Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: VELARISEERING Volgend artikel: VELD II
Dialect: WVD, WVD, WVD, WVD
Afbeeldingen: Dodoens1554
Gewestelijke variatie: PLAND
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

VELDI

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: veld

znw. onz., mv. -en, gewest., met assimilatie, vellen (TEIRL. [1922]; TER LAAN [1929]) en velder (CORN.-VERVL. 51 [1899]; HOUBEN i.v. vel [1905]; CORN.-VERVL., Aanh. [1906]; CORN., Bijv. 139 en 256 [1938]). Een vorm met gerekten klinker voor l + cons. — reeds opgeteekend in het mnl.: J. DE HESE, Reisverh. [1398], aangeh. Sp. (oude uitg.), dl. 2, Aant. bl. 46; ook nog Drie Con. 170 a [c. 1450] — vindt men in oostelijke dial. (Rek. v. Nijm. 4, 42 [1527]; GALLÉE XI en § 47 [1895]; HOUBEN § 7, § 9 en blz. 129 [1905]; SCHURINGA § 100 [1923]; TER LAAN [1929]). Verkl.: veroud. en thans nog gewest. veldeke(n) (reeds Eng. hss. 1, 257 [midden 13de e.]; verder b.v. PLANT. [1573]; TEIRL. [1922]; CORN., Bijv. [1938]), en met assimilatie velleken (bij GAILLIARD, Keure v. Hazebr. 5, 336 b [Antwerpen, 1676]; CORN., Bijv. [1938]), thans veldje (b.v. reeds GIRON [1710]; GARGON, Walch. Ark. 1, 173 [1715]).
Onfr. felt, mnl. velt; os. feld, mnd. velt, nnd. feld, felt; ohd. feld, nhd. feld; ozwe. (ur)fiælder m. ”afgescheiden stuk land”, ouder nzwe. fiell ”akkerland”: germ. *felþa- (verg. fin. leenw. pelto ”akker”); naast ofri. feld m. (nfri. fjild onz.); oeng. feld m., neng. field: germ. *felþuz. Skand. vormen als de. felt, zwe. fält, no. felt zijn ontleend aan het mnd. Met ablaut en grammatische wisseling: os. folda, st. (en zw.) vr. ô-st. ”aarde”; oeng. folde, vr. ôn-st.; on. fold, vr. i-st. De germ. woorden zijn met -to-formans gevormd bij idg.pel, pol, pelā-, ”vlak zijn”, waarbij o.m. ook lat. palam ”open, openlijk”, obulg. polje onz. ”veld” (verg. den naam Polen) behooren. Daarnaast ook met n-formans b.v. lat. plānus ”vlak, effen”.
+I.  In de bet. (stuk) vlakke grond, alsmede in metaf. en meton. bet. die zich onmiddellijk hierbij aansluiten.
+II.  In fig. toepassingen van de bet. 1 en 5): oppervlak, vlak, gebied, terrein, ruimte.
Afl.
Veldachtig (zie ald.).
Veldelijk (2) (zndl. lit. t.), tot het platteland behoorend, zoodanig als men daar aantreft, landelijk.
Welk een paradys vertoont aen myn gezicht Zyn veldelyke pracht, zyn lachende landouwen?   LEDEGANCK 23 [1839].
  DE VOS, Vl. Jong. 211 [1881].
Alles scheen nieuw voor Idonia, die in volkomen veldelijke eenzaamheid was groot gebracht,   LOVELING, Idon. 153 [1891].
Veldeling (zie ald.).
Velden (4).
1°. Op het veld te roten leggen.
Velden, te veld gaan; het woord wordt gebruikt om die bewerking van het vlas, in het open veld aan te duiden, en welbijzonder wat naa het rooten geschiedt, in tegenstelling van het werk dat binnenshuis gedaan wordt. Anders niet in gebruik,   Aant. v. A. P. V. GRONINGEN [1854].
2°. (Van duiven) Den kost op het veld gaan zoeken; verg. in dez. bet. eng. to field.
  LIEVEVROUWCOOPMAN [1953].
Veldenaar (2) (dicht.), landman, hetz. als veldeling.
Veldenaar. (Een ond. w.) Zie Landtman,   HALMA [1710].
— Naar 't my toeschynt uit uw grove py en kleêren, Zyt gy een Veldenaar,   BERKHEY, Bat. Ath. 22 [1760].
Veldenij (1-5) (ongew., dicht.), veld, velden.
  BILD. 10, 6 [1785].
Velder (11), vert. van eng. fielder ”one of the side which is in the field”, speler van de veldpartij.
De voortdurende strijd tusschen de velders en honkloopers … maakt het spel bijzonder levendig en aantrekkelijk,   WINKLER PRINS, Encyclop. 9, 411 a [1935].
Hoe kan men genieten wanneer een honkloper (bij honkbal) een snelle ren beëindigt met een fraaie sliding en daardoor een velder juist te vlug af is,   Sportencyclop. 315 b [1951].
Velderij (4) (gewest., veroud.), land, bouwland.
Item tweendertich hondert driendertich roen busch ende velderije,   Landb. Wervick* (Aant. v. GEZELLE) [eind 16de e.].
Veldewaart(s) (zie ald.).
Veldig. 1°. (4-5) In de aanh. vert. van lat. campestris. Reeds mnl. veldich, van velden voorzien (Barth. 499 b [1485])).
Alle deese volken bezitten luttel veldigh landts, voor de rest, bosschen, en kruinen van bergen, en den rugh,   HOOFT, Tac. 502 [c. 1635].
2°. (7-8) Naar lat. campester, krijgshaftig?
Europen is een Veldegen ende mannelicken naem. Gheen Natien des weerelts en hebben oyt ghedaen sulcke Velt-tochten als de Noordersche volcken,   V. SCRIECK 15 [1614].
Veldin (14), imperatieve (?) naam voor een jachthond; verg. hd. Pack-an, Waldin (bij ADELUNG: waldīne).
  BEETS, C.O. 309 [1840].
  HERMANS Jagerswdb. [1947].
Velding (21), verg. mnl. veldinc [1434] ”veld, achtergrond van schilderwerk” en voor den vorm, wellicht ook eng. fielding ”sandy district” [1847].
Zal de Geometry … ooc konnen reden gheven, Ic zegghe in linien, lenghd', distantien en maet Van metingh' dryderley, daer inne sy bestaet? Hoe langh, hoe hoogh, hoe breet, hoe dic en wijt die strecken, Des gronts inhouts begrijp, van veldingh, plaetse en vlecken, Ooc van de dinghen die men corporlijcke naemt?   SMYTERS, Arithmetica B i r° [1609].
Veldsch (1-5) (veroud. of lit. t.), van het veld, tot het veld behoorend.
Rurael, veltsch oft dat den velde aengaet,   V. D. WERVE, Tresoor [1553].
— T'viervoetich veldsch ghediert,   VONDEL 1, 56 [1612].
Al s'Menschen heerlijckheyd, al s'Menschen pracht en roeme, Is niet als gras en hoey, oft als een veldsche bloeme,   VONDEL 1, 152 [1613].
Pallieter en de vent klapten over veldsche zaken,   TIMMERMANS, Pallieter 143 [1916].
Veldwaarts (zie ald.).
Veltjen (1-5) (gewest.), gevormd met het bekende noordelijke k-/tj- suffix. In Gron. — 1°. In het veld, door of langs het land loopen.
  TER LAAN [1929].
2°. Naar 't land gaan om te werken.
  MOLEMA [1887].
  TER LAAN [1929].
3°. Op het land werken; hard voortmaken daarbij.
  TER LAAN [1929].
4°. Flink loopen, hard draven (door het land).
  MOLEMA [1887].
  TER LAAN [1929].
Samenst., samenst. afl. en kopp.
Als tweede lid b.v. in: aardveld, aardappelveld, achterveld, ademveld, akkerveld, ankerveld, bietenveld, bijenveld, bijsterveld, binnenveld, bleekveld, blikveld, braakveld, concessieveld, contrôleveld, draaiveld, electronenveld, exercitieveld, galgeveld, ganzenveld, gehoorveld, gevechtsveld, gewelfveld, gezichtsveld, goudveld, graanveld, grafveld, grasveld, gravitatieveld, haverveld, heideveld, heirveld, hemelveld, hertsveld, hockeyveld, hoekveld, hoofdveld, ijsveld, immeveld, jachtveld, keienveld, klaverveld, kolenveld, korenveld, krachtveld, krijgsveld, langeveld, legveld, lekveld, maaiveld, magneetveld, maïsveld, malieveld, marktveld, Marsveld, middenveld, mijnveld, mijnenveld, nederveld, olieveld, oogenveld, oorlogsveld, pekelveld, pijlveld, polarisatieveld, proefveld, randveld, rapenveld, reukveld, rietveld, rijstveld, roggeveld, rugveld, salpeterveld, schootsveld, schorsveld, serieveld, slagveld, sneeuwveld, spargelveld, speelveld, sportveld, spring-in-'t-veld, spurrieveld, steenveld, steenkoolveld, sterrenveld, stoppelveld, stralingsveld, tabaksveld, tandveld, tarweveld, tastveld, temperatuurveld, tennisveld, tinveld, titelveld, toernooiveld, traagheidsveld, tusschenveld, urnenveld, vectorveld, veenveld, velleveld, vlasveld, vliegveld, voetbalveld, wantveld, waterveld, wisselveld, wolkenveld, zenderveld, zetveld, zijdeveld, zwaarteveld, zwaartekrachtveld.
Als eerste lid in zeer vele samenst. enz. die hoofdzakelijk behooren tot twee groote groepen:
1°. Namen van planten die wild in het veld (in de bet. 1-5) groeien, in tegenst. tot planten die in tuinen gekweekt worden; het eerste lid beantwoordt hier vaak aan lat. campestris, arvensis of pratensis. Bij deze groep sluiten zich aan vele namen van dieren, waarin veld- aanduidt dat het dier zich op het veld (1-5) en niet in huis of binnen de bebouwde kom ophoudt.
2°. Namen van militaire instellingen, bevelhebbers enz., die zich aansluiten bij veld in zijn militaire bet. (7-8), soms met de bijbeteekenis van ”verplaatsbaar, gemakkelijk te verplaatsen”.
Veldaarde (1-5) (veroud.), humus, zwarte aarde.
De veld- of bouw-aarde, die op de (erts)aderen legt,   V. RANOUW, Kab. 3, 337 [1720].
Veldaardvloo (1), kleine, donkere kever met gele strepen, Phyllotreta nemorum (Kath. Encyclop. 23, 252 [1938])).
Veldaffuit (8), affuit voor veldgeschut.
  HEREMANS [1869].
— Kust- en veld-affuiten,   N.-I. Plakaatb. 16, 198 [1810].
De veldaffuiten voor kanons en houwitsers kunnen even goed wang- als blokaffuiten zijn; … in elk geval worden zij van eene as en raderen voorzien, om ook als achterstel van een gemakkelijk beweegbaar voertuig te kunnen dienen,   LANDOLT 8 [1862].
Veldaffutage (8) (veroud.), veldaffuit.
Het draaien der zware naven voor de veldaffuitagiën,   N.-I. Plakaatb. 16, 248 [1810].
Veldafsluiting (2) (België), ”huis of -en, binnen of buiten de bebouwde kom van de gemeente” (KOENEN ¹[1929]-²²[1948])).
Veldahorn (1), Spaansche aak, kleine Duitsche ahorn, Acer campestre L.
  V. DALE [1872].
Zeer moeielijk te splijten: veldahorn, berken, haagbeuken …, iepen,   V.D. KLOES, Bouwm. 4, 190 [1925].
Veldajuin (zie ald.).
Veldalsem (1), wilde averuit, Artemisia campestris L., bij HEUKELS 28 [1907] zonder nadere localiseering.
  V. EEDEN, in Alb. d. Nat. 1866, 1, 45 [1866].
Veldaltaar (zie ald.).
Veldambulance (8).
  DE VLAMING, Tactiek 1, 38 [1888].
Veldanemoon (1), (zndl.) zomeradonis, Adonis aestivalis L.
Adonisroos, Veld-Anemoon, Windkruid …, in 't latijn Adonis,   DE LATHOUWER, Belg Kruidb. 1, 215 [1848].
Veldanemoon (bot.) Adonis,   HEREMANS [1869].
  LIEVEVROUWCOOPMAN [1950].
Veldanjelier (1), bij HEUKELS 86 [1907] voor: ruige anjelier, Dianthus armeria L. en kartuizeranjelier, D. carthusianorum L., in beide gevallen zonder localiseering.
Dianthus barbatus … Dit is de Duizendschoon der Hoven … In 't Latyn heet menze … Armeria … In Duitschland geeft men aan deeze en haare mede-Soorten den naam van Tonner- of Veld-Nagelein, dat is Veld-Anjeliertjes,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 8, 580 [1777].
Veld-anjelier, in 't latijn Cariophijllus sijlvestris, is een kleine zoort van Anjelier, in 't wilde groeijende,   CHOMEL 3796 a [1777].
Veldapotheek (8), vervoerbare apotheek van een leger te velde.
Veldapotheek, … de voorraad van geneesmiddelen, dien men ten dienste van den veldarts in het oorlogsveld medevoert,   WEIL. [1810].
  CALISCH [1864].
  LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
Veldapparaat (8).
De meeste Staten hebben hunne legerafdeelingen van complete verplaatsbare toestellen voor draadlooze telegrafie voorzien. De maatschappij ”Telefunken” vervaardigt ook degelijke veld-apparaten,   V. CAPPELLE, Electr. 1031 [1908].
Veldarbeid. 1°. (4-5) Arbeid op het veld, landarbeid.
  WEIL. [1810].
— Het gebruik van Hoornvee tot den Veld-arbeid, (is) eigenlijk alleen onder Winterswyk, Aalten en Bredevoort doorgedrongen,   KOPS, Mag. v. Landb. 6, 162 [1811].
Een groot aantal arbeiders … (trekken) uit het Westen van Ierland jaarlijks naar Engeland en Schotland …, om daar bij den veldarbeid te helpen,   Versl. Landb. 1909, 3, 104.
2°. (14) Verrichtingen van den staanden hond bij de jacht in het veld (HERMANS, Jagerswdb. [1947]).
Veldarbeider (4-5), minder gewoon dan landarbeider.
  QUACK, Stud. 317 [1884].
G. ging met hangende armen, die loome, rustende armen van den veldarbeider,   LOVELING, Idon. 9 [1891].
  Beroepeninventarisatie 2, 37 [1946].
Veldarmee (8) (veroud.), veldleger.
  VONDEL 1, 399 [1617].
Veldartillerie (zie ald.).
Veldarts (8) (ongew.), officier van gezondheid te velde; sinds WEIL. in de wdb.
Hoplui, luitenants, vaandrigs, veldartsen, veldpapen enz.,   JOESKEN, Zonnefl. 186 [1926].
Veldbaan (4-5) (zndl.), weg door het veld.
  TUERL. [1886].
  RUTTEN [1890].
  CORN.-VERVL. [1903].
  TEIRL. [1922].
Veldbacchante (1).
Ghy weet hoe Orfeus voer … aen Hebrus waterkanten, Omcingelt van het spoock der woênde veldbacchanten,   VONDEL 2, 646 [1627].
Veldbakker (8), bakker bij het leger te velde; sinds WEIL. [1810] in de wdb.
Veldbakkerij (8), bakkerij bij het leger te velde.
  WEIL. [1810].
  LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
Ofschoon bij het Nederlandsche leger geen georganiseerde veldbakkerijen bestaan, bezit het Korps Genietroepen een stel veldbakovens van gegolfd plaatijzer,   Handb. d. Pionierk. 1, 164 [1914].
Veldbakoven (8), oven door de troepen te velde gebruikt voor het bakken van brood (ZWIERS [1920])).
Veldbakoven. Four de campagne. Feldbackofen,   PASTEUR-NOOT, Bouwk. Wdb. [1827].
  LANDOLT 1, 32 [1861].
De verplaatsbare veldbakovens … zijn bestemd, de legers te velde te volgen,   Handb. d. Pionierk. 1, 162 [1914].
Veldbal (I) (11), ben. voor een soort van balspel.
Veldbal (spel) Felderball,   V. GELDEREN [1940].
Veldbal is een schoolbalspel, dat als voorbereidende oefening voor cricket kan worden beschouwd en veel overeenkomst vertoont met slagbal,   Sportencyclop. 615 a [1951].
Veldbal (II) (2), bal in de open lucht, vert. van fr. bal champêtre. Thans niet gewoon.
(Zekere Fransche schrijfster) zegt, dat de pragtigste Bals parés, niets beduiden bij die Veld-Bals, waar op eenige honderd jonge lieden, op effene grasvelden, onder digte schaduwen, bij een koomen,   WOLFF en DEKEN, Geschr. eener bejaarde Vrouw 1, 135 [1794].
  LIEVEVROUW-COOPMAN [1953].
Veldbanier (zie ald.).
Veldbarbier (8).
1°. Heelmeester bij een leger te velde.
  DE WAKKER V. ZON, Overijss. Predikantsd. 1, 281 [1816].
2°. Schertsend voor: maaier.
Het land, zoo vol bevalligheden, Was door de welgemikte sneden Van menig wakker veldbarbier Zoo kaal gelijk en glad geschoren, Dat … Er voedsel stond voor mensch noch dier,   LOOTS, N. Ged. 128 [1821].
Veldbataljon (8).
Veldbataillon. Bataillon de ligne. Feldbataillon,   LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
Alle kanssen zijn voor het uittrekken uwer drie veldbataillons naar Maastricht,   FALCK, Br. 224 [1815].
 Stbl. v. N.-I. 1831, n° 56, blz. 711 a.
Veldbatterij (8), batterij veldgeschut.
Veldbatterij (art.). Batterie de campagne. Feldbatterie,   LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
— Tegenwoordig hebben alle veldbatterijen van alle Europeesche staten … hunne vroegere voet-batterijen in ligte veld-batterijen veranderd,   Boek d. Uitv. 6, 358 [1869].
  DE VLAMING, Tactiek 1, 133 [1888].
Veldbed (zie ald.).
Veldbedrijf (2).
Een … zeer hoog geschat veld-bedrijf is de bijenteelt,   Boek d. Uitv. 2, 1, 335 [1865].
  V. OORDT, Warhold 1, 1 [1906].
Veldbedstede (8).
Een veldbedstede te hoeffdeneynde gesneden,   in Gelre 31, 193 [1556].
Veldbeek (2), waarbij veldbeekbloem.
  MOONEN, Poëzy 18 [eind 17de e.].
Veldbeemd (14).
Kokkerend stuift een fazantenhaan uit de veldbeemd,   Telegraaf 22 Sept. 1929, Ochtendbl. blz. 12 b.
Veldbeemdgras (1), grassoort (Poa pratensis L.), ook beemdgras geheeten.
  V. HALL, Beg. d. Plantk. 55 [1836].
Veldbeemdgras, een fijn rankgevend gras,   Boeren-Goudmijn 2, Versl. 29 [1856].
Veldbewoner (2).
  CALISCH [1864].
— In Vlaanderen en in het Walenkwartier … blijft het geloof aan verschijningen, spoken … en nikkers, bij de veldbewoners … levendig,   SLEECKX 3, 239 [1843].
  EDELMAN, Tiesing 230 [1943].
Veldbezigheid (2).
Dat onder de klassieke veldbezigheid uwe dichterlijke gevoeligheid niet verdampt is,   BAKH. V. D. BRINK, Stud. 3, 181 [1841].
Veldbies (zie ald.).
Veldbij (1) (zndl.).
Mosbie. Bie die in 't wilde in of op den grond en niet in de korven woont. Ook veldbie en wilde bie,   JOOS [1900-1904].
Veldbijvoet (1-5), volksn. voor wilde averuit, Artemisia campestris L.
  V. DALE [1884].
  a. w. [1898].
  HEUKELS 28 [1907].
Veldbiologie (1-5), biologie die in het open veld, door waarneming van dieren en planten, beoefend wordt.
  V. DALE [1950].
Veldbioloog (1).
  V. D. HEIDE en LEBRET, Achter de Schermen 51 [1944].
Veldbleek (4-5).
De gewone of veldbleek is de meest gebruikelijkste … Daartoe is noodig een stuk veld of weiland,   Handw. 24, 31 [1820].
Veldbloem (zie ald.).
Veldblouse (8), militaire blouse.
Veldblouse (mil. khakikleurige blouse met rangonderscheidingstekens op de kraag, met of zonder das),   KOENEN²³ [1951].
— Hij had het nog minder op de twee brutale zonen Baggermans, die in gekregen khaki veldblouses rondliepen,   DEN DOOLAARD, Verj. W. 188 [1947].
Veldboek (zie ald.).
Veldboelin (1).
(Juno) liet de razerny gaen spoocken zonder spraecke, Voor d'oogen en 't verstant der Griexe veltboelin (Io),   VONDEL 11, 331 [1671].
Veldboer (16), boer op ontgonnen heide- of veldgrond, heideboer.
Veldboeren hebben, over 't algemeen, te groot gebrek aan mest,   Verh. Landb. 3, 2, 91 [1784].
Een mest, die op de plaats gemaakt word, en zoo als de veldboeren, op de Veluwe woonachtig, die meerendeels, door hunne schaapen, maaken moeten,   7, 3, 44 [1791].
Veldbok (8).
Veldbok. Chèvre de campagne. Feldhebezeug,   LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
Veldbom (I) (1), in de aanh.: tamboerijn.
De Harpsnaar daagt de Zangstem uit; De Veldbom lokt de Herdersfluit; En zy, de schrale halmen,   BILD. 9, 58 [1808].
Veldbom (II) (8), bij CONSC. voor: projectiel van de veldartillerie.
Er stond eene groote hoeve in volle vlam. Die obitsen of veldbommen der Belgen hadden den brand veroorzaekt,   CONSC., Omw. 25 [1858].
