Koppelingen:
Vorig artikel: TIJDS Volgend artikel: TIJDSCHRIFT

TIJDSBESTEK

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: tijdsbestek

TIJDBESTEK —, znw. onz. Uit Tijd, doorgaans in den vorm van den 2den nv., en Bestek.
—  Bepaalde, afgemeten of toegemeten tijdruimte. Vooral in de verbinding een kort tijdsbestek; in de spreektaal weinig gebruikt.
Het Haft leeft maar éénen dag: binnen dat korte tydbestek word het gebooren, bereikt het zyne volwassenheid,   BERKHEY, N.H. 3, 143 [1772].
Dat de inschrijvingen … aanzienlijker zyn geweest dan men zich, in een zoo kort tijdsbestek, had kunnen voorstellen,   FALCK, Ambtsbr. 68 [1818].
Een stapel van niet minder dan nog vijftien tooneelstukken …, in een tijdsbestek van niet meer dan zeven jaren door den vlijtigen jongeling … in 't licht gezonden,   BEETS, Versch. 1, 36.
Leden der Fransche Conventie, die haast zelven ontsteld waren over hetgeen zij in zoo kort een tijdsbestek vroeger hadden gewrocht,   QUACK, Stud. 195 [1881].
De aanstellingen als interne in het gasthuis golden voor een tijdbestek van drie jaren,   DE VOS, Vl. Jong. 326.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1941.