Koppelingen:
Vorig artikel: TOUCHER Volgend artikel: TOUPEEREN

TOUJOURS

Woordsoort: bw.

Modern lemma: toujours

bijw. Uit fr. toujours. In de volkstaal en in verschillende dial. in allerlei min of meer verbasterde vormen in gebruik, b.v. als toer jouers (LAWET), toeresoer (W.-Fri.), toer(e)loers (Gron.; Drente; DE SINCLAIR), toerloos (Gron.; Drente). Verg. voor den laatsten vorm, waar ongetwijfeld associatie met toer, resp. tuur in het spel is, oostfri. tuurloos ”unaufhaltsam” (STÜRENBURG).
+ Altijd, steeds, onafgebroken, zonder ophouden.
Toerloers (accent op de eerste syll.), onafgebroken; … Dr. toereloers, doorgaans,   MOLEMA [1887].
Toezjoer, onophoudelijk,   a. w. 571 a [1887].
— Wilghe dat ick beste? Ba, wacht naer de reste ende hout, goet gheedt ghy, Hey da! met vruechden toer jouers, de heedt vry!   LAWET, Sp. v. d. Verl. Z. 159 [1583].
Hey hielt toesjoers veel schoone klepperkes op 't stal,   BORMEESTER, Nieuwsg. Aegje B 4 r° [1662].
Leit ze niet toezoers over d'r kienje te bluffen?   CREMER 12, 101 [1860].
Hij bleef nog altd loopen drentlen, En keek zoo toesjoer 't waeter in,   V. d. Schelde t. d. W. 1, 591 b [Steenwijk, 1882].
”Hallo!” zei Toontje verrast, toen hij tegenover zich de schrijver … ontdekte. ”Waar ga jij nog heen?” ”En jij dan?” vroeg de schrijver … ”Ik? Toesjoers met jou mee!” zei Toontje,   FABRICIUS, Meisje 63 [1927].
Zoo bouwd'n d' Hesselder wal 'n jaor of acht, neeG'n toerloos deur,   in Drente Juni 1935, 6 a.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1954.