  CONSC., Gesch. mijner Jeugd 68 [ed. post. 1888].
Veldbonk (8), in soldatentaal: veldartillerist.
  V. GINNEKEN, Handb. Ned. Taal 2, 453 [1914].
  E. Volk 1, 291 [1929].
Veldboon (1-5), (zaad van) een peulvrucht, t.w. (van) een verscheidenheid (minor) van de tuinboon, Vicia faba L.
  WEIL. [1810].
  DE BO [1873].
— Boon (kleine); anders ook Veldof Paarde-boonen genaamt; in 't latijn Faba minor vel equina. Deeze koomt in gewas en hoogte genoegzaam overeen met de voorgemelde Groote Boon, behalven dat de bladen, peulen en vrugten of Boonen veel kleinder zijn,   CHOMEL [1768].
  V. HALL, Landh. Flora 60 [1854].
De veldboon (Vicia faba minor), waartoe behoren de wierboon, de paardeboon en de duiveboon. De veldbonen zijn eiwitrijk met vrij hoge zetmeelwaarde,   Kath. Encyclop². 5, 674 [1950].
Veldbosch (14), in het veld of jachtterrein gelegen bosch.
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
Veldbouquet (1-5), bouquet van veldbloemen; ook: bouquet van (gekweekte) papavers, korenbloemen en margrieten.
  V. DALE [1924].
— Rie had een veldbouquet geplukt, en van tijd tot tijd sprong ze van het pad om een boterbloem of een duizendblad aan haar ruiker toe te voegen,   V. BERKEN, Dochters v. d. Gen. 48 [1897].
Een veldbouquet van papavers, korenbloemen en margrieten,   V. SCHAIK-WILLING, Sofie Blank 59 [1934].
Veldbouw (4-5) (veroud.), akkerbouw.
Landbouw; Akkerbouw; Veldbouw; hier door word verstaan die konst of wetenschap, om allerlei Veldvrugten met voordeel te kweeken,   CHOMEL 1734 a [1770].
  WEIL. [1810].
Veltbow en Lantwinninghe,   Titel v. e. boekje v. K. STEVENS en J. LIEBAUT [1627].
De veldbouw is hier niet in gebruik,   IDES, R. n. China 129 [1710].
De Os (is) tot Veld- en Akkerbouw voordeeliger … dan het Paard,   KOPS, Mag. v. Landb. 5, 368 [1810].
  Sleutel v. d. Wijnk. 3 [1869].
Veldbouwer (4-5), landbouwer; alleen in wdb.
Landbouwer; Land-man; Veldbouwer; Akker-man; is een Man, die zich met het bouwen van allerlei Veld-vrugten bemoeit, 't zij alleen, of te gelijk ook met de Vee-fokkerij, zo als wel meest geschied,   CHOMEL 1749 a [1770].
  WEIL. [1810].
  V. DALE [1924].
Veldbrak (14).
1°. Jachthond.
Zing dan … hoe een Haazewind, Of Veld-brak 't schigtig Haas in 't holle leeger vind,   BERKHEY, Rhynl. Wedspel 8 [1766].
2°. (Zndl.) Kind dat veel buiten, in de velden loopt.
  JOOS [1900-1904].
  TEIRL. [1922].
— Vogelzoekers zijn veldbrakken,   JOOS [1900-1904].
Veldbrand (16), heidebrand, steppebrand; reeds mnl. (Etst. v. Dr. 8 [1416])).
Is allsoe duer de vhthemse Immelueden een groten velt brant gemaect tot groten schaden ende pericell des boeschs,   in PLEYTE e.a., Uddel XLII [1621].
Grooten rook wegens Veldbrand,   IDES, R. n. China 107 [1710].
Veldbrandsteen (1), in het open veld vervaardigde brandsteen.
Een steenbakkerij voor veldbrandstenen kwam reeds in de loop van 1908 gereed,   Mijn in Goud 23 a [1952].
Veldbreedte (21).
Veldbreedte, breedte van een veld of vak (meestal volgens de helling van de laag),   Mijnbouwk. Nomencl. 94 a [1949].
Veldbrug (8), gepraefabriceerde brug die door het leger te velde wordt meegevoerd.
  KUIPERS [1901].
  ZWIERS [1920].
Veldbruid (2).
De aangename en jeugdige Lente, uitgestreken als eene Veltbruit met hangende hairlokken, druipende van … reuk- en oogbetoverende vruchtbloessems,   WEYERMAN, Rott. Hermes 13 [1720].
Veldbuis (I) (24), electrisch veld in buisvorm.
Onder een veldbuis verstaan wij een buisvormig gedeelte der ruimte, waarvan het zijdelingsche oppervlak gevormd wordt door veldlijnen en dat verder afgesloten wordt door twee vlakjes loodrecht op de veldlijnen,   SIZOO, in Leerb. d. Natuurk. 216 [1948].
Veldbuis (II) (14), kort jasje, als jagersdracht.
(Mijn dochter) vraagt … in al haar onschuld, of ik haasjes ga schieten, nu ik binnenkom met geweer en tasch, met veldkijker en veldbuis,   Telegraaf 24 Aug. 1943.
Veldbus (8).
Ten strijd! vliegt heen! Lost veldbus en kartouw!   TOLLENS 2, 77 [1813].
Veldbuurt (16).
(Te Harderwijk) was de opbr. (van de rogge) … verschillend; op sommige hoeken bij die stad 25 à 30 m.; op den schralen bouwgrond van Hierde en in de veldbuurten en Ermelo 15 à 16 m.,   Med. Geld. Maatsch. v. Landb. 1869, 111.
Veldchampignon (1-5).
Veldchampignon, Ch. de couche sauvage,   GALLAS [1936].
Veldchirurgijn (8) (veroud.), heelmeester bij het leger te velde.
Veld Chirurgyn, heeft het opzicht over de veldscheerders, inzonderheid wanneer zy gevaarlyke ongemakken te handelen hebben … Hy (moet) zich by veldslagen, aanvallen en ontmoetingen met zyn artzenyen vaardig houden,   HUBNER, Koer.-tolk [1732].
Veldchirurgijn, plattelands-heelmeester; (ook) chirurgijn bij het leger,   CALISCH [1864].
  KUIPERS [1901].
Veldcichorei (1).
Chicoreikruid. Veldcichorei, fr. chicorée sauvage,   DE BO, Kruidwdb. [1888].
Veldcollation (2).
Onze wandeling naar de groote zomertent was niet toevallig; want wy vonden daar een uitmuntend Veldcollation,   WOLFF en DEKEN, Leev. 7, 376 [1785].
Veldcombinatie (1?) (schaaksp.), zie de aanh.
We deelen … in: A. Koningscombinaties. B. Veldcombinaties. De tweede soort van combinaties omvat alle combinaties, welke in het vrije veld plaats vinden en niet in de eerste plaats den koning tot mikpunt hebben,   EUWE, Strategie i. h. Schaaksp. 97 [1935].
Veldcompagnie (8).
Het oogmerk der daarstelling van de Depôt-Bataillons moetende strekken, om de Veld-Bataillons te completeren …, zullen de Veld-Compagniën de sterkte van 119 Man te boven kunnen gaan,   Verz. v. W. v. d. Kon. v. Holl. 7, 282 [1809].
Veldconcert (2), landelijk concert.
Toen de sprinkhaanen een veldkoncert hielden met de kikvorschen,   WEYERMAN, Vrol. Tuchth. 344 [1730].
Hun aandoenlyk gekir, de schelle stem des Leeuwriks enz. … vormen een Veld Concert, waarin het muzikaal gehoor iets vindt, 't welk door gene kunst te bereiken is,   WOLFF en DEKEN, Br. versch. Onderw. 3, 104 [1781].
Veldcypres (zie ald.).
Velddaalder (8), ben. voor zekere noodmunt uit de 16de e.
Zilveren noodmunt van Haarlem (1573), zijnde een heele Velddaelder In het midden, binnen eenen cirkel van paarlen, bevindt zich het Haarlemsche wapenschild, tusschen het jaar 15-73, en omhoog een stempeltje enz.,   DE ROYE V. WICHEN, Middeleeuwsche Munten 21 [1847].
Te Haarlem werden den 14en Juni 1906 eenige zilveren munten gevonden, die men kan aannemen, eeuwen lang te zijn verborgen geweest. Het waren de volgende … stukken …: 1 ' Velddaalder van 1572 met groot wapen van Haarlem en het zilversmidsteeken ”halve maan en ster” enz.,   Tijdschr. v. Munt- en Penningk. 16, 70 [1908].
Velddag (1), landdag in open lucht.
De Velddag zal gehouden worden op 1 September a.s. te de Bilt,   Levenskracht 6, 143 [1912].
Velddelict (4-5).
Het zijn … delicten van geringen aard, die onder dit artikel vallen, al worden zij ook genoemd gequalificeerde strooperij, waaronder … niet bedoeld wordt een jachtdelict, maar de zoogenaamde velddelicten. Bij voorbeeld het gebeurt in sommige streken dikwijls dat de boeren … plaggen halen van een weg gelegen in de heide,   Hand. d. St.-Gener. 1885-'86, Tw. K., 329 b.
Velddeun (1-5) (dicht.), herderslied.
  SEWEL [1727].
Ik … Beloove u in den herfst een veltdeun, en een jong En teder zuiglam,   SCHERMER 194 [c. 1710].
Velddicht (1-5).
Mandra. Ecloga ofte Veldtdicht over de Oversettinghe van de Bucolica van Virgilius, ghedaen, door Karel van der Mander,   V. MIJLL, voor V. MANDER, Bucol. A iij r° [1597].
T'oversetten van de Veldt-dichten Virgilii in Nederduytschen Dicht,   Ald.
  [1597].
Velddief (4-5), strooper, dief van producten van landbouw en veeteelt.
  V. MOOCK [1833].
  CALISCH [1864].
— Dat niemand eens ander mans Vee in de Weiden of anderzins heimelijk zal mogen uitmelken, bij pene dat tegens de Overtreders als Veld-dieven op het rigoureusste zal worden geprocedeert,   bij KOPS, Mag. v. Landb. 2, 413 [1805].
Velddiefstal (4-5), ”gangbare benaming voor stroperij in de betekenis van het Wetboek v. Strafrecht” (FOCKEMA ANDREÆ, Rechtsgel. Handwdb. [1948])).
Velddienst (8) (mil.), dienst te velde; in 't bijz.: veiligheids-, voorpostendienst.
  LANDOLT [1861].
— De graaf S. draagt hem op, de Conferentie oplettend te maken op de overdrevene wapening in Holland. ”Wij zouden al 80.000 man gereed hebben voor den velddienst”,   in R.G.P. 46, 448 [1831].
  MULTATULI 5, 173 [1871].
Exercities …, afgewisseld met … theorielessen over … de velddienst, de garnizoens- en de inwendige dienst enz.,   DE JONG, F. v. W. 137 [1928].
Hierbij ook: velddienstoefening, oefening in den velddienst.
  V. DALE [1898].
— Tegen zijn bed stond z'n geweer, waar nog losse flodders in zaten van de velddienstoefening bij Ede,   DE JONG, F. v. W. 205 [1928].
Velddienstbaarheid (4-5), erfdienstbaarheid die landerijen, onbebouwde erven enz. betreft.
Wy sullen insgelijcx de veld-dienstbaerheden door voor-beelden verklaren, hier toe behooren: Een voetpad, dat is 't recht om te voet te mogen gaen over eens anders land. Een riipad … Een dreef … Een weg … Noodweg … Waterhaling … Waterleiding … Waterlozing te veldewaert,   DE GROOT, Inl. 85 a [1631].
  V. LEEUWEN, R.-Holl.-R. 198 [1675].
  N.-I. Plakaatb. 9, 42 [1752].
Velddier (1-5), dier dat in het veld woont.
  BILD. 2, 361 [1810].
De velddieren hebben zwaardere harten dan holbewoners (haas … en konijn),   IJSSELING en SCHEYGROND, Zoogd. 77 [1943].
Velddieverij (4-5).
  V. MOOCK [1833].
  CALISCH [1864].
Velddisch (1-2), buiten op het veld gedekte tafel.
  TOLLENS 2, 141 [1813].
De Veldheer overnachtte met zijn leger … op het slagveld nabij de kerk van Westende. Daar ontbood hij den gevangen Admirant, en deed dien, uit betooning van eer en onderscheiding bij zich aanzitten aan den velddisch,   BOSSCHA, Held.² 1, 283 [1838].
Velddistel (1-5), volksn. voor een paar soorten van het geslacht Cirsium, t.w. de akkerdistel (C. arvense Scop. = Serratula arvensis L.; zie DE BO, Kruidwdb. [1888])), en de moesdistel (C. oleraceum Scop.; zie HEUKELS 69 [1907], niet gelocaliseerd).
CnicusVeld-Distel. In vochtige Wey-landen en Velden buyten Utrecht,   DE GORTER, Flora Belgica 231 [1767].
Cnicus Oleraceus … Op Bosch-Velden in de Noordelyke deelen van Europa, als ook in Rusland, groeit deeze (distel), die Veld-Distel genoemd wordt, komende ook voor in vogtige Weidlanden en Velden buiten Utrecht,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 10, 490 [1779].
  BERKHEY, N.H. 9, 93 [1811].
  SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 345 [1815].
Velddokter (8).
Veld-doctor. Medicus Castrensis, is een ervaren Geneesheer, in 't Leger, aangestelt, om de zieken van geneesmiddelen te voorzien,   HUBNER-WESTERHOVIUS, Kunstwdb. [1734].
Velddoorn (1-5) (zndl.), gaspeldoorn, Ulex europaeus L.
  DE BO, Kruidwdb. [1888].
Velddraak (7-8) (veroud.), soort kanon.
Van de vierderley Clock-wijse ofte Veldt-draecken haere proportie ende gebruyck,   W. CLAESZ., Bossch. 46 [1641].
Velddragon (1-5), wilde bertram, Achillea ptarmica L.; bij HEUKELS 3 [1907] (zonder localiseering) ook voor: duizendblad, Achillea millefolium L.
Het Loof van onze Veld-Dragon gelykt veel naar dat van de Tuin-Dragon,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 10, 800 [1779].
  CHOMEL, Verv. 1462 [1787].
  WEIL. 6, 79 [1810].
  V. HALL, Kruidt. Middelb. 95 [1871].
Velddressuur (14), dressuur van den jachthond in en voor het jachtveld, in tegenst. tot kamerdressuur (HERMANS, Jagerswdb. [1947])).
Velddressuur. Het gedeelte der afrigting, dat strekt om den hond het noodig appel te geven,   VERSTER V. WULV., Jagtterm. [1857].
— Deze afrigting, welke bij deze soort van honden (patrijshonden) dressuur wordt genoemd, en weder in kamer- en velddressuur verdeeld is, bestaat hierin: dat enz.,   THON, Honden 264 [vert. 1833].
Velddrijfjacht (14), drijfjacht in het veld.
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
Velddrukkerij (8).
Eindelijk kwam het belegeringsgeschut … aan, dat benevens de velddrukkery met veel moeite ontscheept werd,   V. D. HOOP, Renegaat 89 [1837].
Veldduif (zie ald.).
Veldduiker (1-5), volksn. voor de toppereend, Nyroca marila.
Hy (de Anas marila) gelykt naar hetzelve (het Toppertje, de Anas fuligula) grootelyks in Kleur en postuur, en de benaaming van Veld-Duiker toont, dat hy dergelyke eigenschappen hebbe. Hy moet zig dan ook met duikelen geneeren tot het vangen van zyn Aas, dat zekerlyk bestaat in Vischjes, Garnaalen en Water-Insekten,   NOZEMAN, Ned. Vog. 270 [1797].
  SCHLEGEL, Vogels 220 [1860].
In het hooge noorden van de Oude en de Nieuwe Wereld broedt de Toppereend of Veldduiker,   BREHM-HUIZINGA 2, 616 b [1910].
Veldduivel (1-5), < hd. feldteufel (Luther).
De Priester sal … geensins haren offer, nu voortaen den veltduyuelen (Liesv. Bijbel [1526]: den duyuel) offeren, daer sy mede hoereren (Kantt.: Hier worden verstaen Duyuelen die daer rumpelgheesten zijn, ende aen bysunderen plaetsen verschijnen, waerdoor sy Bedeuaert, valsche teeckenen ende beloften aenrichten, ende heeten op … Latijnsch, fauni satyri, &cet.),   Bijbel v. Deux Aes, Leuit. 17, 7 [1562].
Haer oor-ysers hebbense (de Hollandsche vrouwen) soo stijf in de kaken gekneepen, dat gy meenen soud dat eenig Veltduyvel, om haer quaad te doen, de selve van agteren met tongen genepen had,   Ontpl. Holl. 44 [1684].
Velddynamo (24), ”dynamo die den veldstroom levert voor een dynamo met afzonderlijke bekrachtiging” (Electrotechn. Wdl. 24 [1907])).
Veldeereprijs (1-5), ben. voor Veronica arvensis L.; bij HEUKELS 271 [1907] opgegeven als volksn. in N.-Holl. Ook, zonder localiseering, vermeld als ben. voor akkereereprijs, V. agrestis L. en tijmbladeereprijs, V. serpyllifolia L. bij HEUKELS 271 [1907] en HEUKELS 272 [1907].
  V. DALE [1872].
Veronica agrestisVeld-Eerenprijs met eenzame bloemen, hartvormige ingesnede bladen, welke korter dan de omgebogen bloemsteel zijn,   SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 7 [1815].
Te Sappemeer werd de proef genomen op een kamp rogge, die sterk met veldeereprijs … bezet was,   Versl. Landb. 1919, 1, 118.
Veldekster (1-5) (volksn.), tapuit, Oenanthe oenanthe.
Eerdzwalve, soort van kwikstaart. Zie ook Veldakster en Wipstartien,   Dr. Volksalm. 1849, 219.
Veldeekster: (Veluwe) kwikstaartje,   HERMANS, Jagerswdb. [1947].
Veldenergie (24), energie van een magnetisch veld.
  BOSSCHA-WIND 5, 317 [1903].
  MICHELS, in Leerb. d. Natuurk. 603 [1948].
Veldeppe (1-5), ben. voor het plantengeslacht Smyrnium. Door CHOMEL, Verv. [1793] en WEIL. [1810] in de wdb. (nog in KUIPERS [1901])).
Smyrnium. Veld-Eppe. Een langwerpige gestreepte Vrugt: de Bloemblaadjes gespitst en gekield: … Geslagt, waar van vyf Soorten, meest uitheemsche, voorkomen,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 8, 209 [1777].
  SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 135 [1815].
Ook als ben. van de soort S. olusatrum, zwartmoeskervel; bij HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 8, 210 [1777]: Europische veldeppe en Groote Wilde Eppe (op Tessel) genoemd.
Gemeene Veldeppe met drievoudige gezaagde gesteelde stengbladen. Groeit op het eiland Texel,   SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 135 [1815].
Veldequipage (8), uitrustingstukken van een leger te velde.
De veld-equipagie, die voor een aanzienlyke corps Europeesche troupes gereed legt om op de eerste ordres in het veld te kunnen marcheeren,   N.-I. Plakaatb. 8, 511 [1768].
Lijsten en staten betrekkelijk de kleeding, wapens, vivres, fourrages, veldequipages en kazerne-fournituren,   Reglem. Infant. 1817, 6.
Velderf (16).
Het gewone voordeel van hunne velderven (t.w. de bemesting door de schapenmest),   KOPS, Mag. v. Landb. 4, 472 [1808].
Velderts (1-5).
Velderts, ijzeroer,   V. DALE [1898].
— Wy (beschouwen) … de zogenaamde Moeras of Modder-Erts, (Minera Ferri Lacustris) ook Veld-Erts of Yzer-Tuf geheten, daar ik van sprak als een Aardig Okerachtige Tufsteen,   HOUTTUYN, Nat. Hist. III, 5, 125 [1785].
Velderwt (4-5), ben. voor capucijner of akkererwt, Pisum arvense L.
  V. DALE [1872].
  PAQUE, Vl. Volksn. [1896].
  CORN.-VERVL. [1903].
  TEIRL. [1922].
— Het overige van dien grond bezaaide ik met Boekweit, behalve een klein hoekje, daar ik groene Veld-erwten op zaaide: het stroo van deze Erwten werd wel 6 voeten lang,   KOPS, Mag. v. Landb. 4, 492 [1808].
  V. HALL, Landh. Flora 61 [1854].
Gele velderwten,   Versl. Landb. 1916, 3, XVII.
Veldesch (4-5) (veroud.), volksn. voor de lijsterbes, Sorbus aucuparia L.
Qualster- of Lyster-bezien-boom, Haver-, ook Berg-Esch, genaemt; in tegenstellinge van onze gemeene Essen, die eenen laegen vogtigen grond beminnen, en daerom Veld-essen genaemt worden,   DE LA COURT V. D. VOORT, Landh. 202 [1737].
Veldeschdoorn (1-5), Spaansche aak, Acer campestre L.
  BEZEMER [1934].
De Grijze Els, de Iep, de Veldesdoorn en verschillende Populieren vormen … ook wortelbroed,   VEEN, in Hout in alle T. 4, 110 [1952].
Veldeskadron (8).
Veldeskadron (cav.). Escadron de ligne. Feldschwadron,   LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
  PRICK V. WELY, Hulpwdb. [1906].
Veldezel (1).
1° Wilde ezel; reeds mnl. (Hs. Cyrill. 46 r° [c. 1475])).
Onager …, Eenen velt esel. Eenen wilden esel,   SERVILIUS, Dict. Trigl. MM 6 r° [1552].
— Israel is verslonden. Nv is hi geworden onder de natien als een onrein vat, want si opgeclommen zijn tot die van Assur, Ephraim is hem selven, als een enich velt ezel,   Liesv. Bijbel, Ozeas 8 C [1526].
2°. Schildersezel om in het vrije veld te gebruiken.
