Koppelingen:
Vorig artikel: TWIJFELZUCHT Volgend artikel: TWIJL
Etymologie: EWA, EWN
GTB Woordenboeken: MNW

TWIJG

Woordsoort: znw.(v.,m.,o.)

Modern lemma: twijg

znw. vr. en m., mv. -en; als collectivum ook onz., en zonder mv. Mnl. twijch (Ts. 24, 245 [Oldenzaal, 1336])); mnd. twīch, nnd. twīg; fri. twiich, ohd. zwīg, nhd. zweig. Daarnaast met abl. oeng. twĭg, neng. twig. Verwant met het telw. twee. Zie verder de etym. wdb. en D. W. B., Zweig.
De niet-gediftongeerde vorm twieg is aangetroffen in oostelijk Nederland en Limburg. Vormen met paragogische -t: twiegt (Salland en Veluwezoom: HEUKELS 222 [1907] en HEUKELS 224 [1907]) en twigt (Urk: MEERTENS e.a., Urk 477 a [1942]). De vorm swiege, die blijkbaar deelgenomen heeft aan de tweede germ. klankverschuiving, is voor het gron. aangetroffen in TER LAAN 1005 b [1929]; zie voorts Mnl. W., Swijch en VERDAM, Gesch. Ned. Taal 218, noot 4 [1923].
Opvallend is dat twijg in de M.E. tot den oostelijken en limburgschen taalschat behoorde (zie Mnl. W.); de dialectgegevens wijzen in dezelfde richting. Zie in dit verband tevens het woord TOEG. In de 16de en 17de eeuw is het woord slechts sporadisch aangetroffen; na den Delftschen Bijbel [1477] komt het woord in de 16de-eeuwsche bijbeltraditie niet voor, hetgeen met name voor de protestantsche, oostelijk georiënteerde vertalingen verwonderlijk is.
+1.  (Jonge,) veelal buigzame, dunne tak, aan of afkomstig van boomen en heesters.
+2.  Als collectivum: verzameling of zekere hoeveelheid van twijgen; teen. Meestal als materiaal beschouwd, en veelal als vakterm. Ook in Mnl. W.
De groote schade die de heet-maeyers daegelycks syn doende in 't eyckenholt ende rysweerden, met het snyden van de jonge loeyen ende twych tot den bant van de heyde,   Geld. Placaetb. 2, 278 [1636].
  Overijss. Stadr. 3, 1, 16 [1659].
Dat wie diergelycken Hout of Onhout (t.w. afgehakt of afgesneden hout) onder sich sal hebben, ten allen tyde … sal gehouden syn … aen te wysen, waer ende van wien hy sulcke Heisters, Twyg ende Hout of Onhout bekomen heeft,   Geld. Placaetb. 3, 310 [1715].
Een mandje van twijg. Un panier d'osier,   HALMA [1729].
Witte Twieg van een Vim,   N. Ned. Jaerb. 1780, 218 [1780].
Is de boom geplant, men binde dan denzelven aan den daarbij geplaatsten paal, met twieg, teenband of met een stroozeel, doch nimmer met touw of eenig ander scherp bindsel,   Nat. Verh. Kon. Maatsch. Wet. 4, 2, 112 [1809].
De eerste hak (van het twijghout) … doet men met twee of drie jaren … Dit éénjarig lot wordt Twijg genoemd,   Verh. Maatsch. Landb. 16, 1, 65 [1821].
Het twijg, dat voor fijner mandenwerk geschikt zijn zal, moet eenjarig, zooveel mogelijk lang en ongetakt, en bovendien zoo dun en gelijk mogelijk zijn,   Vriend Landm. 28, 125 [1864].
Langs veel akkers groeit wat twijg, die voor het dekken der daken gebruikt wordt,   Onderz. Landb. 1886, 13, 17 [1890].
Het vlechten der mandjes is op zichzelf geen ongezond werk, maar des te meer is dit het koken en schillen van de twijg, dat een buitengewoon vieze lucht en damp verspreidt,   Rapporten Huisindustrie 12 [1909].
