Koppelingen:
Vorig artikel: TUIER I Volgend artikel: TUIEREN II
GTB Woordenboeken: MNW

TUIERENI

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: tuieren

TODDEREN, TUDDEREN, TUREN —, bedr. en onz. zw. ww. Mnl. tuderen, tuyeren (enz.) (oudste voorb. in tudergerse [1358])); nd. tüderen (enz.). (zie D.W.B., ¹Tüdern); noordfri. tjödere, westfri. tsjurje, tsjûrje, tsjoarje; eng. to tether; on. tjódra, no. tjódra, tjore; mde. ty(th)rae, tyuthrae, nde. tøjre; zwe. tjudra. Van tuier (I). Voor den vorm todderen zie KIL. [1599] en ONTTODDEREN, voor tudderen: PLANT. [1573]; — de vorm turen is vooral oost.; zie verder m.n. onder 1, a, γ); — een bijz. vorm tuygeren is aangetroffen in Handv. v. Amst. (zie onder 1, c), mog. ontstaan onder invl. van tuig (II), 13).
+1.  (Bedr.) Vee in de weide of op anderen grond zoo vastzetten, dat steeds een bep. gedeelte van het land afgegraasd wordt; (vee) vastgezet laten grazen of weiden. Thans met name nog in het O. van ons taalgebied.
Tuieren is het in de weide laten grazen aan een ketting of touw. Soms wordt het dier vastgemaakt met een pin in de grond waaromheen het dier zich dan in een cirkel kan bewegen. Soms wordt een ketting aan beide einden met een pin in de grond vastgemaakt en beweegt het dier zich daarlangs, doordat het met een dwarsketting, die d.m.v. een wijde ring langs deze ketting kan schuiven, daaraan is bevestigd,   Veenman's Agrar. W. P. Encyclop. [1957].
+2.  (Bij uitbr.).
+3.  Oneig.
4.  (Z.-Nederl.) Bij uitbr., wsch. van de bet. 1) door vgl. met het slaan op den tuierpaal: slaan, afrossen. Zie ook aftuieren (Dl. I, Suppl.).
Iemand turen, gemeen spreekw. voor iemand slaan,   SCHUERM. 12 b [1865-1870].
(Tuieren) De secundaire bet. van slaan heeft het woord in de verbinding eróp töōre,   DE BONT 2, 667 a [1958].
Afl. Betuieren, getuier, onttuieren (onttodderen), vertuieren.
Tuier (4), pak slaag, of straf.
Iemand 'nen tuier voortzetten, hem eene straf of kastijding toedienen,   CORN.-VERVL. 1273 [1903].
Samenst. Als tweede lid in: aantuieren (aanturen), aftuieren (afturen), optuieren, overtuieren, vasttuieren, voorttuieren, wegtuieren.
Als eerste lid in:
Tuierbeuker (1), ”teurbökker” (BEZOEN, Twente 120), hetz. als tuierhamer; zie de aanh. onder tuierstaak.
Tuierblok; zie TUIER (I), Samenst.
Tuierboom (1); hetz. als tuierpaal.
Velen doen in den herfst … de spurrie aan een tuurboom afweiden (Barneveld),   Onderz. Landb. 1886, 6, 19 [1890].
Tuierdries (1); vgl. tuiergroen en tuierwei.
Huisweide … (Een weide, al of niet tevens een boomgaard, behorende tot het erf in ruime zin. Men bleekt er de was, tuiert er een koe enz.) … tuierdries,   WEIJNEN en V. BAKEL 184 b [Beverlo, 1967].
Tuiergroen (1), groen dat door een getuierd dier afgegraasd kan worden; zie ook de laatste aanh.; vgl. tuierdries en tuierwei.
Soo wie op imants erve huet met peerden tsij op canten van den coren, raepen ofte spuerie oft braecken daer nog tuyergroen op staet … sal verbeuren enz.,   in LINDEMANS, Landb. 1, 355 [Kasterlee, 1548].
Opdat het vee de weide profijtig zou benuttigen, werd het met de leiband (getuierd) op het groen gebracht. Daarvan de andere benaming, tuiergroen, voor deze weide,   a.w. 1, 400 [1952].
