Koppelingen:
Vorig artikel: TOEMAAT I Volgend artikel: TOEMAKEN

TOEMAATII

Woordsoort: znw.(m.,o.,v.)

Modern lemma: toemaat

znw. m., daarnaast onz. (zie PAQUE, Vl. Volksn. 375) en (zelden) vr. HOEUFFT heeft in Bred. T. verondersteld dat toemaat zou zijn 't omat (verg. ohd. âmât, uomât, mhd. ômet, uemet, dat voortgezet in Z.-Duitschl. öhmd, amad, enz. oplevert). Deze hypothese schijnt niet onmogelijk. Toemaat, dat is aangetroffen in een gebied dat ruwweg brabantsch genoemd kan worden (Brab., Belg.-Limb., O.-Vl., West-N.-Brab.), zou dan opgevat moeten worden als een brab. reinterpretatie van een onbegrepen vorm *oma(a)t, door associatie met toe (verg. TOE (I), V). Andere reïnterpretaties zijn eimet (in W.-Vl., en OostN.-Brab. en aangrenzende gebieden), namaat (verspreid om het toemaat/eimet-gebied heen, eenmaai (Z.-Bev. en Tolen). Het woord komt in verschillende vormen voor, b.v. toemet, tommet, toemert, tommert, oudtijds een enkele maal toemate.
+1.  Het gras dat opgroeit nadat er voor de eerste maal gehooid is, etgroen, nagras.
Toemaet, als eemdt oft ymet dat hoy datter wast als den beemdt eens afgemeyt is. Cordium, Foenum secundarium,   BERCKELAER [1556].
Toemate van hoy, het hoy dat wast na de eerste hoyinge,   PLANT. [1573].
— Dat de huurder (van zekere weide) … ”na des hij Sinte Jans thoye wech heeft die thoemaet met mestvee (mag) etten”,   bij LINDEMANS, Landb. 2, 432 [Laken, 1527].
Inden beghinne doen dat nagras op ghinck,   Bijbel v. Biestkens, Amos 7, 1 (Kantt.: Toemaet) [1560] (in Bijbel v. Deux Aes overgenomen als toemate).
Bommelerwaard. In het voorjaar veel gras. Daarna werkten ”droogte en hitte” samen, zoodat de toemaat zeer schraal bleef,   Med. en Ber. der Geld. Maatsch. v. Landb. 1869, 128.
D'n boekkent in de Pi-eel stee di-eeger (ter dege) goe-ed te waasse, en d'n haver, dè 's al onverschillig, mar hai schiet toch bitter as t' jou-ir (verleden jaar), en den toemet dè 's al navenant d'n aard van den dries (weide),   in LEOPOLD, V. d. Sch. t. d. W. 1, 374 [Helmond, 1881].
Bij uitzondering wordt toemaat of nagras gehooid (Reusel, N.-Br.),   Onderz. Landb. 1886, 76, 11 [1890].
De namiddagzon verguldde de weiden en deed de late klaverbloemetjes als harde roode vruchten op de toemaat schitteren,   LOVELING, D.E. 183 [1891].
In den herfst moest hij soms zijn koeien wachten op den toemaat,   V. OVERLOOP, in Vlaanderen 1, 318 [1903].
2.  Blijkens een aant. van GEZELLE te Eekloo gezegd van de volgroeide klaver die na den oogst op een land is gezaaid om dit nog voor den duur van het jaar als weidegrond productief te maken. Volgens JOOS [1900-1904] bepaaldelijk: klaver in het vlas gezaaid.
Samenst. Als tweede lid: Hooitoemaat, weitoemaat.
Als eerste lid:
Toemaatgras.
Toemaat, Toemaatgras,   JOOS [1900-1904].
Toemaathooi, hooi van het tweede gewas.
Toemaet hoy: Regaing ou foin d'arriere saison,   LAMBRECHT, Naembouck [1562].
Toemaet-hoy. Foenum cordum, serotinum: sicilimentum,   KIL. [1599].
  TEIRL. [1922].
— Leg een vuur aan met toemaathooi, en warm daaraan de winterhanden of -voeten,   DE COCK, Volksgeneesk. 302 [1891].
Toemaatkat, kat die in het najaar geboren is (CORN.-VERVL.). Ook fig. voor: persoon die graag rustig thuis zit (a. w. 2086).
Toemaatmijt, — vijm (a. w. 2270).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1948.