Wij (waren) elk beladen … met eene vracht van veertig pond, te weten eene groote tasch voor kleederen, portefeuilles, enz. en eene nog grootere schilderkist, wel gevuld met de noodige verwen, enz. en bovendien met een veldezel, schilderstoel, stok en parasol,   BILDERS, Br. 1, 55 [1858].
  LUNS, Schild. m. Olieverf 20 [1940].
Veldfiguur (24), figuur van krachtlijnen in een electrisch of magnetisch veld.
  V. DALE [1950].
— Voorloopig schijnt men het subjectieve, in de, alle wereldgebeuren omvattende, veldfiguur der nieuwste natuurkunde, slechts op den … tijdsordinaat te kunnen projicieeren,   V. RIJNBERK, in Ned. Leerb. d. Physiol. 1, 5 [1942].
Veldflesch (7-8), flesch (thans meestal van aluminium) in een hoes om op tochten mee te nemen (oorspr. bestemd voor militairen te velde).
  V. MOOCK [1825].
  LANDOLT [1861].
— Teun de Jager … nam … de veldflesch om een teug te nemen,   BEETS, C.O. 314 [1840].
In de schaduw van de lindebomen ziet hij L. (een luitenant), die zijn veldfles vult aan de pomp,   ROOTHAERT, Vlam in de Pan 144 [1943].
Veldflint (16), ben. voor groote keisteenen die in de heidegronden van Drente, Geld. en Ov. gevonden worden.
  Arch. v. Ned. Taalk. 1, 362 [1848].
— Een zeer achtbaar gedenkteken der oudheid …; bestaande in een opgeworpen heuveltje, waar in zich een grafkelder bevindt, van agt zogenaemde Veldflinten te zamen gezet,   V. LIER, Oudheidk. Br. 6 [1760].
  Teg. St. d. Ver. Ned. 22, 148 [1795].
  STEMFOORT, Veengr. 129 [1847].
Veldfluit (zie ald.).
Veldgans (1-5).
Veldgans: (Anser) t.o. zeegans (Branta),   HERMANS, Jagerswdb. [1947].
Veldgasthuis (8).
Verthooghende zeer nootsakelyck te zyne, datter een veltghasthuys opgherecht zy, omme de ghequetste soldaten ende die sieck ende kranck zijn, te soulageren, ontfanghen ende gouverneren,   in R. G. P. 41, 371 [1582].
Veldgebloemte (1-5) (dicht.).
  BILD. 10, 461 [1806].
  STARING 2, 61 [1827].
  ESSER, Meeuwepl. 7 [1884].
Veldgebouw (2), voor de gelegenheid opgetrokken rustieke loods.
Dat den eersten dag … een publicq festyn zal werden gegeven in het daar toe opgemaakte veldgebouw op het plein benoorden de Jaccatrasche weg, over de hofstede van den heere Gouverneur Generaal,   N.-I. Plakaatb. 6, 291 [1752].
Veldgebruik, gebruik te velde (8) (Handb. d. Pionierk. 1, 166 [1914])) of in het veld (1-5) (SCHERMERHORN en V. STEENIS, Landmeetk. 96 [1941])).
Veldgedierte (1-5), sinds WEIL. 6, 79 [1810] in de wdb.
Veldgeest (1-5).
Huis-, woud-, veld- en windgeesten,   Biekorf 15, 44 [1904].
Veldgekrijsch (7-8), veldgeschrei.
Alsmen des gulden iaers hoornen blaset ende clinct, … so sal alle dat vole een groot velt ghecrijsch maken, so sullen der stadt mueren in stucken vallen,   Liesv. Bijbel, Jos. 6 A [1526].
Veldgeluid (2), landelijk geluid.
Met welk een hemelsch veldgeluid, Met welk een' toon streelt hy onze ooren, Wen hy zyn zachte herdersfluit Aan 's Amstels groenen zoom laat hooren,   V. MATER, vóór LANGENDIJK 1, ***** 1 v° [1721].
  BILD. 2, 28 [1797].
Veldgeneugte (2), landelijk genoegen.
  BILD. 6, 338 [1802].
Veldgentiaan (1-5), soort van gentiaan, Gentiana campestris L.
Veld Gentiaan met trompetvormige, vierspletige, stompe bloemkransen, welke in de keel gebaard zijn; twee der kelkslippen zijn zeer groot,   SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 111 [1815].
  V. DALE [1872].
  Ned. Plantenn. 26 [1906].
Veldgeoloog (1-5), geoloog die waarnemingen verricht in het vrije veld.
  Staatscour. 2-3 Maart 1928, blz. 6 b. Beroepeninventarisatie 4, 16 [1947].
Veldgepreek (2).
M. En raeckt en past 'et u (Johannes den Dooper) den priesteren te smaên? J. 't Past niemant qualyck quaet te spreken van de quaên … M. Heeft God u dan belast dit muitzieck veltgepreek?   DE DECKER 1, 35 [1656].
Veldgereedschappen (8).
Alle veld gereedschappen, als: tenten, keetels …, houweelen, etc., zullen door d'Edele Compe moeten geleeverd … worden,   N.-I. Plakaatb. 10, 974 [1787].
Veldgerst (1-5), een langs de wegen en in weilanden voorkomende plant, Hordeum secalinum Schreb.
De veld-Gerst of het Roggegras (Hordeum secalinum),   OUDEMANS, Flora 3, 286 [1869].
Hordeum pratense. Huds. … veldgerst,   V. HALL, Kruidt. Middelb. 26 [1871].
Veldgerucht (2), landelijk gerucht.
  ROTGANS, Poëzy 636 [1708].
Even als in 't velt de hazen … Vliên voor den winthont, die, vol vuur door 't veltgerucht, Hen na- en omzet,   HOOGVLIET, Abr. 120 [1727].
Veldgeschal. 1°. (1-5).
  BILD. 6, 318 [1802].
2°. (7-8).
In 't end (van den slag), daar klaterde over 't dal Der Pruissen veldgeschal,   V. LENNEP, Poët. 7, 208 [1853].
Veldgeschenk (4-5), in de aanh.: geschenk bestaande uit wat het veld aan vruchten of vee bezit.
Die eeuwigh rijck, niet hoeft de veltgeschencken Der menschen, maer gedient wort, datze dencken Met danckbaerheit, hoe aller dingen Heer Het alles schiep en voortbroght tot zijn eer,   VONDEL 4, 564 [1645].
Veldgeschreeuw. 1°. (1) Zie de aanh.
Ook zitten … De wilde dieren in haar holen, Het brullen van den ouden Leeuw … Laat zich zo nu en dan eens hooren, By ander vreeslyk veldgeschreeuw,   LUYKEN, Besch. d. W. 83 [1708].
2°. (7-8) Oorlogskreet of -kreten.
Quiritatus … B. Deerlick gheschrey, veltgheschrew,   JUNIUS, Nomencl. 377 b [1567].
  HALMA [1729].
— Wanneer een veld geschreeuw mogte worden gegeven, zal sulks door de capitain selfs … worden uytgegeven aan de poort wagten,   N.-I. Plakaatb. 5, 575 [1748].
  STARING 1, 71 [1827].
Veldgeschrei (zie ald.).
Veldgeschut (zie ald.).
Veldgespan (1-5), al wat leeft op 't veld.
Eer de leste pijl gespilt was, en verschoten, Gaf 't gruweldier (de python) den geest … toen zong al 't veltgespan, En danste, en blies klaroen, en bromde: Iö Pean,   VONDEL 10, 283 [1663].
Veldgespeel (1-5) (dicht.).
Zoo treedt de lieve Lente Op de schouwbaan der Natuur … En, omstuwd van Veldgespelen, Stroomnajaden, Orgelkelen, … Hijgt zy enz.,   BILD. 8, 67 [1800].
Veldgetier. 1°. (1-5) Zie de aanh.
Hoor de schelle Rietvink zingen! Hoor vallei en bosch doordringen Van een rustloos veldgetier,   BILD. 8, 69 [1800].
2°. (7-8) Veldgeschrei.
Cariovalda, (treckt) heen … Te vyandwaert, daer op de Duytschen rughwaert wenden, En vallen op hem aen, stracks maecktme 't veld-getier,   HERCKMANS, Zeev. 102 [1633].
Veldgevecht (7, b).
  ROTGANS, Poëzy 507 [1705].
Veldgewas (zie ald.).
Veldgezang (1-5) (dicht.), bucolische zang, landelijk lied.
  HALMA [1729].
— Mander heeft met vlijt … Eerstmael den wegh … bereyt, Hoe in ons eygen tael ons Landt-volck ooc mach singen, Een lieflijck veldt-ghesangh, end' droefheyt daer met dwingen,   V. MIJLL, voor V. MANDER, Bucol. A iiij r° [1597].
  GARGON, Walch. Ark. 1, * 4 v° [1715].  Verh. Landb. 6, 1, 4 [1789].
  V. LENNEP, Poët. 5, 7 [1826].
Veldgezicht (1-5), gezicht op 't veld, schilderstuk dat een landschap voorstelt.
Op de voorgrond (is) verbeeld een Weg en langs denzelven een Landman, die tien Ossen voortdrijft …: verder ziet men … in 't verschiet een Dorp en aangenaam Veldgezicht enz.,   in Oud-Holland 60, 22 [1773].
Ik ben zeer ingetrokken; het schoone weder, het treffendst veldgezicht … ik zie het alles; maar … zo koeltjes!   WOLFF en DEKEN, Leev. 2, 48 [1784].
Veldgod (1-5), herdersgod; god onder wiens bescherming het (bebouwde) veld staat.
Veldgod. Pan: deus agrorum,   KIL. [1599].
— O ghy velts ende nachtgoden coemt mi nv te hulpe, doer wyens bystant ick (Medea) dicwils … die vloeden ende riuieren in haer plaetsen hebbe doen keeren,   FLORIAN., Ovid. Hersch. 109 b [ed. 1552].
  HERCKMANS, Zeev. 232 [1633].
  BILD. 6, 378 [1806].
Zo kon Lady Chatterley's Lover het boek worden van de leerstellige veld- en bosgod, die het mensdom een fauneske levenshouding wilde opdringen om zelf als faun minder op te vallen,   VESTDIJK, Essays 3 [1942].
Veldgodes (1-5), veldgodin.
  HALMA [1710].
  BILD. 10, 169 [1819].
Veldgodin (1-5), landelijke godin, vrouwelijke veldgod; ook fig.
  HALMA [1710].
Wiens ooge kan gesien onaerdig sonder minnen Het lodderlick gesicht van onse velt-Godinnen, Is eenen plompen uyl,   V. ZEVECOTE 22 [± 1625].
De Veltgodinnen beweenden Dafnis, die zoo deerlyck om hals geraeckte,   VONDEL 5, 53 [1646].
  BERKHEY, Eerb. Proefk. 157 [1782].
Hierbij: veldgodinnendom.
  VONDEL 11, 469 [1671].
  BILD. 3, 101 [1829].
Veldgraaf (2) (gewest.), bestuurder van een maalschap, maalheer.
  V. SCHOTHORST [1904].
— Bennen de veltgraven en gemeene maalen bij maelcanderen geweest in de raeven tot Stroe bij J. E. en de Veltgraaf E. M. drijmaal afgeklopt wat sij veltgraven souden doen om het gemeenebest voor te staan voor 't gemeene maelschap, over het verschil tusschen enz.,   bij PLEYTE e.a., Meerv. LV [1727].
  KOPS, Mag. v. Landb. 4, 63 [1808].
Zoo wel de eene als de andere Maalschap (onder Putten en onder Nijkerk) werd voorheen bestuurd door twee zoogenaamde Veld-graven; dezen werden uit de geregtigden gekozen,   Geld. Volks-alm. 1844, 38.
Veldgraf (4-5).
Doordien … Johan Derk v. d. C. en deszelfs echtgenoote … in den kerkelijken grafkelder te G. waren geplaatst, konden dezen niet, gaande ten doode, in voornoemd veldgraf gevoerd worden,   in Gelre 19, 125 [1789].
Veldgras (1-5).
1°. (Dicht.) Gras(tapijt).
Wanneer ik op tapijt van veltgras, naest haer (een herderin) leggen En haer omhelzen quam,   ANTONIDES 2, 252 [1665].
  BILD. 6, 283 [1802].
  V. LENNEP, Poët. 4, 85 [1847].
2°. Bij HEUKELS 8 [1907], zonder localiseering, als naam van het geslacht Agrostis L., struisgras. Het woord is door CHOMEL 934 a [1769] en WEIL. [1810] in de wdb. terechtgekomen.
Veldt Gras, oft Coren Gras, met schoone seer wtghespreyde aerkens, in Latijn Segetum Gramen, panicula speciosa, latiore: groeydt in 't Coren, ende inde Gerste velden, in verscheyden landen, ende heeft saselachtige wortelen,   DODON. 1001 b [ed. 1608].
Het Veld-gras, Akker-gras, is de derde zoort van beemd-gras van Dodonæus. … Het zelve groeit op de akkers tusschen de graan-gewassen, als mede ook in de weiden,   CHOMEL 934 a [1769].
Veldgrauw (8) (german.), veldgrijs.
  V. GELDEREN [1932].
— Midden het kruispunt van de vier straten verschijnt plots een soldaat-wielrijder. Hij steekt in een veldgrauw pak. De eerste Duitsche soldaat in de streek,   FILLIAERT, Meidagen 138 [1941].
Veldgrens (20).
Concessiegrens, veldgrens,   Mijnbouwk. Nomencl. 10 b [1949].
Veldgrijs (8), (hd. feldgrau) grijsgroen, t.w. als kleur der Duitsche en Nederlandsche uniformen in den eersten en tweeden Wereldoorlog; ook: dat uniform zelf.
  V. GELDEREN [1932].
— Zullen ze (de Duitsche legers) toch door Limburg? neen …, de stroom veldgrijs buigt om de punt van Nederland's zuidgrens,   PHILIPS, Oogenblik 118 [1935].
Een rottig parlementair systeem, dat … de tienduizenden in het veldgrijze pakje het drama liet opvoeren,   VOETEN, Doortocht 145 [1943].
Veldgroen (4-5), bnw. en znw.
De honighby, die last van hitte en kou moet lijden, Kleeft hierom d'enge spleet, en stopt aen alle zijden De naeden van haer huis … met wasch En bloemen vlijtigh toe, en veltgroen lentegras,   VONDEL 8, 255 [1660].
(Jupiter) gaf d'aan 't vuur nog pas onttrokken roof 't Verdorde veldgroen weêr en weggeplonderd loof,   BILD. 3, 104 [1829].
Veldgrond. 1°. (4-5) Bouwgrond, akkerland.
Gaâr wat de veldgrond teelt van 't aangename Lewisham,   BILD. 13, 155 [1805].
  V. LENNEP, Poët. 4, 7 [1847].
2°. (16) (In de oostelijke provinciën) Heidegrond, woeste grond.
  GALLÉE [1895].
  V. SCHOTHORST [1904].
  WANINK [1948].
— De lengte of breedte des heide- of veldgronds, wiens ligging men niet te laag oordeelt om 'er Bouwland van te maaken,   Verh. Landb. 3, 2, 79 [1784].
Veld- of heidegrond,   Geld. Volks-alm. 1844, 38.
Veldhaan (1-5) (veroud.). 1°. In de tweede aanh. vert. van jav. ajam alas, boschhoen.
Sy hebben oock veel ghevoghelte, als Hoenderen, Eynden, Velthanen, Pauwen enz.,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 76 d [1598].
Zijn broeder … sondt ons in zijn aencoemste twee Veldt-hanen aen boort, zijnde van fatsoen als Fesanen,   in ROUFFAER en IJZERMAN, Schipv. n. O.-I. onder Corn. de Houtman 2, 174 [1598].
2°. (Fig.) Hageprediker.
Al eijst dat zij (de hagepredikers) … vande papen gheheeten waren velthanen ofte veltpredickanten,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1, 246 [1566].
Veldhaas (4-5), haas die in het veld leeft; soms bepaaldelijk: haas die in bouwland leeft, tgov. polderhaas, heihaas enz.
  V. DALE [1872].
— Woudman's Jagt-boog, daar men 't Veld-haas meê beloerd,   BERKHEY, Rhynl. Wedspel 45 [1766].
De berg, hei of polderhazen, zijn grooter dan de veld of binnenhazen, die op de bouwlanden en in de bosschen leven,   V. GEFFEN, Jagers-zakboek 49 [1837].
  Ned. Jager 39, 377 a [1934].
Veldhalster (8).
  LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
Veldhalster (krijgsw.) paardenhalster te velde,   KUIPERS [1901].
— De veldhalster dient om bij gemis van den stalhalster het paard vast te zetten of om het teugelgebit daaraan te bevestigen, wanneer dit afzonderlijk gebezigd wordt,   LANDOLT 101 [1861].
Veldhanevoet (1-5), ben. voor de scherpe boterbloem, Ranunculus acer L.
  BOMHOFF [1857].
Veld-HaanevoetRanunculus pratensis erectis acris,   DE GORTER, Flora Belgica 157 [1767].
  SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 243 [1815].
  Nat. Verh. Holl. Maatsch. d. Wet. 14, 181 [1825].
Veldhaver (1-5), ben. voor een grassoort, t.w. Fransch raaigras of havergras, Arrhenatherum M. et K. Bij CALISCH wilde haver (d.i. Avena fatua L.).
Deze Veldhaver (Avena Elatior), hoewel een schadelyk Onkruid onder 't Koorn, is, op zig zelf, een der beste Soorten van Gras, tot Voedzel voor het Vee; … in Duitschland (noemt menze), Fransch Raygras,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 13, 339 [1782].
  WEIL. 6, 79 [1810].
  ENKLAAR, Handb. Landb. 73 [1854].
Veldhaver, Fransch-Raygras, … Bij ons, onder den naam van fromental …, ten onregte ter kweeking aanbevolen,   V. HALL, Kruidt. Middelb. 20 [1871].
Veldheer (zie ald.).
Veldheerschappij (8), heerschappij te velde, opperbevel over een leger; voor de vorming verg. schoolheerschappij (Dl. VI, 385).
  HALMA [1710].
(Anjou) moght voorts hoopen …, voor leevering der beklaauwde steeden aan den vyandt, de veldtheerschappy van 't Roomsgezindt heyr … te bedingen,   HOOFT, N.H. 855 [1642].
Veldheir (8), leger te velde.
Twee gheweldighe Veltheyren van peerdevolck ende voetvolck,   V. SCRIECK 39 [1614].
Veldhek (2) (veroud.), slagboom, sluitboom aan een stadspoort, waardoor men naar het veld gaat.
Van die velthecken. Item dat hecke van der Hoemboerger poerten, dat sall haelden Noermanskamp ende des Welerskamp. Item dat hecke vur die Gruetpoerte dat sall haelden Daem Smytheinenkamp, der Wielrenkamp ende Zweenkamp,   in Versl. Vereen. O. Vad. Recht 3, 373 [Doetinchem, 1558].
Veldhen (1-5) (gewest.), dievegge in 't veld (JONGENEEL [1884])). In Voc. Cop. [1483] vindt men ”velthinne, incuba”, d.i. volgens Mnl. W. veldhoen, patrijs. Verg. veldkip. In Rhein. Wtb. 2, 377 [1931] is feldhenne ”Rebhuhn” en ”einer, der auf Schmiere steht”.
Veldhoed. 1°. (2-5) Tuinhoed, zonnehoed.
Veldhoed. Chapeau de campagne ou pour porter à la compagne,   HALMA [1729].
— (De beschilderde paneelen) geven de volgende embleemen weer …: zevendeelige herdersfluit, … hooihark, kleine zeis, veldhoed etc.,   HOEK, Backershagen 48 [1935].
2°. (7-8) (Veroud.) Krijgshelm.
Veldhoed, krijgshoed. Calotte de fer à l'épreuve du sabre que les soldats mettent sous la coife de leurs chapeaux,   HALMA [1729].
  WEIL. 6, 79 [1810].
  V. DALE [1924].
Veldhoefsmid (2), hoefsmid op het platteland.
  Verh. Maatsch. v. Landb. 14, 2, 69 [1804].
Veldhoen (zie ald.).
Veldhommel (1-5), middelgroote soort van hommel, Bombus lucorum L.
  BENNO, Bijen 43 [1951].
Veldhonk (11), bij veldbal: elk der op het veld uitgezette honken, tgov. het buiten het speelveld gelegen slaghonk.
  Sportencyclop. 615 a [1951].
Veldhoofd (7-8), hetz. als veldhoofdman.
Wy Romeynen bewapenen ons tegens de houaerdigen Princen …, maer niet teghens den verwonnen velthoofden noch gevluchten als ghy (eenCapiteyn vanden Parthen”) sijt,   V. BERESTEYN, Sendtbr. v. De Guevara 2, 53 b [1583].
Veldhoofdman (7-8) (veroud.), legeraanvoerder. Zie in Mnl. W. nog een voorb. uit de 16de e.
Sijn (Sauls) veldthooftman hiet Abner,   Liesv. Bijbel, 1 Sam. 14 G [1526].
  PAULI, Beclag. 2, 672 [1624].
Iahin, der Cananiteren Coningh, en … syn Veldt-hooftman Syssera,   SPRANKHUISEN 4, 17 b [c. 1630].
Veldhoorn (14), jachthoorn.
Vergeefs heft het dier (een hert) den verstervenden kop Nog eens op, En schijnt deernis te smeeken …; Men sleurt het door stof en door struiken als buit, Eu doet al de veldhorens steken,   TOLLENS 1, 70 [1808].
Veldhospitaal (7-8), verplaatsbaar hospitaal tot verzorging der gekwetsten in de onmiddellijke nabijheid van het slagveld, militaire ambulance.
  V. MOOCK [1825].
  BOMHOFF [1857].