Tuierhamer (zie ald.).
Tuierhout. 1° (2, a; vgl. 2, c) Zie de aanh.
Tuur-hout. Stijl, waar aan de runderen op de stallen gebonden worden,   Dumbar-hs. 48 [1782].
2° (1). Hout dat aan de eene zijde beweegbaar bevestigd is aan een paal, aan de andere verbonden is aan het te grazen gezette dier. Vgl. tuierstok.
Tuurhòolt, hout met beugel, om een dier aan een paal te zetten, met bewegingsvrijheid, aan touw,   SCHÖNFELD WICHERS, Rijssen [1959].
— Tuuren … In Twente zegt men de koene teurnen. Dat geschiedt dus: een teurnstaken word in den grond geslagen, een teurnshout, vier of vijf voeten lang, aan wiens eene end een klaven is, door welken de teurnstaak gedaan is, kan rondom dien staak beweegd worden. In het andere end van dat teurnshout is een ijzeren keten, een teurnsketen vast gemaakt; aan 't end van dien keten is de hospel, welk om het voorste been der koe gedaan en gesloten wordt,   in Dm. Bl. 1953, 20 [Ov., eind 18de e.].
Om het huis heen is alles opgeruimd. Geen ploeg of egge mag (in den Kerstnacht) buiten blijven. De tuurpalen en tuurhouten worden van de spurrieakkers gehaald en in de schöppe geborgen,   HEUVEL, Boerenlev. 302 [voor 1927].
3° (1). Hetz. als tuierpaal.
  CORN.-VERVL. [1903].
Tuurhout, paaltjes, waaraan het vee wordt vastgelegd in de weide,   V. D. HEYDEN [1927].
— Twee karkettings, vier tuurhouten, een bankje,   bij KOKKE, Vel. Papierm. 35 b [1837].
Om hun (de koeien) het grazen niet onmogelijk te maken en hun het losbreken (uit een afgeschutte ruimte) en rondzwerven toch te verhinderen, bevestigde men ze met een teurketten of teunketten aan het teurholt of teunholt,   BEZOEN, Twente 119 [1948].
Tuierketen, tuierketting (1); zie voorb. onder tuierhout 2° en 3° en nog de volg. aanh.
Tuur, een hout, aan welks eene einde een ketting, tuurketting genoemd, is bevestigd enz.,   SWAVING in Taalk. Mag. 1, 327 [Geld., 1835].
Tuierpaal (1), paal, waaraan door middel van hetzij een ketting of een touw, hetzij een hout, een dier te grazen wordt gezet; vgl. tuierboom en tuierstaak. Behalve voor de hierna vermelde plaatsen en streken in Z.-Nederl. (blijkens lijst 40, 24 a van het Inst. voor Dial. te Leuven) vrij alg. in de streek tusschen Schilde en Oostmalle eenerzijds en de Maas anderzijds, verspreid ten W. van de lijn Antw.-Brussel.
Tûrnpaal, paal, waaraan het vee vastgelegd wordt bij het grazen op een akker,   GALLÉE 62 b [1895].
Tuurpaal,   DRAAIJER [1896].
Tüdderpaol, tuierpaol,   DORREN [1918].
Tuurpaol = Paal waaraan de koe staat,   ZWART in E. Volk 2, 239 [Ruurlo, 1930].
Tuurpaol,   BOSCH, Suppl. [1940].
tyyrpeel,   BROEKHUYSEN 37 [1950].
Aan het ander einde (van het tuierhout) is een oog, in den vorm van een' halven cirkel, door het welk men een' paal, tuurpaal geheeten, in den grond slaat,   SWAVING in Taalk. Mag. 1, 327 [Geld., 1835].
  Cat. Kab. v. Landb. Leiden n° 444 [1851].
Den türpaol verzetten, zoodat de koeien nieuw voer krijgen,   Hs. Lett. 1756 [Ov., ± 1900].
Alleen in enkele afgelegen buurschappen zie je in den laten herfst nog de koeien aan het tuur staan op een hoogen bouwkamp … Zoo heb ik voor midden veertig jaar ook de tuurpalen in den grond geklopt, dat het klonk over de stille velden,   HEUVEL, Boerenlev. 244 [voor 1927].
