Koppelingen:
Vorig artikel: TUIER II,III,IV Volgend artikel: TUIEREN I
GTB Woordenboeken: MNW

TUIERI

Woordsoort: znw.(m.,o.)

Modern lemma: tuier

TUDDER, TUUR —, znw. m. en onz., mv. -s. Mnl. tu(d)der; mnd. en nnd. tüder (zie D. W. B., ¹Tüder); oudfri. tiader, tieder, nwestfri. tsjur, tsjûr, tsjoar, noordfri. (OUTZEN) tjüdder, tjödder; eng. tether; on. tjodr. no. tjoder, tjør; mde. tyr, tøyr, nde. tøir; zwe. tjuder; ohd. zeotar, nhd. zieter, zitter. Voor mog. verdere verwantschappen, m.n. (b. v.) go. tiuhan, mnl. tien, zie de etym. wdb. — Een oorspr. m. woord, dat in sommige streken (m.n. in Gron., Ov. (GALLÉE) en Geld. (Taalk. Mag. 1, 327) het onz. gesl. kreeg, wsch. doordat de begin-t in voorzetselverb. zonder lidw. als de -t van het werd opgevat. — De vorm met -d(d)- is veroud. of zeldzaam (zie onder 2, a), voor de verspreiding van de vormen tuur en tuier in N. Brab. zie WEYNEN, Taalgeogr. en Interne Taalk. 6 [1951], verder de onderscheiden voorb. hierna.
+1.  (IJzeren of houten) paal al dan niet met inbegrip van de ketting of het touw waaraan vee vastgebonden wordt om het op een bep. stuk grond te laten grazen. In deze bet. in het geheele O. van ons taalgebied, van Gron. tot in Belg. en Ned. Limb., in Z.-Nederl. soms ook westelijker (aldus blijkens de volg. aanh. en de gegevens voor lijst 40, 24A van het Inst. voor Dial. te Leuven). Deze bet. kan ook gelden voor de voorb. in Mnl. W.
+2.  Touw, al dan niet met toebehooren, om vee vast te zetten als onder 1) beschreven.
3.  Door WEIJNEN en V. BAKEL 104 b [1967] te Retie genoteerd voor: stalketting van een paard. Vgl. de volg. aanh.
Tuyer, oft tudder, entranes (l.: entraues; volg. SASBOUT [1579]: ”Voetstricken oft houten ringhen daermen de beesten aen de cribbe mede bindt”),   PLANT. [1573].
Tuyer. Pedica, lorum, loramentum,   KIL. [1588].
Tuyer, voetstricken of ysers aen de beenen der peerden, op dat sy niet weg zoude loopen. Entravers (sic),   Wdb. Ned. en Fr. T. [1764].
+4.  Af te grazen gedeelte weide of anderen grond. Mog. kan tudder in de aanh. uit Westerw. Landr. (zie Mnl. W.) ook aldus verklaard worden.
Tuur, De beesten mut op 't tuur, de beesten moeten getuierd worden,   Overijss. Alm. 1836.
Tuier … Lap gras, klaver, spurrie die een koe rondom zich af kan bijten, als ze getuierd staat,   GOOSSENAERTS [1958].
— Onze koei' staan al 8 dagen op den tuier,   bij GOOSSENAERTS 766 b [1907].
Ze (een koe of geit) het eren töōr al af,   DE BONT 2, 666 b [1958].
5.  Bij KIL. [1958] voor: reeks van aan elkaar gebonden of geknoopte zaken (”series longa rerum connexatum”).
6.  Hetz. als tui (I), 2, a). Alleen aangetroffen bij GROTHE; vgl. echter tuierblok.
Bij het gebruik van den bok bevinden zich de boksbeenen in schuinen stand en worden daarin gehouden door een derde been, dat met een scharnier aan het bokshoofd draaibaar bevestigd is … Wanneer er voor het opstellen van dit been ruimte mocht ontbreken …, dan worden één of twee zoogenoemde tuiertouwen of tuiers aan het bokshoofd gebonden; deze voert men … schuin naar beneden en bevestigt ze op eenigen afstand aan boomen of ingeheide palen. Bij het gebruik van groote bokken kunnen de tuiers niet gemist worden,   Kennis v. Werkt. 86 [1875].
Zoodra de zaag diep genoeg ingedrongen is, drijft men ijzeren of houten wiggen in de snede, die … den boom in de richting, waarin de zaag in 't hout dringt, doen overhellen en omvallen; soms worden de boomen door aan de takken bevestigde touwen (tuiertouwen, tuiers) omvergehaald, wanneer ze ver genoeg doorgezaagd zijn,   Technol. 197 [1879].
7.  (Overdr.) Zie de aanh.
Tuier, 1. rank van de hop (Brab.) … 2. meer bepaald, de onderste uiteinden van de ranken die op den kuil blijven drogen na den oogst,   LINDEMANS, Hopt. [1928].
Samenst. Als tweede lid b.v. in: koe(i)tuier.
Als eerste lid mog. in tuierblok, blok waardoorheen een tuier in de bet. 7) geschoren wordt; gezien het blijkbaar beperkte gebruik van tuier in dien zin, hoort het woord veeleer onder TUIEREN (I), Samenst.
Tuijerblok. Blok, voorzien van 1 of 2 schijven, bij den schrank gebezigd wordende en over welke schijven de tuijerreep geschoren wordt,   aant. v. F. W. J. B. OVERREITH [± 1860].
Tuyerblok. Eenschijfs en Tweeschijfsblok, dienen zamen om de tuyerreep te scheeren,   aant. v. M. J. VAN NIEUWKUYK (?) [artillerie, ± 1860].
Tuierblok, eene lichte soort van takelblok,   KUIPERS [1901].
  V. DALE [1961].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1971.