— Toen de hulpbenden van den Staat in den Nazomer van den Jare 1744 op eene hooge vlakte naby Ryssel gelegert waren, werden van dezelven weinige en nauwlyks zoo veele Zieken aan de Galkoortsen, en den Roodeloop naar het Veld Hospitaal gebragt, als enz.,   Verh. Holl. Maatsch. d. Weet. 6, 1, 73 [1761].
De ambulances of beweegbare veldhospitalen, die de troepen in alle rigtingen volgen en hunne dienst op het slagveld zelf verrigten,   LANDOLT 1, 170 [1861].
  Marineblad 21, 237 [1907].
Hierbij: veldhospitaaltent.
Per divisie is h.t.l. een veldhospitaaltent beschikbaar. Deze bestaat uit 8 afzonderlijke, onderling geheel gelijke tenten, elk geschikt voor verpleging van 12 tot 14 zieken,   COOL, Pionierk. 1, 141 [1914].
Veldhouwitser (7-8), houwitser die te velde gebruikt wordt.
Veldhouwitser (art.) Obusier de campagne. Feldhaubitze,   LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
Een veldhouwitser, welke aan de kust was geplaatst, werd buiten gevecht geplaatst door vuur van Z. M. 's Cossack,   N. Rott. Cour. 14 April 1940, Ochtendbl. A 1.
Veldhuis (4-5); verg. mnl. velthuus als geslachtsnaam te Deventer [1346].
Men onderscheidt op een tabaksonderneming twee typen van huizen, en wel de permanente huizen op het emplacement en de tijdelijke veldhuizen langs de plantwegen,   GRANSBERG, in Zóó leven wij in Indië 218 [1942].
Veldhut. 1°. (1-5) Hut op het veld, landelijke hut.
Hij wie Warmonds oord verkiez' Mag in mijn veldhut een oprechte gulheid zoeken,   BERKHEY, Eerb. Proefk. 247 [1782].
  BILD. 1, 210 [1804].
2°. (7-8) Tent, legertent.
Het lyk van hertog Karel-de-Stoute (werd) … met het hoofd in het ys vastgevrozen gevonden. Men nam het weg en stelde het, onder eene zwart satynen veldhut, ten toon voor het volk,   CONSC., Gesch. v. België 331 [1845].
  V. LENNEP, Poët. 4, 225 [1847].
3°. (7-8) Legerbarak.
  WEIL. [1810].
  V. MOOCK [1833].
— De Franschen behielpen zich met veldhutten van stroo en riet,   WEIL. [1810].
Veldhuur (4-5), zie de aanh.
Veldhuur. Naam, die somtijds gebezigd wordt om het verhuren van bouwvelden door inlanders onderling te onderscheiden van ”grondhuur” eenerzijds en ”landhuur” anderzijds, welke beide laatste bestaan in een transactie tusschen een inlander en een Europeesche onderneming of Europeaan,   Encyclop. v. N.-I. [1921].
  V. VOLLENHOVEN, Adatr. 2, 285 [1931].
Veldiep (1-5).
  HEUKELS 265 [1907].
Veldiep, wilde iep,   BEZEMER [1934].
— In W. Europa komen drie soorten (iepen) in het wild voor: de veldiep (Ulmus campestris), de bergiep enz.,   Kath. Encyclop.² 13, 930 [1952].
Veldijs (4-5).
1°. IJs op ondergeloopen velden of weilanden.
  V. DALE [1898].
— 't Veldijs is ons wandelpad; Maar, voorzigtig! … Zet ter deeg uw vlugge voetjes, Want de baan is spiegelglad,   TOLLENS 2, 160 [1813].
  Leids Jaarb. 43, 148 [1951].
2°. (5, e) IJs afkomstig van een ijsveld.
(Drijfijs) ontstaat, wanneer in den zomer het veldijs, dat in de Poolstreken door bevriezing van de zee is gevormd, los laat en door wind en stroom wordt weggevoerd,   N. Zoek-licht 2, 373 a [1939].
Veldinstallatie (8), toestel voor draadlooze telegrafie te velde.
Het merkwaardigste onderdeel van deze miniatuur veld-installatie voor draadlooze telegrafie was de electriciteitsbron,   VOGT, Radiolev. 45 [1933].
Veldjacht (1-5), jacht in het veld.
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
— Het is … aan te raden, in den aanvang van het veldwerk, met jonge honden, zoo veel mogelijk, veldjagten te vermijden,   THON, Honden 302 [vert. 1833].
Veldjager (zie ald.).
Veldjas (8).
Het boekje … dat … in den binnenzak van den veldjas wordt medegevoerd,   Kath. Encyclop. 23, 261 [1938].
Hij (een kapitein) zal zijn nieuwe veldjas maar aantrekken, want straks geeft hij theorie over de krijgstucht,   ROOTHAERT, Vlam in de Pan 69 [1943].
Veldjonkfer (1-5), veldgodin.
  VONDEL 2, 547 [1626].
Veldjuffrouw (volksn.), akkerdistel, Cirsium arvense Scop.
  JOOS [1900-1904].
Veldkaars (1-5), ben. voor de silene, Silene L.; de naam is door CHOMEL, Verv. [1793] en WEIL. 6, 79 [1810] in de wdb. terechtgekomen.
Silene. Veldkaars. De onderscheidende Kenmerken zyn, een Buikige Kelk met vyf genagelde Bloemblaadjes, die aan den Keel der Bloem een Kroontje maaken,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 8, 603 [1777].
  SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 193 [1815].
  V. HALL, Kruidt. Middelb. 260 [1871].
Veldkabel (8).
Terwijl nog in 1881 de ingevoerde veldkabel 94 Kg. per K. M. woog, was dat gewicht in 1888 teruggebracht tot slechts 24 Kg. terwijl gelijktijdig de trekvastheid van 82 Kg. tot 250 Kg. steeg,   Tijdschr. v. Posterijen en Telegr. 16, 87 a [1899].
De kabels (voor veldtelegrafie) (worden onderscheiden) in veldkabels, grondkabels en rivierkabels, al naar gelang zij op den grond, onder den grond of onder water gebezigd worden,   Handb. d. Pionierk. 2, 135 [1914].
Veldkaliber (8), kaliber van het veldgeschut.
Vermeerdering der zware veldkalibers, met name de 12 lbrs,   Boek d. Uitv. 6, 360 [1869].
Veldkalk (4-5).
In de veenkoloniën voldoet de bemesting met mosselen steeds minder en wordt daarom thans zeldzamer in praktijk gebragt. Eene proef aldaar met gewonen veldkalk genomen bij ontginning, heeft de beste uitkomsten opgeleverd,   Boeren-Goudmijn 4, 212 [1858].
Veldkamille (1-5), echte kamille, Matricaria chamomilla L.; bij HEUKELS 151 [1907] vermeld zonder localiseering.
Veldkamille, ossenoog,   V. DALE [1872].
  KUIPERS [1901].
Veldkamp (16), (gewest.) akker in het heideveld. Reeds 1345 aangetroffen, t.w. als geslachtsnaam te Deventer.
Dat een veldkamp, op zodanige manier aangelegd, weinig meer dan twee derde gedeelten gebragt kan worden tot die vruchtbaarheid, met welke dezelve ons anders, natuurlyker wyze, zou kunnen verryken,   Verh. Maatsch. Landb. 3, 2, 80 [1784].
Veldkanon (8), stuk geschut dat door het leger te velde gebruikt wordt.
  STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. [1740].
  LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
— Val, als Krajen op een Kreng, al strak aan 't plondren, Indien je 't Veltkanon dan onderwijl hoort dondren, En 't endeloos geknal van snaphaan en muskett,   V. RUSTING, Geh. Duvel 79 [1704].
  Boek d. Uitv. 6, 360 [1869].
  STUIVELING, Onvolt. Verslag 20 [1940].
Veldkant (4-5), kant van 't veld.
  BOMHOFF [1857].
  KUIPERS [1901].
Veldkap (8) (veroud.), soldatenmantel.
Veltcapkens, Abolla,   BERCKELAER L vi r° [1556].
Chlamys, militaris vestis pallio abstrictior breuiorque … B. Een ruyters mantel, een crijchsmans veldtcappe,   JUNIUS, Nomencl. 184 b [1567].
  KIL. [1588].
  HEXHAM [1678].
Veldkapel (I) (1), kapel (I, 6) in het vrije veld.
Dat ze met C. naar het veldkapelleken van Sint-Anneken was geweest,   TIMMERMANS, Pallieter 78 [1916].
  PEETERS, Eigen Aard 201 [1946].
Veldkapel (II) (1-5), in de aanh. als ben. voor een vlinder.
Jurtina. Bruin Zand-Oogje. … Deeze Kapel, die by ons veel voorkomt in de Zandige Weidlanden, wordt van Wilkes de bruine Veld-Kapel geheeten,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 11, 298 [1767].
Veldkapelaan (7-8).
Zijn veldkapelaan (t.w. die van Valdez) was een Nederlandsch geestelijke,   FRUIN, Geschr. 2, 399 [1874].
Veldkaros (2), veldkoets (I).
(Een ontvluchte gevangene) wierd opgewacht Met ingespanne veldkarros: Om … Te jagen over duin en zand,   OUDAAN, H. Broederm. 39 [1673].
Veldkas (8), krijgskas.
  V. MOOCK [1833].
  V. DALE [1950].
Veldkat (1-5), kat die veel in 't veld loopt (CORN.-VERVL. [1903])); verwilderde kat die in het veld wordt aangetroffen (HERMANS, Jagerswdb. [1947])).
  V. VOORST T. VOORST, Jagerst. 165 [1838].
Hoe hij een stroopende veldkat, die zich taai verdedigt, zoodat den hond het bloed bij neus en ooren neerstroomt, zwijgend om zeep helpt,   Jachtklanken, in Telegraaf 31 Dec. 1943.
Veldkees (8) (soldatentaal), veldartillerist.
  E. Volk 2, 305 [1930].
  KOENEN¹ [1937].
Veldkei (16), in zandgrond gevonden kei, zwerfkei.
  ZWIERS [1920].
— Men (vindt) in de heidevelden eene soort van steenen, berg- of veldkeijen genaamd, die vooral in vele dorpen en kleine steden tot bestrating worden gebezigd,   STORM BUYSING, Waterb. 1, 43 [1844].
  V. GIFFEN, Hunebedden in Ned. 2, 15 [1927].
Onder het westelijk deel van den noordelijken schipmuur komen nog een paar veldkeien der fundeering in het gezicht,   OZINGA, Ned. Mon. v. Gesch. en K. VI, 1, 125 [1940].
Hierbij: veldkeibestrating.
  ZWIERS [1920].
Veldkenmerk (1-5), kenmerk waardoor de eene vogel zich in het vrije veld van den anderen onderscheidt.
  V. OORDT, voor BINSBERGEN en MOOIJ, Zien is Kennen 5 [1937].
Het beste veldkenmerk (der ruigpooten) wordt toch wel gevormd door de opvallende inktmoppen bij het polsgewricht en de donkere okselveren, welke sterk contrasteren tegen de lichte onderzijde der vleugels,   STRIJBOS, Vogels v. Strand en Duin 101 [1939].
Veldkerk (2), buitenkerk, in den tijd der Hervorming.
Hoe de ghues een veltkeercke of twee neffens Ghendt was gheconsenteert te maken,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 2, 1 [1566].
Veldkers (zie ald.).
Veldketel (zie ald.).
Veldkeuken (8), keuken van een leger te velde, hetzij een primitieve kookgelegenheid bestaande uit in den grond uitgegraven gaten en sleuven (KOENEN¹¹ [1916]; Kath. Encyclop. 23, 257 [1938])), hetzij een verplaatsbare keukenwagen.
Veldkeuken. Cuisine de campagne. Feldküche,   LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
  V. DALE [1898].
Veldkeuring (4-5), keuring van voor zaaien pootgoed bestemd veldgewas (Kath. Encyclop. 23, 257 [1938])).
De landbouworganisaties hebben tot taak …, de veldkeuringen door vergelijkende proeven der beste gewassen tot hooger peil te verheffen,   Versl. Landb. 1921, 1, 8.
Veldkijker (7-8), verrekijker, oorspr. voor gebruik door militairen te velde.
  KUIPERS [1901].
— De vingeren des konings laten den langen veldkijker geen oogenblik rust,   POTGIETER 3, 60 [1836].
Een zeer nuttig instrument is een veldkijker, waarmede hij (de jachtopzichter) op grooten afstand en zelf verdekt opgesteld, het terrein kan overzien,   Handb. Jachtopz. 4 [1915].
 Voorschr. Inr. Stell. VI (1933), 110.
Veldkikker (1-5), heikikker, Rana arvalis.
  V. DALE [1924].
— De Veldkikker bewoont vooral de noordelijke landen van Europa,   BREHM-HUIZINGA 3, 147 b [1910].
  SMITH, Reptielen 15 [1951].
Veldkikvorsch (1-5), veldkikker.
Veldkip (1-5) (gewest.), veldhoen, patrijs.
— De Uddelsche bijnaam veldkip,   Nav. 30, 358 [1880].
Veldkist (8).
By elck Regiment sal moeten zijn een Veldt-kist, voorsien met noodige Medicamenten, Linnen en andere behoeften, de welcke met kennisse der voorsz be-eedighde Doctoren in de selve Kiste sullen moeten zijn gefurneert,   Gr. Placaetb. 3, 183 a [1673].
Veldklad (4-5) (brab.), veldduif.
Veldkladde, soort van duif die gewoonlijk op de velden haar voedsel zoekt (Br.),   SCHUERM. [1865-1870].
Veltklad, veldduif,   Aant. v. GEZELLE [Diest, ± 1880].
  TUERL. [1886].
  RUTTEN [1890].
  CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
— Uit den klaver vloog een groote vlucht log-zware duiven op … ”Dat zijn de veldkladden van den boer, die ginder woont”,   VERSCHOREN, in Vlaanderen 2, 221 [1904].
Veldklaver (4-5).
1°. Ben. voor klaver, inz. roode klaver, Trifolium pratense L. Bij HEUKELS 257 [1907] vermeld als volksn. op Walcheren.
  WEIL. 6, 79 [1810].
  V. MOOCK [1833].
Veldklaver, weideklaver,   BOMHOFF [1833].
— Klaver met ronde iets Pluizige Hoofdjes, omringd met gepaarde Vliezige Stoppeltjes, en eenbladige Bloemen. Dit is de gemeene Roode Klaver, die men Veldklaver, of ook Varkens-Klaver, in onze Provinciën noemt,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 10, 292 [1779].
Ook als naam van de soort T. repens L., witte klaver (DE GORTER, Flora VII Prov. Belg. 195 [1781])) en T. campestre Presl. of T. procumbens L. (V. HALL, Landh. Flora 52 [1854])).
2°. Hopklaver, Medicago lupulina L.
  Verh. Holl. Maatsch. d. Weet. 19, 2, 16 [1780].
Geele Veld-Klaver met kleine hoofdjes,   DE GORTER, Flora VII Prov. Belg. 198 [1781].
  V. HALL, Kruidt. Middelb. 344 [1871].
Veldkleeding (8).
Veldkleeding. e field-dress. f tenue de campagne,   PRICK V. WELY, Hulpwdb. [1906].
— Ten behoeve van de veldpolitie (wordt) de volgende veldkleeding vastgesteld: … een jas van grijsgroen of khakikleurig drill enz.,   Stbl. v. N.-I. 1921, n° 526.
Veldklok(je) (1-5), ben. voor versch. soorten van klokjes van het geslacht Campanula L.
Planten …, die altoos de eene of andere Plant gaarne vergezellen, als de Klimop, de Olm, de Hop, en de Witte Veldklokken, de Elzen-Boomen,   Verh. Holl. Maatsch. d. Weet. 8, 2, 154 [1765].
De kleine Veldklokjes of Vrouwenspiegel, met langwerpig gekartelde, doorgewasse hertvormige en langwerpig gekerfde blaaden en met purperblaauwe en witte kleine of groote Bloemen,   Burgerthuinb. 330 [1768].
Zyn mesthoop bestaet uit de ontwortelde planten van Okulei, Pioen, Tuiltje, Vingerhoed, Violier, … Veldklok (voetnoot: Campanula) enz.,   CONSC., Avondst. 124 [1846].
Hierbij: veldklokjesbloem, in de aanh. voor venusspiegel of spiegelklokje, Specularia speculum D. C.
De kleine Veld-Klokjes-bloem, doorgaans Vrouwenspiegel of Venusspiegel genoemt, met langwerpige gekertelde bladjes; Campanula pentagonia,   CHOMEL 1527 [1770].
Veldknaap (1-5), dicht.
1°. Herdersjongen.
Hier zult gy hooren, 't geen gy nimmer by de klingen, Of digte bosschen door een Veld-knaap hoorde zingen,   BERKHEY, Bat. Ath. 22 [1760].
Jupyn …! Hebt ge op een arendsvlerk geen' veldknaap weggeroofd?   BILD. 4, 258 [1790].
  BILD. 1, 215 [1804].
2°. Boerenjongen.
Een veldknaap ben ik en niet meer, Die geen beschermers vinde,   V. LENNEP, Poët. 12, 94 [1833].
Veldkneeker (1-5), wvl. ben. voor een soort van kneu.
De veldkneeker is noch Duinekneeker noch Sterrekneeker,   DE BO [1873].
Veldknoflook (1-5), ben. voor een soort van look; volgens V. DALE [1898] Allium vineale L., kraailook.
Den Veldtknooploock is met bladeren, stelen, bloemen, ende saet den tammen Loocke gelijck, nochtans sijn alle dese cleynder, dan aenden gemeynen Loock. De wortel en crijcht geen clysteren,   FUCHS, N. Herb. N ij v° [1543].
Veldkoelie (1-5), koelie die op het veld werkt, inz. op de tabaksplantages.
  Econ.-Hist. Jaarb. 5, 14 [1905].
  SZÉKELY-LULOFS, in Zóó leven wij in Indië 58 [1942].
Veldkoets (I) (2 en 8) (veroud.), koets die op het platteland wordt gebruikt (V. MOOCK [1846])); en: oorlogskoets, veldheerskoets (CALISCH [1864])).
Veldkoets, welk woord … een bijzonder slag van rijtuig aanduidt,   WEIL. 6, 82 [1810].
— Op het versoeck van de Burgemeesteren, sijn alle de Speeljachten … op het Ye onder zeyl geweest …; het wijde water vanden Ye-stroom was bedeckt met dese Amsterdamsche Carossen, waer van de minste in kosten, in 't ooch, ende onderhoudinge, de beste veldtkoetsen verre braveerden ende te boven gingh,   V. AITZEMA 5, 340 [ed. 1660].
Veldkoets (II) (8) (veroud.), veldbed; tot en met KUIPERS [1901] nog in wdb. vermeld.
Veldtkoetse, oft ledecant. Vn lict de champ. Lectus viatorius,   PLANT. b 2 r° [1573].
— In de plaetse van 't lijt-de-campt van eijcken houte mit zijn ijseren vijsen, 't welk gesteld is in de cleijn stoove, in de plaetse van dien een ander nijeuwe veltcoetse gesteld (uit inventaris kasteel Vredenburg),   in Utr. Volksalm. 1863, 110 [1541].
  V. LINSCHOTEN, Itiner. *** 6 [1596].
Op een cierlycke veltcoetse, gedect met root ende groen fluweelen cleden,   in IJZERMAN, Reis v. O. v. Noort 2, 127 [1601].
Veldkoffer (8), koffer voor officieren te velde.
Zy (twee officieren) (leidden) het dus mishandelde Lichaam (van een vermoorde) in hun Valies of Veld-Koffer,   Ned. Jaerb. 1747, 70 [1747].
Hij (een reserveofficier) draagt … den zwaren veldkoffer naar den zolder, legt er zijn uitrustingsstukken en zijn uniformen in,   ROOTHAERT, Vlam in de Pan 207 [1943].
Veldkoks (1-5), in het barg. van de Groenstraat (Ubach over Worms): patrijs.
  N. Tg. 18, 189 [1924].
Veldkomijn (1-5), ben. voor de karwij, Carum carvi L.
  WEIL. 6, 79 [1810].
Velt comijn met wijn ghedroncken is seer goet … als die orine onwillens wt loopt,   Den groten Herbarius D iv r° a[1514].
Anderen noemen het (”Carum Carui”), met Bauhinus, Veld-Komyn, om dat het wild groeit in de Velden, niet alleen der Noordelyke deelen van Europa (gelyk Linnæus zegt), en in die van onze Nederlanden; maar zelfs in Languedok en Provence,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 8, 218 [1777].
Veldkomkommer (1-5), ben. voor de springkomkommer, Ecballium elaterium Rich. (of agreste).
  V. HALL, Kruidt. Middelb. 248 [1871].
Veldkonijn (1-5), wild konijn.
  V. MOOCK [1833].
  V. DALE [1914].
Het schuwe veldkonijn,   ESSER, Licht en Sch. 77 [1874].
Veldkonstabel (8) (veroud.).
Veldconstapel. Adjudant van de Artillerye. Is een Krygs-bediende by een Leger die den Opperbevelhebber of hoogste Krygs-Amptenaar bystaat, doordien deese hem gebruikt tot verzending en uitvoering zyner bevelen,   BUYS, Wdb. v. K. en W. [1778].
— In 't oprechten vande Batteryen sullen (Constabels ende Canoniers) wel letten op de bequaemheyt vande schiet-gaten …: Daer van oock insonderheyt die Velt-constabel sijn werck sal maecken,   Gr. Placaetb. 2, 337 [1599].
Veldkooi (zie ald.).
Veldkool (1-5), in V. DALE [1872] en volg. en KUIPERS [1901] zonder definitie.
Brassica campestris. … Onder de naam van Veld-Kool met Bladen van Doorwas komt deeze, zo in onze Nederlanden als in andere deelen van Europa, als ook in Rusland, voor,   CHOMEL, Verv. 4307 a [1791].
Koolzaad. Veldkool,   LIEVEVROUWCOOPMAN [1950].