Tuierpag (1); hetz. als tuierpaal; blijkens lijst 40, 24 a van het Inst. voor Dial. te Leuven van in de omgeving van Hasselt tot aan de Maas.
Tuierpin (1).
Tuierpinneken. Bij vogelvangers. Elk van de houten pinnekens die men hier en daar midden in de netten in den grond trapt, om het net vast te leggen,   CORN.-VERVL. [1906].
— Suske (een vogelaar) trapte … eenige tuierpinnekens in den grond, midden in de netten,   VERSCHOREN in Vlaanderen 2, 222 [1904].
Tuierreep (artill.); vgl. TUI (I), 2, a) en TUITOUW, 2). Zie de aanh.
Tuyerreep. Touw (dik in omtrek 0,06) dient om de schrankspieren overeind te houden, wordt ook wel kleine schrankreep genoemd,   aant. v. (?) M. J. V. NIEUWKUYK [± 1860].
Tuierstaak.
1° (1). Hetz. als tuierpaal en tuierboom. Voor het oudste voorb. zie onder tuierhout, 2°. In de voorlaatste aanh. in een uitdr.
  CORN.-VERVL. [1903].
  GOOSSENAERTS [1958].
— Waar spurrie in Overijssel verbouwd wordt, kent men ook turen, tuurstaak en tuurhamer,   Taalk. Mag. 2, 413 [1837].
Aj 't gewend bunt köj wel lieden, dat z'ow en tuerstake op de kop anscharpt = een mensch kan aan alles gewoon raken,   KLOKMAN in Dm. Bl. 1904, 47.
(Het teurholt of teunholt) is een paal, die over de grond kan draaien rondom de teurstaken of teunstaken, die met behulp van den teurbökker of teunbökker (een zware houten hamer) in de grond wordt gedreven,   BEZOEN, Twente 119 [1948].
2° (2, a).
Leidstok voor het paard … (Een houten of ijzeren verbinding tussen het kopstel van het paard en het ondereinde van de dissel) … tuierstaak: tuurstòòk,   WEIJNEN en V. BAKEL 158 a [Bladel, 1967].
Tuierstok (1); hetz. als tuierhout, 2°.
Túúrstok, de stok waarmede men de voorpoot of de hals van het dier aan den paal bevestigd (sic), aant.   [Geld., N.-Br., midden 19de e.].
Turen = vee in de weide aan een paal (tuurpaal), die met den tuurhamer in den grond geslagen is, laten grazen. De tuurstok verbindt den poot van het dier aan den paal,   Nav. 24, 417 [Meierij, 1874].
Tuiertakel (2, a; vgl. 2, d). Zekere soort van takel; zie verder de aanh. en vgl. tuier (I), 6).
Tuiertakel, takel van dun touw en lichte schijven,   V. DALE [1924].
— Het schrankshoofd (wordt) met handspaken of dommekrachten zoo ver mogelijk opgelicht, om den op den grond liggenden takel in een schuinen stand te brengen, en te gelijk de looper van den takel aangetrokken. Maakt men tevens van tuiertakels gebruik, dan kunnen deze ook voor het overeindzetten dienen,   GROTHE, Kennis v. Werkt. 89 [1875].
Tuiertouw (zie ald.).
Tuierwei (1); vgl. tuierdries en tuiergroen.
tuierwei. Gras dat geschikt is tot het afweiden door de beesten,   GOOSSENAERTS [”1900”].
  DE BONT [1958].
Tuierzeel.
1° (1). Hetz. als tuiertouw, 1). Zie ook een voorb. onder TUIER (I), 6).
Voir een tuyerzeell dair onser stadt peerdt in der weyen aen getuyert stondt, gegeven 15 st.,   in Rek. v. Nijm. 5, 184 [1534].
2° (2, a). Bindttouw.
Het vee ging door middel van lange touwen (”tuierzeel” of ”hoorrezeel”) aan elkaar gekoppeld de stal uit,   Brabantia 1956, 1, 17.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1971.