de eeuw herhaaldelijk, in de 18de soms, en in Zeel. nog tot in de 19de wordt aangetroffen (in de 16de komen nu en dan verbogen vormen met d voor). Van Telen. In verband met een oude bet. ”streven” (uit nog ouder ”zich uitstrekken”) die voor het ww. mag worden aangenomen, zal teelt aanvankelijk ”het streven naar —”, ”het trachten-te-krijgen” beteekend hebben, waaruit onderstaande toepassingen, van welke tot heden alleen de bett. 1—2) in het Mnl. zijn aangetroffen, te verklaren zijn.
+1.  Vischvangst, als bedrijf uitgeoefend, visscherij.
Dat niemandt … en dryue om Harijngh te vanghene …, sy en hebben in huerlieder Teelt een ofte twee Lanteernen: ten fine dat sy elcanderen schuwen ende myden moghen, omme keruijnghe te euiterene,   Vl. Placcaertb. 1, 349 [1535].
De … Wethouderen vander Plaetse daer of sulcke Buysschen ofte andere Schepen ter Zee-neeringe varen, (sullen) ghehouden wesen in 't af-snijden vande Teelt ende opsetten van elck Buyssche, te ontbieden uyt elck Schip daer aen gekomen drie ofte vier Bootsghesellen,   Gr. Placaetb. 1, 689 [1580].
De visschers, zich buyten den tydt hunner teelte, en meestendeels aan landt vindende, flux op de beên, naa de verzaamplaats toe,   HOOFT, N.H. 242 [1642].
Ook wel ging van anderen (t.w. andere ansjovisvisschers) al het vischtuig … verloren, zoodat zij niet meer aan de teelt van dit jaar konden deelnemen,   Nieuws v. d. Dag v. 25 Juli 1902.
De resultaten der haringvisscherij gedurende de eerste week dezer maand zijn in het Zuidelijk bekken al bijzonder slecht gebleven; de zeer hooge talprijzen wezen trouwens overduidelijk uit, dat er nog haast geen teelt is. Vergeleken met andere jaren … schijnt de vóórtrek nu laat in te treden,   N. Rott. Cour. v. 7 Febr. 1926
(Huizen).
2.  Vandaar: tijd waarin de visscherij wordt uitgeoefend. (Het is niet altijd duidelijk of deze bet. danwel de bet. 1) is bedoeld).
Wy (beuelen) … onzen voorseyden officiers … neerstigh ondersouck te doene …, wat Stierlieden binnen de voorseyde Teelt, hemlieden in dSee mesdraghen zullen hebben,   Vl. Placcaertb. 1, 351 [1535].
Die drie teelden van dese jegenwoordigen jaire …, (d'eerste teelt beginnende Martini voirs. ende eyndende op Vrouwenlichtmisdach …, die anderde teelt beginnende van Lichtmis voirs. ende eyndende Paesschen naestcomende, ende die derde teelt enz.,   in Versl. Vereen. O. Vad. Recht 5, 24 [1551].
Indien eenich Stierman sijn Schip … verliest …, sal ghehouden zijn de Huyrlingen te loonen naer advenant vanden tijdt dat sy met hem gevaren sullen hebben, te weten, dat men alle die Weecken vanden Teelt sal reeckenen, te weten, voor Bamisse, Weecken voor Weecken, ende nae Bamisse tot Sainct Andries dach toe die acht Weecken voor twaelf Weecken,   Gr. Placaetb. 1, 698 [1580].
Vanden beginne vanden Teelt tot den eersten Octobris toe …, Ende vanden eersten October tot den uyt-eynde vande teelt,   Gr. Placaetb. 1, 710 [1596].
Enchuysen, alwaer so veel harings … inde Zuyder Zee op sekeren tijt des Jaers gheuanghen wert, alser op eene teelte met de Buysen, Boots ende Pincken, de Mase inghebracht … wert,   WAGHENAER, Spiegh. d. Zeev. 1, n°. 2.
Kok, te vier! eens gezeyd voor de heele teeld en dat omt houwe; kookt gort,   in Leidsch Jaarb. 1927—'28, 18 [1790].
Er zijn visschers, die gedurende de teelt niet meer dan 40 à 50.000 stuks (ansjovis) vingen,   Nieuws v. d. Dag v. 25 Juli 1902.
3.  Het in-'t-leven-roepen, het ter-werelddoen-komen, de voortbrenging.
Teeltfætura,   KIL.