Veldkoorts (1-5).
Sedert korte tijd heeft men in ons land aan deze ‘leptospirosen’ nog toegevoegd de veldkoorts (modderkoorts), waarvan het smetstofreservoir zich in de veldmuizen bevindt,   E.N.S.I.E. 7, 25 b [1950].
Veldkoraal (1-5) (dicht.), landelijke zanger, d.i. vogel.
Vóór de eerste morgenstralen Heeft zij (de lente) de ontwakende zonne begroet, Met den zang der veldkoralen,   MERCELIS, K. Harp 88 [1889].
Veldkornet (I) (8), in Z.-Afrika tot het einde van den Boerenoorlog: in vredestijd hoofd van de militie die tevens belast is met de orde in een wijk; in oorlogstijd commandant van de militie, ongeveer kapitein of ritmeester in Nederland (BLOEM e.a., Bekn. Afrik.-Ned. Wdb. [1947])).
Dingsdag den 5de April des morgens tegens 8 uuren reeden wy in gezelschap van den veldcornet Otto weg,   in GODÉE MOLSB., Reizen in Z.-A. 4, 102 [1803].
Veldkornet (II), jachthoorn.
Toen de opgezeten ridderstoet, Den … reebok op het spoor, Zich in het digte woud verloor, Om … Het dier te vellen in zijn vlugt, En dan, tot een herkenningsteeken, Den schellen veldkornet te steken,   V. ZEGGELEN 2, 4 [1840].
Veldkorporaal (8).
Nu Mijn heer soo dient mijn ootmoedig versoek om kruijt En loot: met dese jongelingen Meede te sinde Die jk mijn Heer op sint om haarluij Eet af te legge soo hebbe jk jacobus Dewet als velt corpraal daar bij aan gestelt: om mijn de Amoonietsie wel te besorgen,   in Kaapse Taalargief 2, 9 [1781].
Veldkost (1), (Z.-Afr.: veldkos) voedsel bestaande uit eetbare planten van het ”veld”.
Omdat ze (zekere Hottentotten) zig meest met wildschieten en veldkost geneeren worden ze Chaboup of Bossiesmans van de Namocq: genoemt,   in GODÉE MOLSB., Reizen in Z.-Afr. 2, 83 [1779].
Veldkraag (7-8).
Als Cadmus … sach dat zijn gesellen metten watere noch niet thuys en quamen, wert hi seer verwondert, ende wilde gaen besien waer datse henen bleuen. Dus nam hy met hem zijn velterage (die welcke gemaect was van leeuwen huyt) zijn schichten, ende zijn lancie,   FLORIAN., Ovid. Hersch. 40 b [ed. 1552].
Veldkraai (7-8), in de aanh.: veldkreet, leus, wapenspreuk.
Dat hy gevoerd wierd op eene pronk-kar, met goude letters voor Veld-kraey voerende: Nimium ne crede colori,   V. DAELE, Tydv. 26, 12 [1806].
Veldkrachtstroom (24).
Veldkrachtstroom of magneetkrachtstroom. De krachtstroom, die de magneten ontwikkelen, gesplitst in (veld)hoofdkrachtstroom en (veld)lekkrachtstroom, naar gelang hij al of niet door de ankerkern gaat,   Electrotechn. Wdl. 33 [1907].
Veldkrakeel (1-5), woordentwist in het open veld.
  VONDEL 3, 788 [1640].
Veldkreet (7-8), oorlogskreet.
Veldkrekel (zie ald.).
Veldkriek (1-5) (veroud.), veldkrekel.
Veldkriek; stapel. Cigale,   MARIN 489 b [1730].
Veldkromme (24), kromme die de verandering der veldsterkte langs de polen van een dynamo aangeeft.
  Electrotechn. Wdl. 38 [1907].
Veldkrop(pen) (1-5), veldsla, Valerianella olitoria Poll.; nd. feldkrop (TEN DOORNKAAT KOOLMAN [1879])).
Veld-kroppen. Phu minimum,   KIL. [1599].
Veldkrop, znw., m. Soort van salade,   CORN.-VERVL. [1903].
VeldtcroppenPhu minimum alterum … Dese plante wordt Velt-crop ghenoemt, om dat haer bladers als die eerst wtspruyten dien vande ionghe Latouwen oft Endiuie gelijck zijn, ende ghelijck de Latouwen inde Vasten ende winter voor salaet gheten worden. … De bloeme ende wortel zijn dien van Montpelliers cleynste Valeriane ghelijck. … Tis in Brabant wel bekendt onder den naeme van Velt-croppen,   DE LOBEL 1, 874 [1581].
Wit moes oft Veltcroppen is een neer ende leeg cleyn cruydeken, de eerste wtspruytende Tamme Lattouwe van grootte, ghedaente ende verwe seer gelijc,   DODON. 1096 b [ed. 1608].
  V. HALL, Landh. Flora 108 [1854].
  OUDEMANS, Flora 2, 183 [1869].
Veldkruid (1-5).
Wy (hebben) op het landt noyt eenighen boom ofte plandt … connen vinden, dan alleenlicken of plaetsen, gras, ende veldtcruyderen,   V. LINSCHOTEN, Reizen n. h. N. 94 [1594].
Het veldkruyd verdroogt, zyne bloeme valt af, en verliest den luyster van haere schoonheyd,   Epist. en Evang. 499 [Gent, 1768].
  HOFDIJK, Verspr. Ged. 1, 162 [1853].
Veldkruidkers (1-5), soort van kruidkers, Lepidium campestre R. Br.; bij HEUKELS 138 [1907] zonder nadere localiseering. Dit berust wsch. op HEIMANS en THIJSSE, Flora 195 [1899].
Veldkruis (4-5), kruis opgericht langs velden en wegen of aan een huis langs den weg.
  Kath. Encyclop. 23, 257 [1938].
Een ander soort veldkruisen zijn de moordkruisen. Deze werden op die plaatsen opgericht, waar een moord gepleegd was, met de bedoeling den voorbijganger eraan te herinneren, dat de ongelukkige ook zijn gebed noodig heeft,   V. OORDT, in TEENSTRA, Ned. Volksk. 243 [1941].
Veldkruisdistel (1-5), andere ben. voor de kruisdistel, Eryngium campestre L., blijkbaar ter onderscheiding van de zeekruisdistel.
  MERIAN, Europ. Insecten 45 [1730].
Eryngium Campestre. Veld-Kruisdistel. Deeze vindt men op woeste plaatsen, in de middelste en de Zuidelyke deelen van Europa. Zelfs in onze Nederlanden groeit het Gewas aan onze Yssel- en Lek-Dyken, als ook te Muiderberg en elders, overvloedig,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 8, 8 [1777].
Veld Kruisdistel … Groeit langs de dijken bij Loosduinen, Utrecht en in Gelderland,   SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 121 [1815].
  V. HALL, Landh. Flora 87 [1854].
Veldlaars (4), laars om mee in 't veld te loopen.
  KUIPERS [1901].
Veldlager (8) (veroud. en gewest.), legerplaats, kamp te velde.
Hinrick O. heft 4 scharpentiners mit artelerye ynt veltlagher … ghevoert,   in BLOK, Rek. Gron. 277 [1536].
Veldlakensch, ongewoon voor: lakenveldsch; zie verder LAKENVELDER.
Veldlakensche koe,   V. DALE [1898].
Te Koop: 6 Veldlakensche Hokkelingen, waaronder 1 Stier. Te bevragen bij R. Dijsselhoff te Bergen, N.-H.,   Advertentie [c. 1900].
Veldlamp (8).
Het is voor mij … van een werkelijke belangrijkheid, dat het lampeglas in het bivak te Z. … gebroken is, zoodat ik nu weer aangewezen ben op veldlamp, die uitgaat als je 'm opdraait en walmt als je 'm aansteekt,   DU CROO, in Zóó leven wij in Indië 273 [1942].
Veldland. 1°. (4-5) (Veroud.) Akkerland, bouwland. In deze bet. reeds mnl. (Bouc v. d. Audiënc. 192, 416 [1371])).
Het veldland, dat ik (op Sumatra) gezien hebbe, heeft een zwarte, grauwe, roode en diepe aard-grond,   V. RANOUW, Kab. 1, 535 [1719].
2°. (4-5) (Veroud.) Weiland.
Dat in dit eiland veele zeer ruime veldlanden zyn, die veel groot en klein vee, en voor al buffels geven,   VALENTIJN, O.-I. I, 1, 152 b [1724].
3°. (16) Weiland op de heide.
De veldlanden, waarop in het waterjaar alles verzopen scheen of door te laat hooien weinig gras verwacht kon worden, waren reeds vroeg voor haver, paardenboonen en garst gereed gemaakt,   Med. Geld. Maatsch. v. Landb. 1869, 153.
Veldlangpoot (4-5).
Tipula pratensis … De Gras- of Veldlangpoot … Kenteeken. Voor aan den kop donkerrood; het borststuk bont … Woonplaats. Veel in de graslanden en velden,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. d. Wet. 14, 417 [1825].
Veldlathyrus (1-5), een der soorten van lathyrus, t.w. L. pratensis; door HEUKELS 136 [1907] vermeld als volksn. voor W.-Friesl.
Veld Lathyrus met veelbloemige bloemstelen, tweebladige, zeer enkelvoudige, klaauwiertjes, lancetvormige vinblaadjes en pijlvormige stoppeltjes,   SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 315 [1815].
  Boeren-Goudmijn 1, 376 [1855].
  E.N.S.I.E. 10, 763 b [1952].
Veldlatuw (1-5), mnl. veltlatuwe, reeds Hs. v. 1348, 121 d.
1°. Ben. voor veldsla, Valerianella olitoria Poll.; bij HEUKELS 269 [1907] zonder localiseering.
Veldlatuw,   WEIL. 6, 79 [1810].
Veldlatuw, vetteke,   BOMHOFF [1857]  (1846 geen defin.).
2°. Wilde sla, Lactuca scariola L.; bij HEUKELS 132 [1907] zonder localiseering.
Veldlatuw, wilde latuw, veldsalade,   V. DALE [1872].
  KUIPERS [1901].
Veldlazaret (8) (< Hd.), veldhospitaal.
  V. MOOCK 1, 550 b [1825].
  CALISCH [1864].
  KUIPERS [1901].
Veldledikant (8), veldbed.
Een nieuw veltledicant …, daertoe een carmosijn root satijn damast behangsel,   in Oud-Holland 47, 261 [1634].
In de alcove van deese kaamer; een rood zydveldledikant met zijn toebehooren,   bij MULLER en VOGELSANG, Oud-Holl. Huis 37 [midden 18de e.].
  DE WAKKER V. ZON, Steenb. Fam. 1, 1 [1806].
Hierbij: veldledikantbehangsel.
Veldleeuwenbek (1-5), ben. voor een soort van leeuwenbek, Antirrhinum; volgens HEUKELS 24 [1907]. — echter zonder localiseering — het rood leeuwenbekje, A. orontium L.
De groote Veld-leeuwen-bek; Antirrhinum arvense majus … groeit … met dunne lange takjes en veele kleine smalle bladjes,   CHOMEL 1799 a [1770].
Veldleeuwerik (zie ald.).
Veldleger (zie ald.).
Veldlegering (8), (niet alg.) legering te velde, kantonnement.
Campement, legering, veldlegering, een ruime vlakke landstreek, daar een leger zyn tenten opslaat, om in te huisvesten, en word zulks in zekere quartieren en straten verdeelt,   HUBNER, Koer.-tolk [1732].
  V. MOOCK [1846].
Veldlegering, inlegering ten platten lande, kantonnement,   CALISCH [1864].
Veldlelie (1-5), volksn. voor een soort van winde, t.w. akkerwinde, Convolvulus arvensis L. of haagwinde, C. sepium L.
  WEIL. 6, 79 [1810].
  V. MOOCK [1846].
Veldlelie, soort van wilde lelie,   BOMHOFF [1857].
Veldlelie. Te Vlamertinghe. Id. als Koornwinde,   PAQUE, Vl. Volksn. [1896].
Opm. Ook als ben. van de Turksche lelie, Lilium Martagon L. (V. D. VELDE en SLEECKX [1861]; V. DALE [1872])), en van het lelietje van dalen, Convallaria majalis L. (CALISCH [1864]; HEREMANS [1869]))?
Veldlengte. 1°. (20) Lengte van een veld.
  Mijnbouwk. Nomencl. 94 a [1949].
2°. (21) Lengte van een vak.
  Spoorwegtechn. 1, 80 a [1933].
Veldlens (23), in het oculair van een microscoop of telescoop: de naar het gezichtsveld gekeerde lens, ook collectieflens genoemd, tgov. oculairlens of ooglens.
Het glas G H wordt de collectieflens of ook de veldlens genoemd. Het heeft namelijk tot uitwerking dat het de stralen, die anders verloren zouden gaan, opzamelt en in het oculair brengt en zoodoende het gezichtsveld grooter maakt,   BOSSCHA § 1346 [1889].
  SCHERMERHORN en V. STEENIS, Landmeetk. 65 [1941].
Veldleus (7-8), wachtwoord te velde (HEREMANS [1869])). Bij V. LENNEP: standaard, vaandel.
Daar werpt hy … Den standerdrager neêr in 't zand, En scheurt hem, met een jubelkreet … De veldleus uit de hand,   V. LENNEP, Poët. 4, 259 [1847].
Veldlied (1-5) (dicht.), herderszang, landelijk lied.
  HALMA [1710].
— Ghy, Tityr, … speelt in schaduw van den breeden beuckeboom, Op eenen dunnen halm, een veltliet, blijde en wacker,   VONDEL 8, 140 [1660].
Myn Kenn'mer zangnimf hef een vrolyk veldlied aan,   LANGENDIJK 1, 119 [± 1720].
  V. D. WILP, Ged. 59 [1756].
De landman, trouw vertolker Van bosch- en veldenlied,   MERCELIS, K. Harp 44 [1889].
Veldlijn. 1°. (1) Lange lijn voor velddressuur.
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
2°. (21) Lijn, rij van uitgang.
Ik speel met wit. Het klinkt absurd. Het is Don-Quichotterie, te midden van de zwarte stukken, die mij tot op de uiterste veldlijn hebben teruggedrongen, dien strijdkreet aan te heffen,   VOETEN, Doortocht 204 [1945].
3°. (24) In een electrisch of magnetisch veld: ben. voor denkbeeldige lijnen die verloopen volgens de richting van de veldsterkte (Techn. W. P. Encyclop. [1953])).
Onder een veldlijn verstaan wij een lijn, waarvan in elk harer punten de richting der raaklijn overeenstemt met de richting van de veldsterkte,   SIZOO, in Leerb. d. Natuurk. 215 [1948].
Veldlijster (1-5), volksn. voor de kramsvogel, Turdus pilaris L.; verg. fri. fjildlyster.
  ALBARDA, Ned. Vogels 37 [1897].
  KEYSER, Tessels [1951].
— Men (heeft) thans …, onder den tytel van Turdus Pilaris, niet alleen de zeer bekende Krametsvogelen der Duitscheren, maar ook de Veld-Lysters, benevens de Groote en Kleine Graeuwe Lysters betrokken,   NOZEMAN, Ned. Vog. 235 [1797].
  Nat. Verh. Holl. Maatsch. d. Wet. 11, 337 [1822].
Veldloge (8).
Ambulante loge, ook Veld-Loge, is eene bij een militaire korps gekonstitueerde Loge, welke echter geene vaste plaats heeft, maar gewoonlijk met den regementstaf van plaats verandert,   Wdb. v. Vrijmets. 2, 193 [1845].
De eigenlijke veldloges bestaan alleen in oorlogstijden,   CARPENTIER ALTING, Wdb. v. Vrijmets. 396 b [1884].
Veldlogeering (8).
De manier van der Romeynen veltlogering,   STEVIN, Legermeting 4 [1617].
Veldlontstok (7-8).
  W. CLAESZ., Bossch. 62 [1641].
Veldlook (1-5).
1°. Brab. volksn. voor vogelmelk, Ornithogalum umbellatum L.
  HEREMANS [1869].
Veldlook. Veldknoflook. Ook in Kl.-Br.,   TUERL. [1886].
  RUTTEN [1890].
Veldlook. Te Brussel en omstr., Molenbeek-Weesbeek, Oost-Roosbeke. Ornithogalum umbellatum L. … Deze plant groeit in het veld en is boldragend … gelijk het Look,   PAQUE, Vl. Volksn. [1896].
  CORN.-VERVL. [1903].
2°. In de aanh.: daslook, Allium ursinum L., of A. victorialis L.?
victorialis, dicitur gladiolus, ut & allium montanum. B. Victori-wortel, Das-look, Veld-look,   BLANCARDUS, Lex. Med. [ed. 1702].
Veldloop (1-5), wedloop door een terrein, over en door de daarin aanwezige hindernissen.
  V. DALE [1924].
Veldloop … De weg moet uitgezet zijn met roode vlaggen (links) en witte vlaggen (rechts). De start en finish moeten op het terrein zijn. De afstand voor dames bedraagt hoogstens 3 km.,   V. D. BERGH en V. DIJK, Encyclop. v. Gymn. [1941].
Hierbij: veldloopkampioenschap (Alg. Dagbl. 7 April 1953, blz. 7)
veldloopparcours (Leidsch Dagbl. 7 April 1953, blz. 6)
veldlooptitel (Alg. Dagbl. 7 April 1953, blz. 7).
Veldlucht (1-5), buitenlucht.
Voor weinig dagen wierden zij (koeien) uit hunnen muffen stal geleid, en naauwlijks aademden zij de veldlucht in, of zij loeiden van vreugde,   OVERDORP-POST, Het Land 119 [1788].
  V. LENNEP, K. Zev. 1, 254 [1865].
  LOVELING, Sophie 96 [1885].
Veldluis (4-5).
De Veldluis plaagt het meest de Erwten,   Verh. Maatsch. v. d. Landb. 14, 1, 74 [1804].
Veldluit (1-5) (dicht.), herdersluit.
  HELMERS, Nag. Ged. 1, 42 [± 1800].
Daar Poot op 't stil en vreedzaam land Apolloos veldluit neemt ter hand,   LOOTS, Ged. 1, 67 [1801].
Veldmaagd (1-5) (dicht.), meisje van het land.
  ROTGANS, Poëzy 276 [± 1690].
  V. LENNEP, Poët. 7, 224 [1856].
Veldmaarschalk (zie ald.).
Veldmaat. 1°. (4-5) Lengtemaat om velden te meten.
Veldtmate, mate om de velden te meten,   PLANT. [1573].
  KIL. [1599].
— Merct noch datmen noodich bevonden heeft int Legher een alghemeene mate te ghebruycken, te weten een roe ghedeelt in haer voeten en duymen, diemen de veldtmaet noemt,   STEVIN, Legermeting 36 [1617].
2°. (8) Inhoudsmaat voor drank die te velde verkocht wordt.
Ordre ende Reglement, waer na sich alle Soetelaers en Viviandiers sullen hebben te reguleeren, in het verkoopen en uytslijten van hunne Waren … Wynen. Rynsche Wijnen, de Velt-maet enz.,   Gr. Placaetb. 4, 175 a [1690].
(Op een zoetelaarstent:) Dit is in de Prince Veldmaat, De Duivel haalt hem die voor by gaat,   Kodd. Opschr. 10 [1698].
  V. LENNEP en TER GOUW, Uithangt. 2, 206 [1868].
Veldmadelief (1-5), madeliefje, Bellis perennis L.
  V. LENNEP, Poët. 12, 95 [1823].
De, witte of roode, tuin-madelief is eene verscheidenheid der wilde of veld-madelief,   V. HALL, Landh. Flora 134 [1854].
Veldmagneet (24), bij dynamo's en electromotoren: electromagneet die het magnetische veld opwekt.
  Electrotechn. Wdl. 32 [1907].
De 2 polige veldmagneet van een turbo-alternator,   V. CAPPELLE, Electr. 308 [1908].
Een veldmagneet (in een tweepolige dynamo) bestaat uit twee massa's gietstaal, gekoppeld aan het bovendeel door een stuk in den vorm van een hoefijzer,   GROENEN, Scheepv.-Encyclop. 560 [1939].
Hierbij: veldmagneetspoel (Spoorwegtechn. 3, 432 [1937]))
veldmagneetwikkeling (a. w. 3, 431 [1937])).
Veldmal (21), bij het maken van de velden van een molen: voorloopige verbinding van twee naast elkander staande stijlen, door middel van zware planken, die dan tevens de juiste verkanteling der stijlen moeten aangeven.
De Planken …, om de Bint-Mallen en de Velt-Mallen te maaken,   Gr. Volk. Moolenb. 1, 1 b [1734].
Veldman (2-5) (veroud.), landman, landbewoner; reeds V. D. SCHUEREN, Teuthon. [1477].
Als nu dese jongers groot werden, wert Esau een man, verstandigh op de jacht, een veltman: maer Jacob wert een oprecht man, woonende in tenten,   Statenb., Gen. 25, 27 [ed. 1688].
Zo indien op de Camiesberg bij de voorsz. Engelbregt door dien braaven veldman niet en was geadsisteerd geworden, zoo met ossen als provisiën, groote nood hadde moeten leiden,   in GODÉE-MOLSB., Reizen in Z.-Afr. 149 [1792].
  V. LENNEP, Poët. 3, 200 [1831].
Veldmanoeuvre (8).
Bij die gelegenheden (als de troepen in kampen bijeen zijn) volvoert men dan tot oefening deels veldmanoeuvres, waartoe het geheele leger in twee elkaar vijandig tegenoverstaande partijen verdeeld wordt, deels korpsmanoeuvres, om zich de juiste zamenwerking van troepenmassa's eigen te maken,   LANDOLT 1, 142 [1862].
  KUIPERS [1901].
Veldmarsch (8), militaire marsch te velde.
  HEREMANS [1869].