3.  Als benaming voor een aantal wilgesoorten, die met het oog op het onder 1, b) en 2) genoemde gebruik der jonge loten worden geteeld. Met name in oostelijke dialecten voorkomend; HEUKELS 221-224 [1907] noemt bepaaldelijk Drente, Salland en den Veluwezoom.
Twiig, het wilgensoort om manden van te maken,   HALBERTSMA in Overijss. Alm. 1836.
De twijg (heeft) meermalen te kampen met de rups. Deze kan in den tijd van weinige dagen een geheel veld kaal knagen, en het hout daardoor doen sterven,   Boeren-Goudm. 7, 345 [1861].
De bast van andere wilgsoorten, die onder den naam van twijg bekend zijn, bevat evenzeer salicine en bezit evenzeer versterkende en koortswerende eigenschappen als de bast van de witte wilg,   Vriend Landm. 26, 423 [1862].
Door een klein gedeelte mijner bezitting loopt eene stortbeek, die mij verpligt haar zeer wijde vrije oevers te laten. Deze oeverlanden zijn met twijg beplant als een middel om voordeel daarvan te trekken, maar tevens om het wegspoelen van den grond bij hoogen waterstand te voorkomen,   26, 424.
Afl.Twijgen (I), (bnw.) van twijgen, (van) teenen (vervaardigd).
  WEIL. [1810].
  V. DALE [1872].
— De bodem dreunt, bij 't slaan En stampen (bij den aanleg van wallen); hìèr om 't ruw der kluiten glad te slechten; Dààr om op 't naakte schuin een twijgen dek te hechten,   STARING 2, 86 [1832].
Twijgen (II), (ww.) planten; ook: enten, oculeeren. Alleen aangetroffen in de wdb. van KIL. [1599] tot MEYER, Woordenschat [1805] en in L. TEN KATE, Aenl. 710 a [1723]. Vgl. hd. Zweigen in D.W.B. 16, 1048–1050.
Twijger, struik, heester; spruit, loot. Waarschijnlijk uit den in het mnl. aangetroffen meervoudsvorm van twijch op -er; alleen aangetroffen in MURMELLIUS C j r° [1515], KIL. [1599], MEYER, Woordenschat [1669] en in L. TEN KATE, Aenl. 710 a [1723]. Zie ook onder Twijch in Mnl. W. 8, 822.
Samenst. en samenst. afl. Als tweede lid b.v. in: binnentwijg, binnentijdstwijg, bloembottwijg, buitentwijg, houttwijg, loofbottwijg, natijdstwijg, roostwijg, spiltwijg, spoortwijg, takloottwijg, toptwijg, tuiltwijg, verlengenistwijg, voortijdstwijg, vruchttwijg.
Als eerste lid (soms in den vorm twijgen-, waarschijnlijk heeft in sommige gevallen het bnw. twijgen tot dergelijke samenst. aanleiding gegeven) in:
Twijgafsteker, zekere soort van snuitkever (Rhynchites conicus).
De twijgafsteker (Rhynchites conicus Ill. = Fh. alliariae F.) is 3 mM. lang, donkerblauw met groenen metaalglans, met zwarten snuit en zwarte pooten. Het diertje is geheel met donkere haren bedekt,   RITZEMA BOS, Ziekten Ooftboomen 3, 41 [1905].
In Mei en Juni treft men den twijgafsteker aan op kerse- …, pere-, appelboomen … Een tijdlang schaadt hij alleen door den snuit te boren in blad- en bloemstelen,   Ald.
Twijgbast. 1°. Bast van twijghout als (profylactisch) medicament tegen waterzucht en leverbotziekte bij schapen.
In plaats van hun uitmuntend voeder te geven, gaf hij hun o.a. kleine hoeveelheden gedroogde twijgbast, die in een hoek eener schuur opgehoopt lag en in zijn oog geene groote waarde had. Dit voeder, waarvan hij niets verwachtte, herstelde in korten tijd de gezondheid zijner kudde,   Vriend Landm. 26, 423 [1862].