— d' Opperste natuur (t.w. God), den oirsprong der naturen, In 't scheppen, in de teelte, in 't baeren, in 't besturen En onderhouden van al 't geene is voortgebraght,   VONDEL 9, 408 [1662].
De subtijlste gheesten … zijn weynigh gehecht aen de wercken des lichaems … De weynigh aendacht, die zy tot de teelte bringhen, is een natuyrlicke oorzake, dat haer kroost dickwils zoo volmaeckt niet en is,   DE BRUNE, Bank. 1, 491 [1657].
+4.  Vandaar: alwat door zekere wezens of planten in 't leven geroepen of voortgebracht is, een geslacht.
Nu zienwe een ieder zaet ons levren zijne vrucht, En teelen zijns gelijck. het aertrijck, en de lucht, En 't water geven elck … Haer teelten,   VONDEL 9, 411 [1662].
Sy (de zon) geeft de vruchtbaerheyt, het voetsel en de teelte,   V. DORP, St. Ged. 189 [1679].
Wat zietge op 't vloedtoneel … Opdondren, dan een bosch van kielen? als een teelt Van strandgevogelt, dat, gebroet in zomerdagen, Nu eerst in eene vlucht de toght van strand durf waegen,   ANTONIDES 1, 132 [1671].
De roofbijën vallen een enkele korf ook eerder en sterker aan, en berokkenen schielijker den ondergang der teelt,   Handw. 14, 74 [1797].
Aan teelt van eigen' grond zult gij de voorkeur geven,   SPANDAW 4, 210 [1838].
De ziel Schept werelden naar willekeur, en bevolkt Ze met een teelt van wezens,   BEETS 1, 240 [1816].
5.  Met betrekking tot nijverheidsproducten. Vervaardiging. Verouderd.
Gae vorder jonge vrou. Reed alderhande webben, Gy kont uyt deese teelt veel nutte dingen hebben, En hemden voor het lijf, en lakens voor het bedt,   CATS 1, 371 a [1625].
Wees welkom (zegt zy), vreemdeling; Ontschuil hier 't baldrend weêr, En smaak hier 't brood van onze teelt,   BILD. 1, 297 [1821].
+6.  De handeling van iets uit een kiem of stek te doen ontstaan en het door doeltreffende middelen tot ontwikkeling te brengen, de cultuur; vaak hetzelfde als: het kweeken (aan dit woord verbindt men echter veelal de bijgedachte aan ijverige zorg). Ook fig.
7.  Vandaar: wat gekweekt wordt of is, kweeksel.
Teelt. Fructus, … prouentus,   KIL.
— Nog liever krui ik slijk en mest Door alle wind en weer. Want daarvan komt er merg en pit In elk gewas en teelt,   TOLLENS 7, 95 [1802].
Te koop: een prachtig donker gestreepte Plymouth Rocks Haan, teelt 1929,   Uit een advertentie.
8.  Als benaming voor het tijdvak gedurende 'twelk een ander bedrijf dan de visscherij jaarlijks wordt uitgeoefend (verg. de bet. 2))). Met name aangetroffen in de volgende aanhalingen. Het is mogelijk dat men hier te doen heeft met een overdracht van de bet. 2), de oudste van derg. toepassingen; maar althans voor de tweede aanhaling is dat onwaarschijnlijk; veeleer zal men hier aan een metonymisch gebruik van de bet. 6) moeten denken.
Item en sal gheenen Mr. Bleecker …, geduyrende de teelte, eenigh dienstbooden, nyet ghelycentieert zijnde als vooren, mogen aennemen tegens de teelte vant naevolghende Jaer (als causeerende tzelfde een quade emulatie) …, maer wel de huyre ofte teelte ten vollen gheëxpireert zijnde,   Keur bleekerij Kennemerland a°. 1592, bij BOEKENOOGEN.
Wed. M. v. d. B. … adverteert voor de laatste maal in deze teelt met prachtige Brielsche Fleuren,   Uit een advertentie.
9.  Oudtijds met betrekking tot het optreden van ”burgemeesters van de gemeente”, met name te Dordrecht: tijdstip waarop zoo'n burgemeester optrad, en: tijdperk waarvoor hij aangesteld was. De eerstgenoemde bet. en de kring waarin deze toepassingen thuishooren maken een overdracht van de bet. 2) onwaarschijnlijk.
Alle teelten (te weten drie mael 's jaers) wert in den Out-raet, voor aleer men tot verkiesinge komt, met open kamere de rekeningh gelesen soo van den Borgemeester van de Gemeente, als van 's Heeren wegen,   V. BEVERW., Beg. v. Holl. in Dordr. 186.