— Dat de Romeinsche Soldaaten … meerder vreesden voor deze veldmarschen (door een zandwoestijn), als voor den Oorlog zelfs,   V. RANOUW, Kab. 5, 372 [1721].
Veldmarsch slaan. Battre aux champs ou le premier. Den Feldmarsch schlagen,   LANDOLT, Dict. Pol., Suppl. [1871].
Veldmarter (1).
  WEIL. 6, 79 [1810].
Veldmarter, tegenstell. van huismarter,   BOMHOFF [1857].
Veldmarter, wilde marter,   CALISCH [1864].
Veldmatras (1-2).
Onzeker, beurt hij 't hoofd om hoog, En ziet de burgzaal over, En vindt zich op een veldmatras, Bestrooid met frissen lover,   BILD. 1, 42 [1786].
  BILD. 13, 129 [1805].
Veldmeester (8), (veroud.) bevelhebber te velde.
Ontrent vijfhondert mannen …, vanden welcken hy veltmeester maeckte Alonso de Toro,   DE ZARATE, Hist. v. Peru 69 b [ed. 1598].
Het Saxische Leger hadt A., als Veldt-meester, alsoo gestelt, dat aen yder zijde drie Regimenten paerden het voet-volck in het midden besloten,   V. BOS, Brachelius' Gesch. 285 [1606].
Veldmerk. 1°. (1) Zie de aanh.
Veldmark = merk, onderscheidingsteeken van schapen, zoolang die in het land loopen,   MOLEMA, Aanh. [1887].
  TER LAAN [1929].
— Men onderscheidt de teekens (bij het merken van schapen) in veldmerken, en oor-merken. Het eerste dient hoofdzakelijk, om de Schapen, die tot dezelfde kudden behooren, op een zekeren afstand, gemakkelijk te kunnen onderscheiden, en bestaat algemeen daarin, dat men een gedeelte der wol, hetzij op den rug, over de schoft, op het kruis, of aan een ander deel, met rood krijt, roode aarde enz.   … verwt, NUMAN, Schaapst. 250 [1836].
2°. (7-8) (Veroud.) Merkteeken om soldaten van verschillende partijen in het veld te onderscheiden.
Een Tessera, of Veld-merk, bestaande in een bosje stroo, om zyn eige Volk van de Vyanden te kunnen onderscheiden,   DOEDYNS, Merc. 1, 681 [1698].
Veldmestkever (1-5).
Aphodius fossor L. (zwarte veldmestkever) is nogal kenbaar door zijn voor een Aphodius grote afmeting (10-12 mm), zijn gewelfd lichaam en glanzend zwarte kleur. … Hij is zeer algemeen, vooral in koemest,   RECLAIRE, Kevers 93 [1951].
Veldmeter. 1°. (4-5) (Veroud.) Landmeter.
Veldtmeter.Geometra, finitor,   PLANT. [1573].
Veld-meter. sax. sic. j. land-meter,   KIL. [1599].
  CALISCH [1864].
  KUIPERS [1901].
2°. (24) Meter om de sterkte van het zenderveld te meten.
Een veldmeter bestaat uit een antenne, waarin het zenderveld een zekere EMK opwekt en een voltmeter om deze EMK te meten,   Philips Techn. Tijdschr. 2, 216 b [1937].
Veldmier (1-5).
  V. DALE [1872].
Veldmier, kleine mierensoort in het veld of in weiden levende,   V. DALE [1898].
Veldmis (8) (R.-K.), mis in de open lucht, oorspr. bij het leger te velde.
  NIEUWBARN, Kerk. Handwdb. [1910].  Kath. Encyclop. 23, 258 [1938].
Veldmoer (4-5).
Bouw van de zoogenoemde veldmoeren (carottes),   Boeren-Goudmijn 3, Versl. 14 [1857].
Veldmonnik (1-2), bedelmonnik, < mnd. veltmönik.
Veld-munck. vetus sax. Frater ordinis mendicantium: monachus castrensis,   KIL. [1599].
  HEXHAM [1678].
Veldmortier (7-8).
Itaalje rookte door den yselyken brant, Geborsten uit de keel der Franssche veltmortieren,   SCHERMER 76 [1706].
  LANDOLT, Dict. Pol., Suppl. [1871].
Hierbij: veldmortierbatterij.
  KUIPERS [1901].
Veldmosterd (1-5), volksn. voor herik, Sinapis arvensis L.
  V. DALE [1872].
Veldmostaard, wilde mosterd,   V. DALE [1898].
  KUIPERS [1901].
Veldmot (1-5).
1°. In de aanh.: rups.
De veltmot pestigh (OVIDIUS, Met. 15, 373: agrestes tineae) hangt aen eenen zomerdraet In bladeren … Verandert licht in een' vijfwouter, op een 'linden Of andren boom,   VONDEL 11, 796 [1671].
2°. Ben. voor zeker insect; door CHOMEL 3799 a [1777] en WEIL. 6, 79 [1810] in wdb., b.v. nog KUIPERS [1901].
Onder de Veldmotten maaken eenigen zig ook dergelyke Scheeden, die alleenlyk in den aart der Stoffen, waar uit zy bestaan, verschillen,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 11, 711 [1767].
Verder heeft men nog de Grasmijten, de Veldmot, de Havermot enz., het welk alle kleine Insekten zijn, welke aan het gras schade toebrengen,   BERKHEY, N.H. 9, 139 [1811].
Veldmuis (zie ald.).
Veldmunt (4-5), volksn. voor de akkermunt, Mentha arvensis L. Reeds V. D. SCHUEREN, Teuthon. [1477]: veltmynte.
Veldmunt, kruizemunt,   BOMHOFF [1857].
Veldmunt. Te Boisschot, O.-L.-V.-Waver. Mentha arvensis L.,   PAQUE, Vl. Volksn. [1896].
Veldmunt, (plantk.) wilde munt,   V. DALE [1898].
  CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
Veldt-Munte, oft wilde Poleye. … groeyet op met stelen die veel knoopen hebben die vande Poleye niet onghelijck,   DE LOBEL 1, 597 [1581].
Calamintha arvensis verticillata … Wilde Veldt-Munte … By Ulenpas, Campen, Zwoll; in Friesland enz.,   DE GORTER, Flora Belgica 165 [1767].
  SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 253 [1815].
Veldmusch (1-5), volksn. voor de ringmusch, Passer montanus.
  WEIL. 6, 79 [1810].
  V. MOOCK [1833].
  CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
Onze veldmusch (Fringilla montana, Linn.) vindt men bijna overal, waar zich de huismusch ophoudt; zij woont liefst in het hout of in tuinen, en blijft eveneens het gansche jaar aan hare broeiplaats,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. d. Wet. 16, 2, 200 [1828].
  BREHM-HUIZINGA 2, 91 a [1910].
Veldmuts (8), hoofddeksel van soldaten dat te velde (”buiten het bereik van den vijand”), in de kazerne, in het kampement enz. gedragen wordt; politie- of kwartiermuts.
  LANDOLT 1, 245 [1861].
”We hebben veel te weinig korporaals, kapitein,” zei toen Q. en B. smeet zijn veldmuts hard op de tafel,   ROOTHAERT, Vlam in de Pan 53 [1943].
Veldmuur (I) (21), ben. voor de muren waarop de velden van een molen rusten.
Watermolen … Achtkante bovenkruier met schroef, riet op veldmuren, rieten kap,   OZINGA, Ned. Monum. v. Gesch. en Kunst VI, 1, 20 [1940].
Veldmuur (II) (1-5), volksn. voor guichelheil, Anagallis arvensis L.
  JOOS [1900-1904].
Veldmuziek (zie ald.).
Veldnaam (1), toponymische term (vertaling van hd. flurname), t.w. naam van bouwen grasland, van woeste gronden en moerassen, van hoogten en laagten; samen met de bos- en waternamen vormen de veldnamen de groep der terreinnamen, die dan weer tgov. de plaatsnamen worden gesteld. Zie voor een en ander Med. Naamkunde 26, 3 volg. [1950].
Veldnaam: Lieu-dit,   GALLAS [1936].
Veldnamen zijn in engeren zin namen van velden, perceelen gronds, in breederen zin namen voor deelen van het landschap als wateren, bronnen, wouden, in tegenstelling met nederzettingen,   WEIJNEN, in Kath. Encyclop. [1938].
— Onder veldnamen verstaat men in de toponymie de namen van onbewoonde punten in tegenstelling tot de namen van bewoonde punten of plaatsnamen in engeren zin,   HARDENBERG, in Publ. soc. hist. Limb. 83, 208 [1947].
  EDELMAN, in Landbouwk. Tijdschr. 59, 85 [1947].
Het dialecten-bureau … (zond) in Augustus 1946 een vragenlijst uit, waarin een opgave werd verzocht van de wat hun betekenis betreft minder doorzichtige veldnamen. Hierin werd … gevraagd naar de namen van stukken grond, velden, landerijen, weiden, akkers, heiden, venen, moerassen, hoogten, laagten; de namen van aangewassen gronden …, terwijl mee ingesloten werden de namen van waterlopen, weteringen enz.,   SCHÖNFELD, Veldnamen in Ned. 5 [1949].
Veldnest (16).
Veldnestje = hofstedeke in slechten veldachtigen grond,   Aant. v. GEZELLE [± 1880].
Veldnigelle (1-5), gemeen narduszaad.
Nigella Sativa. Veld-Nigelle. Dit Kruid, in Egypte, op Kandia en elders, aan de Middellandsche Zee, groeijende … voert, wegens de zwartheid van dit Zaad, den Griekschen naam Melanthium of Gith, en den Latynschen Nigella,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 9, 176 [1778].
Veldnimf (1-5), figuur uit de klassieke mythologie, voorgesteld als een jonge vrouw of meisje; godin van het veld.
  WEIL. [1810].
Velt-Nymphjens die ten Burrich op de plaets Te samen singht u deuntjens met de Maets,   BREDERO 3, 375 [161.].
  ANTONIDES 2, 253 [1665].
De jongensvriendschap is eene veldnimf, ons had zij aan heldere beekjes …, en vooral op de blanke duinen omgeleid,   BEETS, C.O. 127 [1838].
Veldnummer. 1°. (11) Elk der deelen van een athletiekdemonstratie (stoot-, werp- of springnummers) die op het middenterrein wordt gehouden; in tegenst. met de loopnummers, welke op een baan worden gelopen.
  Sportencyclop. 57 b [1951].
2°. (21) Getalmerk van venster of veld in een blokkast.
  Spoorwegtechn. 2, 323 [1934].
Veldofficier (8).
De korps-Officieren of ”Veld-Officieren”, zooals ze in Leger (des Heils)-kringen heeten, (zijn) nog volop in de gelegenheid heel veel ”maatschappelijk werk” te doen, naar aanleiding van hun voortdurend onder-de-menschen-zijn,   VEENSTRA, Leger des Heils 24 [1910].
Veldonderzoek (1), onderzoek in het open veld.
  V. BAREN, Bodem v. Ned. VIII [1920].
Sommige onderzoekers, zullen door de verschuiving van ons vak in mathematische richting misschien iets van die eigenaardige sfeer van reizen en veldonderzoek, die onze wetenschap zo aantrekkelijk maakt, menen te verliezen,   BAKKER, Reliefv. Aardoppervl. 18 [1947].
Veldontdekker (8) (veroud.), verspieder, verkenner.
  WEIL. 6, 79 [1810].
— Hy (vervolghd) zyn' toght, tot dat hy op den achtsten van Herfstmaandt, de veltontdekkers des vyands in 't oogh kreeg,   HOOFT, N.H. 273 [1642].
Nauwlijks hadden zich eenige veldontdekkers aan den Yssel vertoond, of de Hollanders hernamen (na den slag bij Leipzig) de uitoefening van hun onafhankelijkheid,   V. HOGENDORP, Gedenkschr. 4, 418 [1826].
Veldontdekking (8) (mil., veroud.), verkenning.
  V. MOOCK [1833].
Veldontdekking, patrouillegang 's morgens in de onmiddellijke omgeving van het blokhuis,   V. DAM, Jantje Kaas 128 [1890].
Veldontdekking (krijgsw.), verkenning uit eene vesting in staat van oorlog of uit een kantonnement of eene legerplaats in de nabijheid van den vijand,   KUIPERS [1901].
— Eene batterij wordt opgeworpen, op eene plaats aan de rivier, welke … voor de beste gehouden werd tot den overtogt. Inmiddels wordt eene veldontdekking gedaan,   DE JONGE, Opk. 7, 241 [1873].
Veldoogst (4-5).
  NOLET DE BR., Ged. 2, 148 [± 1850].
Veldoorlog (8) (mil.), oorlog in het open veld, tgov. belegeringsoorlog of vestingoorlog.
  KOENEN¹¹ [1916].
In den belegeringsoorlog kan de waarnemer in den regel een meer of minder tegen 's vijands vuur gedekte schuilplaats innemen …; hij kan dus juister en nauwkeuriger waarnemen dan in den veldoorlog,   SEYFFARDT, Handl. Art. 1, 129 [1887].
Kapitein C. v. H. (toonde) aan, welke diensten het vliegtuig kan opleveren, vooral als verkenningsorgaan en zoowel in veld- als vestingoorlog,   Avia 1, 266 a [1912].
Veldorant (4-5).
1°. Volksn. voor den akkerleeuwenbek, Linaria arvensis Desf.
  DE BO, Kruidwdb. [1888].
2°. In de verb. klein veldorant, ben. voor den kleinen leeuwenbek, Linaria minor L.
Antirrhinum tertium … Kleyne Veld Orant … In de Koorn-landen en Hoven by Harderwyk, Zwoll, Utrecht, Velsen en elders,   DE GORTER, Flora Belgica 177 [1767].
  V. HALL, Kruidt. Middelb. 168 [1871].
  DE BO, Kruidwdb. [1888].
3°. Volgens HEUKELS 24 b [1907], zonder localiseering voor rood leeuwenbekje, Antirrhinum orontium L.
Veldornitholoog (1), vogelkenner die zijn waarnemingen in het vrije veld doet, verg. veldbioloog.
  WIGMAN, Vogels v. Heide e. Stuifz. 51 [1939].
  VRIENDS, Vogels i. d. lage L. 57 [1939].
Veldoven (1), open steenoven, bestaande uit een naar den eisch opgezetten tas te bakken steenen, waarin vuurkanalen zijn opengehouden.
  ZWIERS [1920].
— Een omsloten of open oven (veldoven genoemd),   PIJTAK 385 [1848].
  SCHELLING, Steenb. 7 [1909].
Aanvankelijk waren uitsluitend ringovens in gebruik (in de steenfabriek van de Staatsmijnen). In 1947 werden hieraan 18 veldovens toegevoegd,   Mijn in Goud 47 b [1952].
Hierbij: veldovensteen.
Veldovensteen is baksteen, afkomstig uit veldovens. In deze primitieve ovens wordt de steen zeer ongelijkmatig verhit, zoodat een gemengd product ontstaat, varieerend tusschen halfgesmolten steenen en bijna ongebakken steen,   Kath. Encyclop. [1938].
  Ned. Staatscour. 30 April 1923, blz. 22 a.
Veldoverste (zie ald.).
Veldpaap (zie ald.).
Veldpaardestaart (4-5), heermoes, Equisetum arvense L.; bij HEUKELS 92 [1907], zonder localiseering.
Veldpad (4), pad door het veld.
  KUIPERS [1901].
— Buiten de publieke wegen of gewone veldpaden,   Wet v. 11 Juli 1814 (Stbl. 79), a. 18.
De maegd keerde met langzame stappen het veldpad in,   CONSC., Plaeg d. D. 60 [1855].
Veldpaddenstoel (1-5).
De veld-paddestoel Psalliota campestris (wordt) op sommige plaatsen gegeten en in andere streng vermeden,   V. OSS, Warenk. 2, 1049 [1949].
Veldpark (8), benoodigdheden voor 't leger te velde, park.
Veldpark der genietroepen,   KUIPERS [1901].
Veldpartij (11), bij honkbal en veldbal: de partij die in het veld staat en tot taak heeft de slagpartij zoo snel mogelijk uit verklaard te krijgen.
  WINKLER PRINS, Encyclop. 9, 411 a [1935].  Sportencyclop. 615 a [1951].
Veldpastoor (8) (gewest. in Z.-Nederl.), aalmoezenier.
  LIEVEVROUW-COOPMAN [1953].
Veldpater (8) (zndl., veroud.), aalmoezenier bij het leger.
  HEREMANS [1869].
  STELLWAGEN, R. W. [1902].
  CORN.-VERVL. [1903].
— Dat de selve Regimenten, 't zy die te Velde liggen ofte in Garnisoen, ofte die in Quartieren verspreyt zyn in de Steden ofte ten platten-Lande, overal door de selve reden onder de Geestelycke Jurisdictie van de Militaire Veldt-Paters staen,   Vl. Placcaertb. 5, 697 [1753].
Zijn broere is veldpater geworden in 't jaar 1889,   Loquela 10, 71 [Brugge, 1890].
Veldpatrijs (1-5), patrijs, veldhoen; bij HOUTTUYN wordt een bijzonder soort bedoeld.
(Perdix) Orientalis … Deeze, die op 't Eiland Samos Veld-Patrys genoemd wordt …, heet in Italië Francolino, waar van … wy ons Francolyn ontleenen,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 5, 421 [1763].
Zoo als een looze Vos … Te loeren zit, en … Het vlugge veldpatrys op 't onvoorzienst verrast,   BERKHEY, Rhynl. Wedspel 50 [1766].
  BERKHEY, Eerb. Proefk. 13 [1782].
Veldpee (4-5) (gewest. in Z.-Nederl.), ben. voor wortelen die in 't veld groeien, tgov. hofpeeën, die in den tuin gekweekt worden.
  CORN.-VERVL. [1903].
Veldpees (4-5), te Vechel als ben. voor veldwachter.
  STOETT³ n° 1987. HERMANS, Jagerswdb. 468 [1947].
Veldpers (8), drukpers bij het leger te velde.
Velddrukpers … Het materieel van eene veldpers moet op afzonderlijke wagens vervoerd worden,   LANDOLT 2, 112 [1862].
Veldpijp (1-5).
1°. Veldfluit, herdersfluit.
Veldpijp. Herderspijp,   HALMA [1729].
Veldpijp; zie Veldfluit,   V. MOOCK [1833].
— De oude Duitschers gingen zingende ten oorlog, en nu zyn er onder de Christenen … veldpypen, trompetten, schalmeyen, hoboen en bassons ingevoerd,   LUSTIG, Muzykk. 260 [1751].
2°. Zie de aanh.
Veldfluit, Veldpijp, een orgelregister van nauwe mensuur. Men vindt het van metaal, zelden van hout,   VIOTTA, Lex. [1885].
Veldpionie, Veldpioen (1-5) (dicht.), pioen
Ach! dat mijn Moeder my met vinnen had gebaard … Ik voerde u (de waternimf Galathea) van de stranden Of blanke lelyen, of roode veldpeoon … door de baren,   BILD. 4, 265 [1804].
  SPANDAW 2, 26 [1837].
Toch was er eene schoone in den kring der gasten …, wier beeld ik honderdwerf liever schilderen zoude, dan dat der witte roos of doffe veldpionie, tusschen welke ik mij geplaatst zag,   POTGIETER 3, 148 [1836].
Veldpionier (8) (mil.), soldaat behoorende tot de technische troepen welke te velde de andere wapens moeten helpen bij het uitvoeren van die werkzaamheden, welke eene bijzondere technische vaardigheid en het gebruik van groot gereedschap vereischen.
  KOENEN¹¹ [1916].
— Bij het Nederlandsche leger heeft elke divisie 1 compagnie veldpioniers,   ZWIERS 2, 507 [1920].
Veldplaats (7, a), in de aanh.: strijdperk, arena.
Ghy sult tot de veldt-plaetse geleydt worden, ende ghy sult tegen den duyvel den Prince der sonden strijden in dese Wereldt (AUGUSTINUS, De Cataclysmo c. II [M.P.L. 40, 693]: Ad agonem produceris, … dimicabis in arena hujus mundi),   LIJFTOCHT, Voor-Winckel 127 [1679].
Veldplan (1-5), landmeetkundige kaart waarop de kadastrale perceelen zijn voorgesteld, ten gebruike van den landmeter in het veld.
Van deze nette plans worden … twee kopieën gemaakt: le het veldplan, bestemd voor den landmeter, voor het gebruik te velde. 2e het gemeenteplan, bestemd voor het gemeentebestuur van de betreffende gemeente,   SCHERMERHORN en V. STEENIS, Landmeetk. 428 [1941].
  Techn. W. P. Encyclop. [1953].
Veldplank (21, b, γ?).
Olme veltplancken,   bij LIEVEVROUW-COOPMAN [1740].
Veldplantsoen (1-5) (dicht.).
Van der heuvlen top vloeit met een zagt geklater, Door 't slingrend veltplantzoen, een stroom van levend water,   HELMERS, Holl. N. 122 [ed. 1814].
  DAUTZENBERG, Verspr. en Nag. Ged. 28 [± 1860].
Veldpoëet (1-5), dichter van herderszangen.
Gelukkig veltpoëet, de bosschen zullen spreeken, De groene heuveltjes, en d'Echo van uw galm,   SCHERMER 194 [c. 1710].
  LANGENDIJK 1, 119 [± 1720].
  BILD. 8, 8 [1775].
Veldpoel (1) (veroud.).
Een velt-poel of moeras,   V. NYENBORGH, Weeckw. 164 a [1657].
Veldpolitie (1-2). Het woord is een vert. van fr. police rurale; zie DUVERGIER, Coll. des Lois 3, 381 a [1791] en de vert. van G. LUTTENBEBG, Verv. Gr. Plakk., Alg. Policie 33 a [1810-'11]. 1°. (Handhaving der) rechtsorde op het platteland.
Reglement op de Veld-Politie in het Kwartier van Veluwe,   bij KOPS, Mag. v. Landb. 2, 404 [1805].
