Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: TWEESPALT Volgend artikel: TWEESPAN

TWEESPALTIG

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: tweespaltig

bnw. en bijw. Niet in Mnl., mnd. twe-, twispaldich, -speldich; mhd. zwispeltec, nhd. zwiespältig. Mog. uit hd.; vgl. KIL. [1599] sicamb.
1.  (Innerlijk) verdeeld, niet eensgezind; soms ook: oneenig; in ruzie.
Tweespaltigh, oneenigh, tweedrachtigh,   MEYER, Woordenschat [1688].
— Dat hij in sommighen puncten in sijnre antwoirt tweijspaldig bevonden wardt,   Briev. m. h. Hof v. h. Kwart. v. Nijm. n° 2972 [Overbetuwe, 1555].
(Zekere Jezuieten hebben) onderstaen alhier … heymelicke conventicula toe maicken ende toe halden, ende dairmede etlicke twyspaldige saden toe zayen,   Stadr. v. Nijm. 260 [1555].
Wat magh het baten, als … God zich rust ten strijd, en datmen 't Christendom Als in slaghoorde vind tweespaltigh staen alom, Rijck tegen Rijck gekant?   VONDEL 1, 750 [1620].
Tot het tweespaltigh vaaderlandt (hadt) geen' ander raadt geweest, dan dat het door eenen alleen geregeert werde,   HOOFT, Tac. 6 [c. 1635].
Weet dat gy (echtelieden) na dat gy leeft, Rust hebben sult of derven. … Rust derven: soo gy van 't begin, Tweespaltig wordt bevonden,   SCHAEP, Bloemt. 236 [1671].
Deeze was de baas van de kraal of de rijkste, maar de capiteyn is laatst in den oorlog met de Namnykoa doodgeschooten en zy waaren nu 2 spaltig om een capiteyn op te ligten,   in GODÉE MOLSB., Reizen in Z.-A. 2, 120 [1779].
2.  In tweeën gespleten, zich in twee richtingen splitsend.
Tweespaltich. Fendu en deux. Bifidus,   PLANT. [1573].
— Hy sneed van enen besem, so naast by de hand was, een tweespaltig rijsken (er is sprake van wichelroedeloopers),   BEKKER, Betov. W. 4, 298 [1693].
De tong (van zekeren kleinen leguaan) is 2 spaltig,   in GODÉE MOLSB., Reizen in Z.-A. 2, 96 [1779].
+3.  Van twee soorten, tweeërlei.
Gunt u gunstighe gunst om redenen twee-spaltich Dees arme Pellegrim,   BREDERO 1, 162 [1612].
4.  Zich verzettend tegen een bepaald gezag; weerspannig; oproerig.
We … bleven niet buyten duchten off wy zouden by continuatie dier gerughten … wel eenig peryckel van plightvergeetene, twespaltige en moetwillige menschen onderhavigh weesen,   V. ADRICHEM, Journ. 103 [1662].
Alsoo wij bevinden dat de Vrije ingese[te]nen alhier niet tegenstaende d'zoo menichmael gedane waerschouwingen, en d'daer op g'emaneerde placcaten … echter haer daer tegen zo langs hoe meer beginnen te opposeren, om zo vermetel en tweespaltig aen te stellen dat zich niet ontsien dat enz.,   Kaapse Plakkaatb. 1, 104 [1667].
Die rampzalige Vorst (zekere graaf van Holland) moest tegen zijnen eigen Broeder Zwarte Floris de wapenen opvatten, die met de tweespaltige Westvriezen, Kennemers en Vriezen, als hun Landsheer, ten strijde kwam,   GARGON, Walch. Ark. 2, 335 [1717].
Gae nu hén, tweespaltig dier, Ik jonne u niet eene sier Van myn lekkre kermis-brokken (de god Jupiter tot den luien schildpad),   V. DAELE, Tydv. 16, 11 [1806].
Afl.Tweespaltigheid, hetz. als tweespalt.
Als men de saeck in de Raet gaf, was aldaer oock noch groote tweespaltigheyt, ende teghenstrijdentheyt van meeninghen,   V. ZUYLEN V.N., Plut. 64 b [1603].
Bedroeft en bangh is d'Echte staet, Wanneer twee-spaltigheyt van sinnen, By 't jonge Paer sich vinden laet,   Gr. Hoorns Liedeb. 121 [ed. 1702].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1979.