Uyt welcke oude Magistraten voorschreven, den Burgemeester van de Gemeente wegen sal werden verkooren … driemael des jaers, eens in het Voorjaer, omtrent half Vasten, met beslooten Billietten, en de twee daer aen volgende Teelten of Tijden, te weten, de eene omtrent St. Pieter en Paulus, en de andere omtrent Catharine dagh, met open stemmen; ende sullen de Goede Luyden van den Achte op de selve Teelten of Tijden, insgelijcks hare keur-stemmen geven,   Gr. Placaetb. 4, 397 a [1669].
Midts welcke met prima July deses voorsz Jaers … uyt de drie volgende Burgermeesters, als Burgermeester van de Gemeynte, voor ghelijcke drie maenden succederen sal den oudtsten naer den geseyden Rangh van den Oudt-Raedt, ende alsoo vervolgens den derden ende vierden Burgermeester in ghelijcker voegen, yeder drie maenden daer aen volgende, als wanneer het geheele Jaer met de voorsz vier Teelten omme gekomen, ende ghe-expireert wesende, twee van de ghemelte vier Burgermeesteren sullen blyven ghecontinueert,   3, 43 b [1674].
Ten eynde van sijne praesidie of teelt van drie maanden,   5, 724 a  (a°. 1703; evenzoo 9, 478 b, a°. 1790).
Samenst. en koppel. Teeltkeus (zie ald.).
— Verder: (in de bet. 3))) Teeltlaag, laag van teeltweefsel (”Jeugdige wortelvezelen …, die zich uit de teeltlaag ontwikkeld hebben”, HARTING, in Alb. d. Nat. 1853, 1, 156 [1853]; ”Het … hout vertoont meer of min regelmatige concentrische ringen, die in het levende hout door een weeken ring, de teeltlaag, omgeven zijn. … Uit de teeltlaag wordt jaarlijks een nieuwe cilinder aen het hout toegevoegd”, Vivat's Encyclop. 4154 b volg.)
Teeltweefsel (”Steeds vangt zij (de ontwikkeling der bijkomende wortels) aan in een weefsel, dat uit zeer jeugdige teedere cellen bestaat, die nog voortgaan zich te vermenigvuldigen door verdeeling. … De plaats die dit weefsel, dat men door den naam van teeltweefsel kan onderscheiden, in de planten inneemt, is eenigermate verschillend, doch bij onze boomen komt het altijd op eene en dezelfde plaats voor, namelijk tusschen de jongst gevormde houtlaag en de bast. Het vormt daar eenen kring, en het onderzoek heeft geleerd, dat zich jaarlijks, door verdikking der wanden van de daarin bevatte cellen, aan de binnenzijde een nieuwe houtlaag, aan de buitenzijde een bastlaag vormt, terwijl de in het midden tusschen beiden in gelegen cellen gestadig voortgaan zich te vermenigvuldigen, zoodat het teeltweefsel dus onophoudelijk vernieuwd of verjongd wordt”, HARTING, in Alb. d. Nat. 1853, 1, 155 e.v. [1853]; ”De hout- en bastcellen beiden ontstaan uit een uiterst teeder weefsel van dunwandige, in de lengte uitgerekte, met plastische stoffen sterk gevulde, en voortdurend in een toestand van vermenigvuldiging verkeerende cellen, die echter zelven weder door het oorspronkelijk parenchym … worden voortgebracht. Men heeft dat weefsel Teeltweefsel (Cambium) geheeten”, OUDEMANS, Leerb. 1, 315)
Teeltwisseling (”Zoetwater-polypen en teeltwisseling”, Alb. d. Nat. 1860, 2, 33 [1860]; ”Een bijzonder geval van teeltwisseling …, waaraan Jäger den naam van diasporogenesis geeft. De teeltwisseling der Medusen noemt hij anthogenesis”, Ald.; ”De voortteling der dieren bestaat daarin, dat een gedeelte van het moederdier zich daarvan afscheidt en dat dit gedeelte zich vervolgens tot een zelfstandig wezen ontwikkelt; … men (onderscheidt) … voortteling … door knoppen en door eieren; beide wijzen kunnen elkaar bij eenzelfde dier afwisselen, hetgeen men teeltwisseling of afwisselende voortplanting noemt”, Vivat's Encyclop. 2085 a).