Overtredingen betreffende de veldpolitie,   Wetb. v. Straf., a. 458 [1881].
2°. Marechaussee, inz. in het voormalige Nederlandsch-Indië.
Het korps veldpolitie,   Stbl. v. N.-I. 1920, n° 839.
De veldpolitie … is bestemd als politiemiddel van het bestuur, meer bepaaldelijk echter ter verzekering van de veiligheid, orde en rust buiten de residentie en afdeelingshoofdplaatsen welke reeds over politie beschikken,   Bijbl. Stbl. v. N.-I. n° 12684, a. 1 [1931].
Veldpool (24), elk der polen van een electromagnetisch krachtveld.
Deze figuur is een afbeelding van de veldpolen van een turbo-gelijkstroomdynamo,   V. CAPPELLE, Electr. 311 [1908].
Veldpoot (4-5) (brab.), hetzelfde als veldpee.
Veldpoot. Peen, die in 't veld gekweekt wordt,   TUERL. [1886].
  RUTTEN [1890].
  CORN.-VERVL. [1903].
Veldpost (zie ald.).
Veldpredikant (2) (veroud.), hageprediker. Bij KUIPERS [1901] ten onrechte opgegeven als synoniem met veldprediker.
Elc sprack alzoot hem ghoet dochte ende te voren quam, duer toesteken vande veltpredicanten, die tvolck zeere up de gheestelicke persoonen verhaet ende verbittert maecten,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1, 9 [1566].
Dat hij ”met sijn complicen gesongen heeft Duytsche Psalmen, naer 't gebruyck der nyeuwe Velt-predicanten”,   in Ts. 15, 314 [Schoonhoven, 1567].
Veldpredikatie (2) (veroud.), hagepreek.
Tvolc (te Antwerpen) ter veltpredicacie in grooter menichte gheghaen hebbende, en waren niet om verbieden oft achterhauden,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1, 17 [1566].
  V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 2, 246 [1567].
Veldprediken (2) (veroud.), hagepreken houden.
Te Ghent … en hilt men ooc niet af van veltpredicken,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1, 20 [1566].
Veldprediker (zie ald.).
Veldpriester (8) (ongew.), priester bij het leger te velde, aalmoezenier. Alleen in wdb. aangetroffen.
  WEIL. 6, 80 [1810].
  CALISCH [1864].
  STELLWAGEN, R. W. [1902].
  NIEUWBARN, Kerk. Handwdb. [1910].
Veldproduct (4-5).
  Versl. Takken v. Dienst Landb. 1914, 7.
Veldproef (4-5), proef met het kweeken van gewassen op het veld.
Veldprovoost (8), bevelhebber van een legerafdeeling te velde.
Gheen dienaer, knecht, oft jonghen van Soldaeten … en sal moghen voorloopen … noch uyt sijn ghelet oft plaetse gaen oft wijcken, maer trecke altijts onder t'Vendel vanden Velt-prevoost van sijn Regiment,   Placc. v. Brab. 2, 308 a [1596].
Veldpupil (23), in de leer van het licht: opening van een scherm, die het gezichtsveld bepaalt.
  BOSSCHA-SISSINGH, Natuurk. 4, 253 [1902].
Veldraaf (1-5).
Het geslacht der Veldraven (Corvus), dat tot kenmerken heeft: een lange snavel met gekromden rug en gaafrandige spits enz.,   BREHM-HUIZINGA 2, 153 a [1910].
Veldraap (4-5).
Het land waar in men de laate Veld-raapen zaait, moet in maij diep genoeg geploegt … worden,   CHOMEL 2900 a [1773].
  Verh. Maatsch. Landb. 10, 2, 92 [1793].
Veldraket (4-5).
Veldraket. Wilde raap (Landbouw). Deze, nog weinig bekende voederplant enz.,   RIJNHART, Wdb. v. h. prakt. Leven [1866].
Veldral (1-5), ben. voor vogels van het geslacht Crex.
  ALBARDA, Ned. Vogels 68 [1897].
  KUIPERS [1901].
— De Vogel, die dit geratel voortbrengt, is een vertegenwoordiger van het geslacht der Veldrallen (Crex); het is de Kwartelkoning,   BREHM-HUIZINGA 2, 408 b [1910].
Veldranonkel (4-5), ben. voor de akkerboterbloem, Ranunculus arvensis L., door WEIL. 6, 80 [1810] in de wdb.
De veld- of akker-Ranunkel met stekelig zaad; Ranunculus arvensis echinatus,   CHOMEL 2894 a [1773].
Veld-Ranonkel. Deese Plant is doodelyk voor al het Vee dat 'er van eet, en byzonder voor de Schaapen,   BUYS, Wdb. v. K. en W. [1778].
Veldrantsoen (8), naam van het rantsoen levensmiddelen, dat aan den soldaat, en van het rantsoen fourage, dat aan het paard te velde wordt verstrekt (Kath. Encyclop. [1938])).
Veldrapunzel (1-5), alleen in wdb. aangetroffen, wellicht het rapunzelklokje, Campanula rapunculus L.
  V. DALE [1872].
Veldrapunsel (plantk.) wilde rapunsel,   V. DALE [1898].
Veldrapunsel (plantk.), Campanula rapunculoïdes,   KUIPERS [1901].
Veldrat (zie ald.).
Veldree (1), ree die zich in het open veld pleegt op te houden, tgov. boschree (HERMANS, Jagerswdb. [1947])).
Veldregeltransformator, ”transformator om den veldstroom te regelen bij zelfbekrachtiging” (Electrotechn. Wdl. 42 [1907])).
Veldregelweerstand (24), veldregulateur.
  Electrotechn. Wdl. 35 [1907].
Veldregiment (8), regiment in actieven dienst.
Veldregiment. Régiment de ligne. Feldregiment,   LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
— Madura zal zijn belast met het completeren van de drie eerste bataillons van de veld regimenten,   N.-I. Plakaatb. 14, 837 [1808].
Veldregulateur (24), weerstand die ten doel heeft den veldstroom te regelen (Electrotechn. Wdl. 35 [1907])).
  V. GELDEREN [1932].
  GROENEN, Scheepv. Encyclop. [1939].
Veldrichel (21), in een molen: elk ”der horizontale balken waardoor de achtkantstijlen met elkaar verbonden worden en die dus aangebracht worden in de acht door de stijlen en tafelmenten gevormde ”velden” van den molen. Elders heeten deze balken regels” (BOEKENOOGEN [1897])).
Veldrichting (24). Zie de aanh.
De richting van de kracht, die een magneet uitoefent op een Noordpool, die zich in een punt P van zijn veld bevindt, heet de veldrichting van het veld in het punt P,   V. ROON en HAVERKAMP, Zeevaartk. 2, 209 [1942].
Veldridderspoor (1-5), ben. voor wilde ridderspoor, Delphinium consolida L.
  V. DALE [1872].
De gemeene Veld-Ridderspoor (Consolida regalis arvensis; Delphinium segetum) heeft ook haar gebruik in de Genees- en Heel-kunde, inzonderheid haare bloemen; men … prijst ze tegen koude en buikpijn der kinderen,   CHOMEL 3050 a [1773].
Veld Riddersporen … komen enkele malen als onkruid voor in bouwlanden in Gelderland, Overijssel en Utrecht,   V. HALL, Landh. Flora 7 [1854].
Veldriet (1-5).
1°. Arundo calamagrostis … Veld Riet met eenen eenbladigen effen kelk, wollige bloemkransen, een getakten halm, en lijnvormige bladen, SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 53 [1815].
2°. Zie de aanh.
Claquebois, zeker muzijkspeeltuig, veldriet, ruischpijp,   V. MOOCK [1825].
  CALISCH [1864].
  KUIPERS [1901].
Veldrijk (4-5).
(De) Kamastroom, waar aan de land- en veldryke S. zyne landeryen en andere werken heeft,   IDES, R. n. China 14 [1710].
Veldrijs (1-5), ben. voor de paardenbloem, Taraxacum officinale Web.
Dat sap van veltrijs (Taraxacum dens-leonis) in die ogen ghelaten beneemt die vellen daer wte,   Den groten herbariusDie Ortus sanitatis ghenaemt is n v v° a [1514].
De gemeyne oft eerste soorte van Canckerbloemen heeft behalven de voorseyde noch dese naemen, te weten in onse tael Pissebedde, Pissebloeme, ende Veltrijs,   DODON. 1079 a [ed. 1608].
  V. HALL, Kruidt. Middelb. 113 [1871].
  VISSER, Volksn. [1912].
Veldrit (1), combinatie van rijden en lopen over een parcours waarop het rijden ten deele geheel onmogelijk is, zoodat de renners hun rijwiel dan dragen tot de weg wederom voor rijden geschikt is.
  Sportencyclop. 707 b [1951].
Veldrits (4-5), vl. volksn. voor perzikkruid, Polygonum persicaria L.
Veldretse. Onkruid dat in de velden groeit,   DE BO [1873].
Veldroede (4-5), ben. voor een lengtemaat.
Alle bestedingen, ende opnemingen van Fortificatien ende Retrenchementen … sullen gedaen worden mette Velt-roede, laetst ghearresteert by Syne Excell. ende den Raedt van State, van twaelf voeten inde Roede,   Gr. Placaetb. 2, 348 [1606].
Veldrogge (16).
Voor de op zware gronden geteelde wordt in Brummen de Zeeuwsche genomen, voor den gemengden grond de Geldersche en aan de heidestreken de veld- of kruiprogge,   Med. Geld. Maatsch. v. Landb. 1869, 111.
Veldrok (8) (veroud.), soldatenrok, krijgsrok.
  HALMA [1729].
— Een Bootsgezel … vereerde Prins Willem van Oranje een zeer kosteliken Veltrok, dien hy tot beuit bekomen … hadde,   DE BRUNE, Jok en E. 110 [1644].
Veldroos (zie ald.).
Veldroot (4-5), vlas van mindere kwaliteit dat op het veld geroot wordt.
Het gemeene vlas bleef de boer gewoonlijk houden tot hij 't zelve gehekeld en geroot had in een put te lande en gebleekt op zijn kouters. ”Blauw- of Veld-roote” heetten ze dat,   STREUVELS, Vlaschaard 132 [1907].
't Vlas van overjaar en was het water niet weerd: 't en was maar goed voor velten (veldroote),   Biekorf 37, 127 [Meulebeke, 1931].
Veldroover (4-5) (veroud.), velddief.
— Allen … Inwoonderen deser Stede, wert verboden … aerdt of warmoes-vruchten, ofte gewas te Velde staende, buyten toelatinge van de gene die de selve toebehooren, af te snijden …, (ofte) wegh te nemen …, op peyne, dat de culpable daer over als Veltroovers … gestraft sullen werden,   Keuren v. Leyden 246 [ed. 1658].
Veldrot (1-5), noordelijke bijvorm van veldrat.
  HALMA [1729].
  WEIL. 6, 80 [1810].
— De groote Veld-Rot. Mus Campestris major. Muis met een zeer lange Staart, het Lyf bruin, aan de Zyden ros. Woont in de Velden,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 2, 467 [1761].
Veldroting (4-5).
(Het roten) geschiedt op verschillende wijzen: vooreerst door het vlas eenigen tijd aan regen en wind bloot te stellen; dit noemt men veldroting (… dew-retting); of men legt het vlas eenigen tijd in stroomend water, hetwelk waterroting … heet,   KRECKE, Chem. Technol. 506 [1881].
Vergeleken met dauwroting (veldroting) is het roten in water een grote verbetering,   V. OSS, Warenk. 3, 93 [1950].
Veldruit (1-5).
Water-Ruit of Poelruit …, of ook wel Veld-Ruit, met den Latynschen naam Ruta pratensis, die 'er, volgens Lobel, door de Kruidkundigen aan gegeven wordt,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 9, 214 [1778].
Veldrumoer (14), gerucht van de jacht.
De haas, op 't ruim der hei door 't veld-rumoer verlegen, Zoek' vrij de beddingen van overhangend zand,   V. WINTER, Jaarg. 114 [1769].
Veldrups (4-5).
Ruige Veld-Rupsen. … deeze laatste Rups … eet de Grasblaadjes maar liever die van de Weegbree en wel allermeest de Smalbladerige. Haar Kleur, die in 't eerst Kastanjebruin is, wordt vervolgens mooy zwart, met een rooden Kop,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 11, 341 [1767].
Veldsaffraan, wilde (1), ben. van de driedistel, Carlina vulgaris L. Door CHOMEL, Verv. [1793] en WEIL. [1810] in de wdb.
Wilden Veldtsoffraen is den wilden Hofsoffraen niet seer ongelijc, nochtans heeft hi int opperste vande stelen langer bladeren,   FUCHS, N. Herb. f iij v° [1543].
Carlina (vulgaris) … Drie-Distel, wilde Veld-Saffraan … In de Duinen van Heemstede by Schaphals; en ook in slegte landen by Zwoll, Ulenpas, in Friesland en elders,   DE GORTER, Flora Belgica 232 [1767].
  BERKHEY, N.H. 9, 93 [1811].
  V. HALL, Kruidt. Middelb. 103 [1871].
  DE BO, Kruidwdb. [1888].
Veldsalie (1-5), ben. van een der soorten van salie, t.w. Salvia pratensis L.
  CHOMEL, Verv. [1793].
Veldsalie, wilde salie,   BOMHOFF [1857].
Salvia (pratensis) … Veld-Salie … Op verscheide plaatsen aan den Yssel, en aan den Yssel-dyk in 't Graafschap Zutphen, en omtrent Zalk in Overyssel,   DE GORTER, Flora Belgica 9 [1767].
  SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 13 [1815].
De Veldsalie is zeer naar den smaak der schapen en geiten; maar hare lange wortelbladeren hinderen den groei van nuttige kruiden,   RIJNHART, Wdb. v. h. prakt. Leven 983 a [1866].
  Ned. Plantennamen 50 [1906].
Veldsalpeter (1-5), salpeter afkomstig van salpetervelden, tgov. b.v. rotssalpeter.
De Salpeter der Aalouden of de Veld- en Meer-salpeter, en die door konst in de Egyptische Salpeter-putten of pannen gemaakt wierd, mitsgaders de Aphronitrum of de Rots-salpeter,   V. RANOUW, Kab. 3, 244 [1720].
Veldschadde (16), zode van heidegrond.
't Zijn echte, turfachtige veenzoden en niet van die grijze veldschadden. Wat zullen ze van 't winter vlammen en gloeien aan den haard,   HEUVEL, Boerenlev. 211 [1927].
Veldschade (4-5), schade aan veldgewassen. Zie in Mnl. W. een voorb. Versl. Vereen. O. Vad. Recht 3, 514, 42 [Hattem, 1538].
  V. MOOCK [1833].
  V. DALE [1950].
Veldschakelaar (24).
Een veldschakelaar, een batterijrelais, een spanningrelais en 5 veiligheden,   Spoorwegtechn. 3, 733 [1937].
Veldschalmei (2) (dicht.), veldfluit.
  WEIL. [1810].
  V. MOOCK [1833].
— De wiltzang van het wout moet zwygen op het speelen Der Veltschalmeien,   SCHERMER 112 [1709].
  HELMERS, Nag. Ged. 1, 9 [± 1800].
  DAUTZENBERG, Verspr. en Nag. Ged. 229 [± 1860].
Veldschans (2), schans ter versterking van punten op het platteland, b.v. ter versterking van een brug, een hoogte enz.
  STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. [1740].
  KUIPERS [1901].
Men maekt dese Veldschanssen somtijts by een Stad, tot versterking van heerschende hoogten … en andere Posten, die tot het innemen der Plaets mogten helpen,   MALLET, Mars 3, 86 [1672].
Dat geen van gemelte buffelbeesten sullen mogen gekogt of verkogt werden, dan in de daertoe gemaekte candang by de veldschans Meester-Cornelis,   N.-I. Plakaatb. 4, 257 [1730].
  N.-I. Plakaatb. 13, 35 [1800].
Veldscharlei (1-5), in de aanh. blijkbaar voor scharlei, Salvia sclarea L.
Veldscharlei. Arvale des prés,   HEREMANS [1869].
  V. DALE [1914].
Veldscheer (7-8), < hd. feldscher.
  WEIL. [1810].
  V. DALE [1872].
— Trek den voerman onder de paarden heen, en zie of het been werkelijk gebroken is. En als het daarmede zijne rigtigheid heeft, zoo zoek den veldscheer van dat oord op, betaal hem, als gij wilt en kunt, den prijs voor eene beenbreuk, en nog iets daarenboven, opdat hij het hubsch en schielijk make,   FEITH 2, 225 [1784].
Veldscheerder, veroud.
1°. (7-8) Barbier van een leger te velde, tevens chirurgijn; < hd. feldscherer [Bazel, 1542].
Veld-scherer. Tonsor castrensis, vulnerarius siue chirurgus militaris,   KIL. [1588].
— Al die Meesters ende Velt-scheerders die den leger volgen,   DODON. 211 b [ed. 1608].
De veldscheerder (Barbier) scheert het hayr met de schere, of schrapt het glad met de scherpte van het scheermes,   COMENIUS, Ianua 80 [1648].
  TUINMAN 2, 15 [1727].
Wij hebben bij ons regement slechts eenen veldscheerder,   WEIL. [1810].
2°. (4-5) In de aanh.: maaier.
M. G. Ick bin wel moeyelijck dat me Vaar dit Amicht my liet leeren, Overmits dat dit volck hier iens sjaers in April om niet scheeren, B. Neen by loo, as onse Velt-scheerers maer iens scheeren het velt, So hebbese de kost, en vry slapen, mit ien hangt vol gelt,   Kl. v. e. Huysm. K 1 r° [± 1620].
Veldscheidsrechter (11), bij honkbal: helper van den hoofdscheidsrechter.
Veldscheidsrechter, kiest de plaats in het veld, van waaruit hij, naar zijn mening, het spel op de honken het beste kan beoordelen,   Sportencyclop. 328 b [1951].
Veldschilderhuis (8), schilderhuis te velde.
  KUIPERS [1901].
De veldschilderhuizen bestaan uit een geraamte van sparren, met wandbekleeding en dakbedekking van stroo of riet,   Handb. d. Pionierk. 1, 176 [1914].
Veldschildzaad (1-5).
Alyssumcampestre. Veldschildzaad,   Ned. Plantennamen 4 [1906].
Veldschoen (1-5 en 7-8), ben. voor stevige schoenen van eenvoudig maaksel die men in het veld draagt, hetzij als landbouwer, hetzij als militair. Verg. afrik. velskoen ”eig. veldschoen” (MANSVELT [1884])); hd. feldschuhe (Rhein Wtb.).
(De inwoners van Formosa) dragen … sekere Veldt-schoenen, gemaakt van Steenbokke-vellen, met bantjes boven toegebonden,   STRUYS, Reysen 61 [1676].
Jansen … maakte een paar sierlijke passen op de punten van zijn zware veldschoenen,   DE JONG, F. v. W. 39 [1928].
  BLANCQUAERT en MEERTENS, Dial.-atl. v. d. Zeeuwsche Eil. [Bruinisse, 1940].
Veldschoen (Bruinisse) betekent: een bepaald model schoen, van vetleer, die dus goed bestand is tegen vocht en gemakkelijk van vorm om aan en uit te trekken. Ze worden gesloten met veters, gesneden van riemen van zacht leer,   Uit een brief [1954].
Veldschool (16), school ”bij of op een heideveld”.
  DE BO [1873].
Veldschoot, Veldscheut (4-5).
1°. Zie de aanh.
Veldschoot, -schote, -scheute … De gerst, die op den moutvloer te schieten ligt, is rijp voor den ast, zoohaast de kiem haar eerste witte puntje toont; maar somwijlen zijn er eenige korrels die, eerder rijp dan de andere, hunne kiemen ten volle uitbrengen, en deze kiemen dan heet men veldschoten of hemelschoten,   DE BO [1873].
  QUICKE, Brouwersv. [1926].
Ook als ben. voor het hierboven genoemde verschijnsel.
De gerstzaden, die de veldscheute krijgen, verliezen hunne suiker, en dienen niet meer voor de brouwte,   DE BO [1873].
2°. Regenwater dat van het veld ”schiet” of stroomt en zand meevoert; ook het meegevoerde zand zelf.
De gracht ligt vol veldscheute,   DE BO [1873].
Is dat bier! 't Is lijk veldscheute,   Loquela 15, 55 [Huise, 1895].
Veldschop (4-5), ”gewone handspade”.
  CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
Veldschorpioen (1-5), soort van geelbruine, Zuideuropeesche schorpioen, Buthus occitanus.
  BREHM-HUIZINGA 3, 581 b [1910].  Kath. Encyclop. [1938].
Veldschraagbrug (8), schraagbrug te velde.
  KUIPERS [1901].
Veldschraagbrug. Veldbrug, geslagen door de Genietroepen, waarbij als tusschensteunpunten schragen van voorbereid materiaal dienst doen,   ZWIERS [1920].
Veldschrijver (8), monstercommissaris.
Enige oeck, van veele nieu oft versch aengenomen, ende oeck hen oudt volck, corten vacatien van costen voerden veldt- of monsterscrijver, die betaelinge vervolcht hebbende,   V. DORP, Br. 2, 573 [1592].
Veldschuit (4), schuit waarmee men het veld ingaat.
Evers, Veldt-schuyten, ofte andere diergelijcke Schuyten,   Handtv. v. Ench. 389 b [1622].
Voorts zal deze Impost ook betaeld moeten worden … van alle Speeljachten, Speelschuiten …, Veld- of Weischuiten, of andere Vaertuigen, die tot eigen vermaek … aengehouden zullen worden,   Ned. Jaerb. 1750, 214 [1750].
Veldschut (1-5), (veroud. en gewest.) veldwachter; verg. hd. feldschütz ”Flurhüter” (Rhein. Wtb.).
  DORREN [1928].