Eenige voeders twijgbast, nu en dan aan de kudde in de kooi gegeven, zijn een voorbehoedmiddel, hetwelk zich in de vier jaren nog geen enkele maal verloochend heeft,   26, 424.
2°. Bast van (een) twijg(en) als middel om takken en planten vast te binden.
In den tuinbouw bevestigt men daarmede (t.w. met looddraad) de takken der leiboomen en klimplanten, want de looddraden zijn buitengemeen week en buigzaam en voegen zich gemakkelijk naar de takken, zonder die te knellen, zoo als ijzerdraad of twijgbast,   Boek d. Uitv. 2, 2, 234 [1865].
Twijggewas.
  Uit een Courant [1915].
Twijghout, uit twijgen bestaand hout(gewas); bep. als ben. voor een aantal wilgesoorten, die met het oog op het onder twijg, 1, b) en 2) genoemde gebruik der jonge loten worden geteeld.
  KOENEN [1919].
— Soo wanneer … iemand sich quame te verstouten, van, buiten kennisse of wille van den Eigenaer … enige Tuinen, Bomen …, Twyg- en Rysweerden-hout, staende op Kribben, Packwercken of in Rysweerden …, het sy dor of groen te hacken, af te snyden of mede te nemen enz.,   Geld. Placaetb. 3, 309 [1715].
Ik (zal) … met een woord handelen over het zoogenaamde Weerd- of Twijghout, zijnde almede den aard van Wilgenhout gelijk. Dit hout groeit zeer tierig aan de groote rivieren,   Verh. Maatsch. Landb. 16, 1, 65 [1821].
Het waard- of twijg-hout (komt) in aanmerking (voor hakhout), zijnde … eene wilg-soort, die zeer tierig aan de rivieren groeit, waar het jaarlijks door het slib der rivieren gemest wordt,   ENKLAAR, Handb. Landb. 361 [1854].
  Vriend Landm. 26, 424 [1862].
S. viminalis L. Deze Wilg reeds door D. G. … overvloedig langs den Ysel, den Rijn en de Lek, door M. in de wouden van Friesland … en verder op verschillende plaatsen in de duinstreek boven Haarlem … gevonden, draagt met eenige andere soorten de namen van Weerde-, Rijs-, Twijg-, Teen- en Hoephout, en wordt een middelmatig hooge boom of hooge heester met geel-, grijs-, of bruingroene, veelal onbehaarde, rechte roedevormige takken,   OUDEMANS, Flora 3, 109 [1874].
Twijgijzer, grote kromme naald als rietdekkersgereedschap waarmee twijgen om de panlatten geslagen worden.
Het twiegiezer … verricht de functie van een naald, daar het de twijgen, waarmee het stro of riet, met de bandgarden er boven, wordt vastgebonden op de latten, om deze heen helpt buigen,   EBBINGE WUBBEN, Staph. en Rouv. 47 [1907].
Twijgenkluwen.
Exoascus Fries Fam. Exoascaceae … Species of this genus especially, form on different trees: … heksenbezems, heksennesten, twijgenkluwens,   GERTH V. WIJK, Plantnames 531 b [1911].
Twijgland.
  Boeren-Goudm. 7, 344 [1861].
Twijg(en)mand, mand van twijgen (vervaardigd).
  AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
  V. D. VELDE en SLEECKX [1861].
— Het vervaardigen van mandjes geschiedt alleen in huisindustrie en is naar de grondstof in 2 verschillende deelen te onderscheiden: de teenen- of twijgmandjes en de z.g. sportmandjes,   Rapp. Huisindustrie 12 [1909].
Twijgmes, (gewest. in Ov.) (sikkelvormig) mes om twijgen af te hakken of te snoeien.
Hachette, couperet ou grande serpe. Twijgmes,   KOPS, Instr. de l'Agric. 18 [Ov., 1827].
Twijgnet, (litt. t.).
De groote eik, gansch ontbladerd, teekende zijn fijn zwart kanten twijgnet over knoestige takken op den najaarshemel af,   LOVELING, D.E. 203 [1891].