— In de bet. 6). Teeltcontract (Versl. Landb. 1919, 4, 10)
Teeltdwang (”Dat eene algemeen aan de landbouwers op te leggen teeltdwang in de praktijk niet uitvoerbaar en de toepassing daarvan derhalve schadelijk voor de voedselvoorziening moet worden geacht”, Hand. d. St.-Gener. 1917—'18, Tw. K., Bijl. 413, blz. 6 a)
Teeltkosten (Versl. Landb. 1918, 3, LII)
Teeltlaag: die voor teelt geschikt is (”Zandgrond met humusachtige teeltlaag”, Versl. Takken v. Dienst Landb. 1917, 9)
Teeltpremie (”Een z.g. teeltpremie voor inlandsche tarwe”, Alg. Handelsbl. v. 21 Oct. 1930; ”Deze ”teeltpremie” is een andere naam voor meel-accijns”, Ald.)
Teeltregeling (”Er blijft … ten opzichte van de teeltregeling geen ander middel over ter bevordering der voedselproductie dan het omzetten van weiland in bouwland”, Hand. d. St.Gener. 1917—'18, Tw. K., Bijl. 435, blz. 3 b; ”De zuivere tuinbouwbedrijven worden nu ook in de teeltregeling opgenomen en de verbouw in die bedrijven moet ook worden geregeld”, LEENDERTZ, Zaadteelt 27, Uitg. Dir. Landb. 1920)
Teeltvolk (”Dit wordt sterk in de hand gewerkt door het feit, dat de Regeering accijnsvrije suiker ter beschikking van de bijenhouders stelt. … Voor groote stallen wordt in ongunstige jaren door deze gunst van de Regeering de gelegenheid geopend, om het aantal teeltvolken voor een volgend seizoen met weinig kosten en moeite te behouden”, Versl. Landb. 1922, 1, 55)
Teeltwijze (”Tengevolge van het invoeren van andere teeltwijzen kan de cultuur zich uitbreiden. Zoo werd het wortelzaad vroeger zeer veel gewonnen van volwassen wortels. Tegenwoordig wordt het meer en meer gewoonte de wortels in Juli te zaaien … om later ter plaatse zaad te laten geven”, LEENDERTZ, Zaadteelt 24; Uitg. Dir. Landb. 1920); enz.
— Als tweede lid. In de bett. 1—2). Achterteelt (”Wij zien met belangstelling uit naar wat November zal brengen. Het zou niet de eerste maal zijn, dat de achterteelt nog heel wat goed maakt”, Leidsch Dagbl. v. 2 Nov. 1929)
beugteelt (”Dat zij alleen bereid waren om uit te varen … onder voorwaarde dat de beugteelt zal worden beëindigd uiterlijk 25 Juni”, Leidsch Dagbl. v. 21 Mei 1929)
eenteelt, gedurende één vischseizoen (”56 opgeslagene, en 12 eenteelt bevischte netten, alle klaargemaakt, uitgeboet en behoorlijk getaand”, Uit een inventaris v. e. loggerschip, in N. Rott. Cour. v. 5 Juni 1890)
haringteelt (zie ald.)
herfstteelt (”In het laatst van October wordt de plomp-teelt vervangen door de herfst-teelt. Men vangt dan voornamelijk schelvisch met de beug langs onze kusten, van Goedereede af tot Texel”, BOERS, Beschr. v. Overflakkee 272)
kabeljauwteelt (Dl. VII, 807)
nateelt (zie ald.)
plompteelt (zie bij PLOMPEN)
tarbotsteelt (Dl. XVI, 965)
winterteelt (”De winter maakt hieraan een einde (t.w. aan de herfstteelt); de visch wijkt meer en meer naar de diepte en meer noordwaarts; alsdan begint de winter-teelt, en de vangst bestaat voornamelijk in kabeljaauw, aan het zoogenaamde Zand, of op Doggersbank”, BOERS, Beschr. v. Overflakkee 272; zie ook GAILLIARD, Keure v. Hazebr. 4, 372 b [1770])
zomerteelt (bij GAILLIARD, Keure v. Hazebr. 4, 372 b [1770]); enz.
— In de bett. 3—4). Boerenteelt (Dl. III, 164)
burgerteelt (”Mogt onze liefde u loonen, En we u tot heil ons toonen Een trouwen burgerteelt!”, D. J. V. LENNEP 270)
heldenteelt (”Afstammelingen van de heldenteelt, die 't land Van Spanjes wreeden Vorst weleer heeft vrijgeslagen!”, DA COSTA 1, 9 [1814])
kinderteelt (Dl. VII, 3010)
menschenteelt (Dl. IX, 556)
wolventeelt (”Hoe! zou de wolventeelt van uit het Roomsche nest, 't Bataafsche volk en roem en adel rooven?”, HELMERS, Holl. N. XV [ed. 1814]); enz.
