Koppelingen:
Vorig artikel: TREKZAK Volgend artikel: TREL

TREKZEEL

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: trekzeel

znw. onz., mv. -en. Uit den stam van trekken, 1, 10 of 12) en zeel. Verg. hd. zieh en zugseil. In het alg.: zeel waarmee of door middel waarvan men trekt. B. v. in de volg. toepassingen.
1.  Aan een katrol.
Ductarius funis, een trekseel, wijndtseel datmen doer die een rolle trect,   DASYP. [1546].
Treckzeel dat men door een rolle doet oft aen een wyntaes daermen yet mede trecket,   BERCKELAER R r° b [1556].
  PLANT. [1573].
2.  (Gron.) Jaaglijn.
  TER LAAN [Oldambt, 1951].
3.  (Vogelvangst; Z.-Nederl.) Touw waarmee men het net over- of dichthaalt.
  JOOS [1900-1904].
  CORN.-VERVL. 2094 [1906].
Trekzeel. Bij de Bo springsnaak en springkoorde. Het is eigenlijk met het trekzeel dat men de netten (om vogels te vangen) overtrekt. Heeft men twee deuren, dan brengt men de twee trekzeelen op den vooruit tot eene te zamen,   Volk en Taal 7, 133 [St.-Niklaas, 1895].
+4.  Aan een voertuig en derg.: lijn die de verbinding vormt tusschen den trekker en het getrokken voorwerp.
Trekzeel … Zeel dat men aan eenen kruiwagen spant en waar de eene aan trekt, terwijl de andere de vracht voert,   JOOS 833 b [1900-1904].
— Aen het uyterste eynde des disselbooms worden de treckzelen hangende aen het gareel, gemaect; het zijn dan ketens of riemen,   COMENIUS, Ianua 61 b [1648].
De Rolwage D. is … veeltijts van … Vueren-hout: de ladder of het Gronthout is voor en achter met twee gaten doorboort, daar men vier houte pinnen inslaat; door welke twee achterste de Stuurder den Wage voortdrijft, en aan de tweede voorste, de Trekkers hare trek-zeelen vast binden,   MALLET, Mars 2, 334 [1686].
In het midden heeft dit gevaarte (een stormram) eenige gaten, om de ijzeren pinnen of bouten door te laten, waaraan de touwen of trekzelen werden vastgehecht,   MOULIN, in Overijss. Volksalm. 3, 119 [1837].
Wil men … den werkman, die eene kar voortsteekt, helpen, dan spant men een trekzeel vooraan de kar en een andere werkman spant zich in eenen borstriem en trekt zoo aan de kar om de taak van den voerder te verlichten,   V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. 203 [1897].
Drie man trekken telkens een slee … De trekzeel is om het middel geknoopt,   LAMAN TRIP-DE BEAUFORT, Nansen 31 [1937].
Op een platte kar … hadden werkmenschen … al hun gerief gestapeld … Tusschen de tremiën had één zich zelf ingespannen, een trekzeel over de schouders,   FILLIAERT, Dood v. Nieup. 145 [1938].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1960.