Koppelingen:
Vorig artikel: TREEM II Volgend artikel: TREEMPS

TREEMKE

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: treemke

TRIEMKE —, znw. onz., mv. -s.
In Gron. en Drente, vroeger ook in Ov. en Geld., benaming voor zekere soort van vischnet, t.w. een schakelnet. De oorsprong van het woord is niet duidelijk. Ook in den vorm triemke (trimke, traimke).
Treemke, Warrenet,   V. HALSEMA, Gron. Woorden [1776].
Triemke; v. schakel,   LAURMAN [1822].
Treemke. Schakel (vischnet),   Dr. Volksalm. 1839, 202.
Triemke, treemke, schoakels, schakelnet, driedubbel gemaasd net om snoek, baars, enz. te vangen,   MOLEMA [1887].
Trimkes, treemkes,   Ald. [Hoogeland, 1929]
  .
— Brasemen die … nae de kante van de zuyder Zee ende Rivieren daer inne vloedende kommen om huer zaet in de biese aen de oeveren te schieten, dewelcke dan mitten zeghens ende oick by den tramerkens in grooter overvloedicheyt gevangen worden,   Geld. Placaetb. 1, 262 [1559].
Tot het visschen (in de provincie Drenthe) zal van geene andere dan de volgende vischtuigen mogen worden gebruik gemaakt: zegen, treknet of sein …; schakels, treemkes, warnet of polsnet,   Bijv. Stbl. 1858, 829.
De schakels of het treemke. Schakels zijn vischtuigen, waarin de visch verward geraakt: het zijn dus driewandige netten,   HOEK, Vischt. 2, 1 [1899].
Afl. Treemker (veroud.), persoon die met treemkes vischt.
Gerekent met L.S. van de reyse, als onsen gen. heren van Vollenhoe tot Campen haelden, die gecostet heefft an twee tremikers bier, botter, kees, broet etc xix heren ,   Kameraarsrek. v. Kampen 38 [1519].
Gegeuen den tremickers van eenen stoer in de Eeme to vueren iiii h. xii st. ba,   55 [1524].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1958.