Twijgplanting.
Indien men eene nieuwe twijgplanting tot stand brengen wil, kieze men zooveel mogelijk een min of meer diepen, kleijigen, eenigzins vochtigen, maar niet moerassigen grond,   Vriend Landm. 28, 126 [1864].
Twijgsoort; zie de aanh.
Volgens het tijdstip van ontwikkeling heeft men drie twijgsoorten. Zoo zegt men tegen die welke ten rechten tijde uit lente-scheuten ontstaan zijn, binnentijdstwijgen; tegen die welke te vroeg ontwikkeld zijn voortijdstwijgen, en aan die welke te laat geboren worden, geeft men den naam van natijdstwijgen,   Ts. Antw. Kruidk. Gen. 1866, 120.
Twijgentak; zie de aanh.
De binnentakken bevinden zich op de gesteltakken. Zij zijn in drie soorten verdeeld: Twijgentak …: Vruchttwijgentak … Vruchttak,   Ts. Antw. Kruidk. Gen. 1866, 119.
De twijgentakken bestaan op twee- of meerjarige gesteltakken; zij zijn uit twijgen gesproten, welke, na scheuten en twijgen voortgebracht te hebben, dien naam van twijgentak bekomen. Zij zijn bestemd tot het voortbrengen van vruchten,   Ald.
Twijguiteinde.
In verschillende boomgaarden (hadden) boomen van eenige variëteiten … nogal last van doode twijguiteinden, hetwelk vermoedelijk een gevolg is van de te sterke stikstofbemesting,   Versl. Landb. 1918, 71.
Twijgveld.
Een nieuw aangelegd twijgveld ziet er … uit als een stuk bezaaid land. In het voorjaar beginnen de stikken uit te loopen en komen er kleine blaadjes te voorschijn, en kan men deze zonder tegenspoeden in het volgende voorjaar snijden,   Boeren-Goudm. 7, 345 [1861].
Twijgwaard, (langs de benedenrivieren gelegen) buitendijksche grond met twijg begroeid, rijswaard; twijgaanplant; soms ook: het op de twijgwaard groeiende hout.
  WINKELMAN [1783].
  V. DALE [1872].
Twijgwaard, rijswaard,   PIPERS, Landb.-wdb. [1911].
— (Van bezit aan boomgaarden, dat geen jaarlijksche opbrengst geeft, zal) betaeld worden als het word gehouden en verkocht naer proportie van de Koop-penningen …, het welke ook zal plaets hebben omtrent Akkermaels-bossen, en twygweerden,   Ned. Jaerb. 1750, 765 [1750].
De lastigste en schadelijkste onkruiden (voor twijgen) zijn: de winde en zoogenaamde kleverklas, en wil men zijne twijgwaarden lang in eenen goeden toestand houden, en tevens goede twijg verbouwen, zoo is het wieden of schoonhouden, een hoofdvereischte,   Boeren-Goudm. 7, 345 [1861].
De houtteelt is alleen van belang op de zandgronden en bepaalt zich tot akkermaalshout, eikenbosschen en dennen. Te Nijbroek wordt ook akkermaalshout gevonden. Onder de Nijenbeek … zijn enkele H.A. twijgwaarden,   Onderz. Landb. 1886, 7, 25 [1890].
Twijgwilg, ben. voor een aantal wilgesoorten, die met het oog op het onder twijg, 1, b) en 2) genoemde gebruik der jonge loten worden geteeld.
Geele wilg, Twijgwilg, Salix vitellina, die het best voor wieden geschikt is,   STARING, Huisb. 206 [1862].
Over de teelt van twijgwilg,   Vriend Landm. 28, 125 [1864].
Salix alba var. vitellina … bindwilg …, gele wilg, gouden rijswilg …, teenhout, twijgwilg,   GERTH V. WIJK, Plantnames 1191 a [1911].
Twijgzandkool, zekere plant (Diplotaxis viminea).
  Ned. Plantennamen 20 [1906].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1979.