— In de bet. 6). Bijenteelt (zie ald.)
bijteelt (”Cultuurproef met komkommers, met kropsla en radijs als bijteelten”, Versl. Landb. 1913, 1, 50); bloementeelt (Dl. II, 2898; zie ook Rijks H. Landbouwsch. 98)
bloembollenteelt (Versl. Landb. 1912, 4, LII, Opschr.)
boomteelt (”In het tweede studiejaar wordt een kort overzicht gegeven van de boom- en ooftboomteelt in Nederland”, Rijks H. Landbouwsch. 96)
fruitteelt (Dl. III, 4700)
geitenteelt (HEKMEIJER, Veearts. Handb. 752 [1871])
groenteteelt (”Met deze proef wenschte men te onderzoeken, of de grond en het klimaat op deze plaats geschikt zijn voor de beoefening van meer intensieve vormen van groententeelt”, Versl. Tuinbouwproefv. 1903—'04, 13); vandaar b.v. groenteteeltbedrijf (Versl. Landb. 1913, 1, 104)
hoenderteelt (Staatszorg v. d. Landb. 6)
houtteelt (Dl. VI, 1185; zie b.v. ook Versl. Landb. 1906, 6, 59)
karperteelt (Dl. VII, 1660)
konijnenteelt (Versl. Landb. 1904, 2, XXVI)
oesterteelt
ooftteelt (Versl. Landb. 1905, 156)
ooftboomteelt (zie een voorbeeld bij boomteelt)
paardenteelt (Dl. XII, 84)
plantenteelt (Dl. XII, 2283)
pluimveeteelt (zie het eerste lid)
rijenteelt (Dl. XIII, 186 volg.)
runderteelt (Dl. XIII, 1841)
rundveeteelt (Dl. XIII, 1845)
schapenteelt (Dl. XIV, 153)
tusschenteelt, teelt van een gewas dat tusschen andere geplant wordt (”Teelt van appelen en peren in struikvorm, met aardbeien als tusschenteelt”, Versl. Landb. 1913, 1, 54)
varkensteelt (”Bij de varkensteelt, zoowel als bij het mesten dier dieren, is de hoofdzaak een spoedig omzetten van het kapitaal”, HEKMEIJER, Veearts. Handb. 762 [1871])
veeteelt (zie ald.)
vischteelt, vlasteelt (zie het eerste lid)
vlinderteelt, op de volgende plaats schertsend voor: het afbeelden van vlinders (”Soo 't u, met diamant, lust op een glas te stippen: 'T is in de vlinderteelt. Het geestighe gedroght Siet oft het laeffenis aen sap van drujven soght En sit soo kuin, men soud het van den roemer knippen”, HOOFT, Ged. 1, 183 [1621])
volle-grondsteelt (”Hoewel de vollegrondsteelt nog steeds de meest gevolgde kweekwijze is, wint in de laatste jaren de glascultuur toch ook meer en meer veld”, Versl. Landb. 1906, 3, 185)
voorteelt (”Dit voor komkommers … gebruikte glas is eerst in gebruik geweest voor eene voorteelt. Eenige jaren geleden bestond deze … uit peenrijen of uit aardbeien”, Versl. Landb. 1913, 6, 25)
vruchtenteelt (zie het eerste lid)
zaadteelt (zie ald.)
zijdeteelt (zie ald.)
zijwormenteelt (zie het eerste lid); enz.
— In dezelfde bet. met de namen van bepaalde land- en tuinbouwgewassen, vruchten of bloemen als eerste lid. Aardappelteelt, aardbeienteelt, abrikozenteelt, appelteelt, aspergeteelt, augurkenteelt, beetwortelteelt, bessenteelt, boekweitteelt, bruine-boonenteelt, cichoreiteelt, druiventeelt, erwtenteelt, frambozenteelt, haverteelt, kersenteelt, klapperteelt, klaverteelt, komkommerteelt, koolzaadteelt, moerbeienteelt, perenteelt, perzikenteelt, rijstteelt, roggeteelt, slateelt, suikerteelt, suikerbietenteelt, tabaksteelt, tarweteelt, tomatenteelt, vlasteelt enz. Verschillende worden als art. of bij het eerste lid behandeld.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1931.