Veldschuur (4), schuur op het veld. In Z.-Limb. ben. voor hooiberg (zie Taalatl v. N.- en Z.-Nederl. 3, 12 [1943])).
Aan de afdeeling gebouwen werd om advies gevraagd in de volgende gevallen …: boerderijen, arbeiderswoningen …, open veldschuren,   Versl. Takken v. Dienst Landb. 1917, 7.
Veldseringen (4-5), in Z.-Holl. volksn. voor de pinksterbloem, Cardamine pratensis L.
  V. HALL, Kruidt. Middelb. 231 [1871].
  HEUKELS 54 b [1907].
Veldsermoen (2), hagepreek.
Zoo zeere wart tvolck ghetrocken duer dese veltsermoenen, dat zij haer eten ende drijncken daerom lieten ende somtijts haer leven in perijckel stelden,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1, 82 [1566].
Veldsla (zie ald.).
Veldslag (zie ald.).
Veldslak (1-5), ben. voor de naakte, grauwe akkeraardslak, Limax agrestis L.; daarnaast voor de tuinslak, Cepaea of Helix nemoralis, waarvan het huisje een donkerbruinen mondrand heeft (V. DALE [1924]; N. Zoek-licht [1948])).
  BOMHOFF [1857].
  BEZEMER [1934].
— Dat geheele streken Tarwe, bij plekken niet kunnen wassen, door dat de Veld-Slakken de wortels telkens afknagen,   Verh. Maatsch. v. Landb. 14, 1, 71 [1804].
Het veldslakje: dit is een zeer klein, zwart, slijmig, ongeschelpt diertje, het welk in lage landen en ook somtijds in vette weiden aan den fleurigen wasdom van het gras zeer hinderlijk … is,   BERKHEY, N.H. 9, 143 [1811].
  SCHLEGEL, Dierk. 2, 413 [1858].
In den herfst doet … de kleine grijze veldslak schade aan het jonge wintergraan,   Onderz. Landb. 1886, 18, 41 [1890].
Veldslang (zie ald.).
Veldslechter (4, d), hij die als beroep de van een nieuw veenveld afgegraven bonkaarde, welke op een naastliggend terrein is gestort, met een schop egaliseert en verspreidt, zoodat dit terrein als zetveld voor turven kan dienen.
  Beroepeninventarisatie 3, 9 [1946].
Veldslede (4), slede die bij den landarbeid gebruikt wordt.
  KUIPERS [1901].
Veldsloot (4).
De schouw van hekken en poortjes, veld-, vaar-, berm- en ringsloten is op tijd afgekondigd door het Polderbestuur,   BRUIN, Dijken 89 [1936].
Veldsmart (1-5), volksn. voor perzikkruid, Polygonum persicaria L.
Veldsmerte. Eene soorte van Smerte die meerder van stabel is dan de gewone en ongeplekte bladeren draagt,   DE BO, Kruidwdb. [1888].
Veldsmederij (1 en 8), veldsmidse.
Forge de campagne à quatre roues, veldsmederij, smidswagen,   V. MOOCK 451 b [1825].
  V. DALE [1898].
Veldsmid (1 en 8).
  BOMHOFF [1846].
  KUIPERS [1901].
Veldsmidse (1 en 8), vervoerbare smidshaard.
  VUYLSTEKE, Smid [1895].
Veldsmidse. Verplaatsbaar toestel om ijzeren werkstukken ten behoeve van de bewerking te verhitten,   ZWIERS [1920].
— Voor smeedwerken buiten de eigenlijke werkplaats, herstellingswerken, aanleg van pijpleidingen enz. wordt de vuurhaard door de veldsmidse vervangen,   V.D. KLOES, Smid 153 [1908].
  Spoorwegtechn. 2, 308 [1934].
Veldsmidsoven (1 en 8).
De veld smits ooven en blaasbalken,   N.-I. Plakaatb. 10, 974 [1787].
Veldsnee (1 of 7), bij HOOFT: heuvelkam die een veld in twee deelen snijdt.
Zoo de vyandt den minsten hoop haarder knechten zocht' aan te vallen, hy moest teeghen de veldtsneê op, en gaf zyn' slinke zyde ten beste aan 't gros haars voetvolx,   HOOFT, N.H. 358 [1642].
Veldsnip (1-5).
1°. In de aanh.: poelsnip, Capella media.
  WEIL. 6, 80 [1810].
Veldsnip, watersnip, poelsnip, bécassine,   V. MOOCK [1833].
Veldsnip, de gewone snip,   V. DALE [1914].
2°. In het Gentsche dial., scherts. voor: aardappel.
  LIEVEVROUW-COOPMAN [1953].
Veldsoldaat (7-8).
Hij springt van het ledikant op, werpt zich met den spoed den veldsoldaat eigen in de kleêren,   V. REES, T. Poland 2, 72 [1867].
Veldspaat (zie ald.).
Veldspade (4-5), ”gewone handspade”.
  JOOS [1900-1904].
Veldspeer (7-8).
Zy staen van verr verbaest en gaepen Hoe zy (de krijgsheldin Kamille) …, naer der herdren wijs, daer Mars heur hart beroert, Een groene myrtetelgh op haere veltspeer voert (Æn. VII, 817: pastoralem praefixa cuspide myrtum),   VONDEL 8, 489 [1660].
Veldspel (11).
1°. Spel dat op een veld, niet in een zaal gespeeld wordt.
Bedrevenheid in een bepaald veldspel, naar keuze van den candidaat (exameneisch),   Ned. Staatscour. 11 Oct. 1922, blz. 9 b. Sportencyclop. LXI b [1951].
2°. (Voetb.) Hetz. als veldwerk, bet. 5).
  V. D. LECK, Modern Voetbal 76 a [1946].
Het veldspel was goed, maar het schieten erbarmelijk slecht,   Sportencyclop. LXI b [1951].
Veldspeler (11), speler die zich over het speelveld beweegt.
Veldspeler, alle spelers van een elftal (bij handbal), behalve de doelverdediger. Zij moeten hetzelfde costuum dragen,   Sportencyclop. 287 b [1951].
— Werpen, van de bal door de veldspelers (bij honkbal) geschiedt meestal door een strekworp,   328 b [1951].
De uitrusting van een veldspeler (bij ijshockey) bestaat uit een paar handschoenen van paardenleer met hoge manchetten enz.,   733 b [1951].
Veldspiegel (1-5).
1°. Tuinspiegel.
  NEMNICH, Holl. Waaren-Lex. [1821].
Op lage voetstukken (zijn) groote bollen … geplaatst, die ik meen voor glazen veldspiegels te moeten houden,   Volks-alm. v. Ned. Kath. 1863, 207.
2°. Bij HEUKELS 63 b [1907], zonder localiseering, als ben. van Brave Hendrik, Chenopodium bonus Henricus L. Verg. bij VISSER, Volksn. [1912]: veldspingel, drukfout voor veldspiegel?
Veldspin (1-5).
  WEIL. 6, 80 [1810].
Veldspin, araignée des champs, hooiwagen, herderspin, faucheur,   V. MOOCK [1833].
Veld-Spinnen, die de gras-spieren aan één spinnen, en 't veld als met rag bedekken,   Verh. Holl. Maatsch. d. Weet. 7, 1, 299 [1763].
Het Veldspinnetje, dat zyne eitjes in een beursje met zig draagt,   BERKHEY, N.H. 3, 19 [1772].
Veldspinazie (1-5), ben. voor Brave Hendrik, Chenopodium bonus Henricus L., bij HEUKELS 63 b [1907] vermeld als volksn. voor Salland; door CHOMEL, Verv. 1910 b [1788] en WEIL. 6, 80 [1810] in de wdb.
Ganzevoet met driehoekig Pylvormige effenrandige Bladen en samengestelde, Bladerlooze, Oxel-Aairen … Van sommigen is het … Veld-Spinagie genoemd geweest; doch de algemeenste naam is Goede Henrik,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 7, 772 [1777].
  V. HALL, Kruidt. Middelb. 68 [1871].
Veldspitsmuis (1-5), een op het veld levende soort van spitsmuis, Crocidura leucodon.
  BREHM-HUIZINGA 1, 266 b [1910].
De veldspitsmuis bewoont Centraal-Europa van België tot Hongarije … In ons land bereikt zij ongeveer haar noordelijke grens. De lichaamslengte bedraagt 7-8.5 cm … De vacht is tweekleurig. De rugzijde is glanzend donkergrijs, de daarvan scherp afgeteekende buikzijde wit,   IJSSELING en SCHEYGROND, Zoogd. 189 [1943].
Veldspoel (24), bij electrische machines: spoel op de polen of in de gleuven, door de windingen waarvan de veldstroom vloeit die het magnetische veld in stand houdt (Techn. W. P. Encyclop. [1953])).
Veldspoel, magneetspoel. De tusschen de ankerkransen gelegen magneetspoel,   Electrotechn. Wdl. 39 [1907].
— Deze stroom veroorzaakt met het veld, opgewekt door de veldspoel Sp een draaimoment,   Spoorwegtechn. 3, 489 [1937].
  WILKE e.a., Scheepsb. 2, 269 [1946].
Hierbij: veldspoelschakeling.
Veldspoelschakeling. De verandering van den veldmagneetweerstand door de in serie- of parallelschakeling der spoelen, waarin de veldwikkeling verdeeld is,   Electrotechn. Wdl. 46 [1907].
Veldspook (1-5).
Burgemeister gleufde niet ens da'j weerwolven hadt; asof d'r zelfs geen vurige veldspoken woaren!   CREMER 12, 231 [1863].
Veldspoor (1-5).
1°. In de aanh.: spoor, weg, verloop zooals dat/die op het veld (door de natuur) gevolgd wordt.
Geen koren kan zoo voeden, als Godts zegen; Die niet behoeft den zonneschijn, noch regen; Noch altijt volght het veltspoor van Natuur; Maer d'airen koockt, oock zonder zon en vuur,   VONDEL 4, 472 [1645].
2°. (Ongew.) Wagenspoor, karrespoor.
  DE VOS, Vl. Jong. 62 [1881].
3°. Zie de aanh.
Smalspoor, (of) Veldspoor … noemt men de gemakkelijk uit elkaar en op te nemen spoorlijn, zooals die voor tijdelijke en particuliere doeleinden wel wordt aangelegd en welke gewoonlijk een mindere spoorwijdte heeft dan de normale,   ZWIERS 2, 363 a [1920].
Veldspoorbaan (8), spoorbaan aangelegd voor militair gebruik.
Wanneer de bestaande spoorwegen … plaatselijk niet voldoende in de gemeenschap ten behoeve van de militaire operatiën voorzien, worden in oorlogstijd nieuwe spoorwegen voor dit doel aangelegd, welke veldspoorbanen worden genoemd,   Handb. d. Pionierk. 2, 20 [1914].
  ZWIERS [1920].
Veldspoorweg (8), hetz. als veldspoorbaan.
  Handb. d. Pionierk. 2, 20 [1914].
Veldspreuk (7-8).
Om hoog leest men zyne Veldspreuk, door de kenners der wapenkunde Cris de Guerre of krygsgeschrey genaamd, 't gene de oudste zoon des geslachts altyd toekomt,   V. LOON, Historipenn. 1, 333 [1723].
Veldsprinkhaan (1-5), ben. voor een familie van meest tusschen granen levende sprinkhanen, Acridiidae.
  SCHLEGEL, Dierk. 2, 218 [1858].
  WILLEMSE, Rechtvl. Insect. 45 [1941].
Veldstaf (8), veldheersstaf.
  V. DAELE, Tydv. 36, 10 [1806].
Veldstal (1-5), stal in het veld.
  WALSCHAP, Christus 39 [1940].
Veldstandaard (7-8).
'k Zie 't volk aan alle kanten De Heirtent spannen, en de Veldstandaarden planten,   V. EFFEN, Spect. 4, 12 [1732].
  BILD. 1, 136 [1795].
Veldstapel (1-5) (veroud.), sprinkhaan in het veld.
Pallas de Numidaner, … Hercules de Griecke enz. …, de welcken inden cloecheyden van haren lichamen so vreesselick … waren dat de ander menschen by hunluyden schenen te wesen, gelijck de veltstapelkens  (Epistolas [1544], 37 b: las langostas) schijnen by ander menschen,   V. BERESTEYN, Sendtbr. v. De Guevara 2, 97 b [ed. 1595].
Veldsteen (zie ald.).
Veldsteenmos (1-5).
Poeder N° 58. Witte Pimpernelwortel, 2 looden; Veldsteenmos, 2 looden,   THON, Honden 137 [vert. 1833].
Veldsteenoven (1-5), steenoven in het veld, veldoven.
Veld Steen-Oventjes, die, van Kanalen afgelegen, alleen tot gerijf der Landlieden dienen,   Verz. v. W. v. d. Kon. v. Holl. 8, 64 [1809].
Veldstellen (5, d), (in de veenderij) ”de kanten van het land vierkant maken, met palen riet en zoden, afgezakte of uitgespoelde kanten in goeden toestand brengen, om het veenslijk daarop op gelijke breedte te kunnen uitspreiden” (Aant. [2de h. 19de e.])).
Wij hebben veldgesteld,   als voren.
Veldstelsel (5), stelsel van bebouwing der velden.
De meer geregelde veldstelsels deden hun intrede, waarbij een bepaald deel van het ter bebouwing beschikbare land beurtelings als braakland werd gebruikt,   DIEPENHORST, Leerb. d. Econ. 2, 224 [1935].
Veldsterkte (24), sterkte van een electrisch of magnetisch veld in een bepaald punt, of gemiddelde sterkte van het geheele veld.
Het aantal eenheden eener magnetische kracht, d.i. een veldsterkte, wordt gevonden door het aantal eenheden van een kracht te deelen door dat van een hoeveelheid magnetisme,   BOSSCHA-WIND, Leerb. d. Natuurk. 5, 21 [1903].
  V. CAPPELLE, Electr. 107 [1908].
Gauss … ontwikkelde een methode voor het meten van de magnetische veldsterkte,   E.N.S.I.E. 5, 42 b [1948].
Veldstoel (zie ald.).
Veldstok (7-8) (veroud.). 1°. Halve piek.
Veldstok, syn. Halve piek,   LANDOLT, Dict. Pol. 1, 62 a [1865].
2°. Stok gebruikt bij het richten van een kanon.
Voor eerst soo stelt u stuck wel recht water pas, dan soo neemt u Veldt-stock enz.,   W. CLAESZ., Bossch. 62 [1641].
Veldstreek (1), german. (< hd. feldstrecke?), uitgestrektheid lands.
Men (pleegt), bijzonder in Engeland en Frankrijk, op groote vlakke veldstreken, met Engelsche of Fransche jagthonden ook hazen en vossen parforce te jagen,   THON, Honden 223 [vert. 1833].
Veldstrijding (7-8?), in de aanh.: strijd, oorlog (?).
De groote begeerlicheyt die Christus droech om ons salich te maken, ende de veltstrijdinghe om ons te verlossen was so geweldich, dat enz.,   V. BERESTEYN, Sendtbr. v. De Guevara 2, 62 b [ed. 1595].
Veldstroom (24).
Veldstroom of veldmagneetstroom. De stroom door de veldwikkeling loopend,   Electrotechn. Wdl. 33 [1907].
Veldstroom wordt bij electrische machines wel de bekrachtigingsstroom genoemd,   Techn. W. P. Encyclop. [1953].
Veldstrooperij (4-5), hetz. als velddiefstal.
  FOCKEMA ANDREÆ, Rechtsgel. Handwdb. [1948].
Veldstudie (1), studie (van de dieren) in het vrije veld.
  IJSSELING en SCHEYGROND, Zoogd. 145 [1943].
Veldstuk (zie ald.).
Veldtabak, Virginia-tabak.
  V. DALE [1950].
Veldtafel, veroud.
1°. (1-8) Lichte opvouwbare tafel voor gebruik in de open lucht. Gevormd naar analogie van veldstoel?
Veldtafels, Feldtische,   NEMNICH, Holl. Waaren-Lex. [1821].
— Een eecken velttafel met een groen lakens cleedtgen (huisraad van een schilder),   in BREDIUS, Künstler-Inventare 938 [1631].
Wij (zonden) vijf buffelkarren en twee span paarden vooruit, … en namen een koffer, een veldtafel, een stilletje en eenige provisiën mede,   in Ts. v. N.-I. 18, 2, 175 [1776].
  HAAFNER, Madras 54 [1806].
2°. (1) Maaltijd in de open lucht.
Ach onze vriend, dat wy u omhelzen, ach gewis deze eenvoudige veldtafel leidt ons op tot de wonderbaare Godheid … Hoe aangenaam smaakt ons een beete broods, in deeze loverzaal,   BERKHEY, N. H. v. K. 1, 317 [1781].
Veldtamboer (8) (veroud.), zie de aanh.
Een tamboer is eene afsluiting van palissaden of zware boomstammen, zamengesteld tot verdediging van den uitgang van eenig werk, tot reduit, tot bestrijking van muren, gebouwen enz. … Als zelfstandige werken geeft men hen meestal eenen spiraalsgewijzen vorm en zij verkrijgen dan den naam van veldtamboers,   LANDOLT 2, 104 [1862].
Veldtapijt (1-5) (dicht.), begroeiing van het veld.
's Morgens … Lust ons, vrolijk, korf en mandjes, Van 't gebloemt, dat langs uw boord (dien van een beek) Ons op 't veldtapijt bekoort, Op te vullen langs uw randjes,   KOOLAART-HOOFMAN 28 [± 1700].
  V. WINTER, Amstelstr. 40 [1755].
  POTGIETER 1, 302 [1839].
Langs 't zuiden de malsche veldtapijten,   TIMMERMANS, Schoon Lier 10 [1925].
Veldteeken (zie ald.).
Veldtelefoon (8), telefoonlijn ten dienste van het leger te velde.
Telephoontoestellen van allerlei aard, telegraphonen en veldtelephonen daaronder begrepen,   Tariefw. 1924 (Stbl. 568), blz. 165.
Hierbij: veldtelefoondienst (Milit. Spect. 88, 246 [1919])) en veldtelefoontoestel (a. w. 88, 257 [1919])).
Veldtelegraaf (8), telegraaf ten dienste van het leger te velde.
  LANDOLT, Dict. Pol., Suppl. [1874].
  KUIPERS [1901].
— In den laatsten tijd (heeft) de veldtelegraaf een bijzonder gewicht verkregen. Zij volgt de voorwaartsgaande legers op den voet en onderhoudt de verbinding zoowel tusschen gescheiden afdeelingen onderling, als ook met het hoofdkwartier en de operatiebasis,   DE VLAMING, Leiddr. Tact. 121 [1883].
Hierbij: veldtelegraafafdeeling (LANDOLT, Dict. Pol., Suppl. [1874]; Handb. d. Pionierk. 2, 142 [1914]))
veldtelegraafbataljon (Tijdschr. v. Posterijen en Telegr. 16, 87 a [1899]))
veldtelegraafcompagnie (SCHREUDER, in Milit. Spect. 88, 246 [1919]))
veldtelegraafdienst (Tijdschr. v. Posterijen en Telegr. 15, 63 b [1898]; Handb. d. Pionierk. 2, 142 [1914]))
veldtelegraafmaterieel (Tijdschr. v. Posterijen en Telegr. 16, 86 b [1899]))
veldtelegraaftoestel (Tijdschr. v. Posterijen en Telegr. 16, 86 b [1899]))
veldtelegraafverbinding (Handb. d. Pionierk. 2, 135 [1914])).
Veldtelegrafie (8), telegrafie bij het leger te velde.
De regeling der veldtelegrafie buiten gemeenschap met het algemeen telegraafnet,   Reglem., a. 4, bij Besl v. 10 Aug. 1880  (Stbl. 158).
Dat er zoo-goed-als geén veld-telegrafie bij het belgische leger was,   MOOY, Maalstr. 3, 172 [1930].
Veldtent (1 of 8), tent in het veld.
  WEIL. 6, 80 [1810].
— Hy (zekere veldheer) … vliegt … Als een verwoede Leeu, de hooge velttent uit,   SCHERMER 104 [1708].
Die van Wondelghem logeerden in eene schoone veldt-tente geslagen op het gespet (bij een landjuweel),   in Ann. Land v. Waas 12, 76 [1756].
Angstkreten uitgestooten in den nacht, van onder de neêrgeslagen zeilen der veldtenten (van kermisgasten),   V. LOOY, Proza 239 [1889].
Veldtenue (8), tenue, uniform voor den dienst te velde.
  KOENEN¹ [1937].
Goed, laat het veldtenue een sportief werkpak zijn zonder versierselen, maar geef den jongens dan iets kwieks en fleurigs te dragen, als zij naar de meisjes gaan kijken,   ROOTHAERT, Vlam in de Pan 70 [1943].
Veldterrein (16), heideveld.
De Grondeigenaars van de benedenzijde (van de Veluwe) hebben daar wel geene uitgestrekte woeste Veldterreinen, doch enz.,   in KOPS, Vad. Landb. 4, 470 [1808].
Veldtheorie (24), theorie der electrische en magnetische velden.
De groote verdienste van Lorentz is het, te hebben laten zien, hoe de veldtheorie en de atomistische opvatting vereenigd kunnen worden tot een bevredigende theorie,   CASIMIR, in Scientia 3, 136 [1938].
Veldtijd (4-5), tijd dat men op het veld werkzaam is bij de tabakscultuur, tgov. schuurtijd.
  GRANSBERG, in Zóó leven wij in Indië 223 [1945].
Veldtijm (1-5), ben. voor wilden tijm, Thymus serpyllum L.
  HEREMANS [1869].
Veld Thijm … Groeit in de duinen buiten 's Hage, Haarlem, enz.,   SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 263 [1815].
Ze (plukte) wat veldtijm, dat ze tusschen de vingers stukwreef, waarop ze die het heele gezelschap ter besnuffeling aanbood, om het op den lekkeren geur te vergasten,   V. BERKEN, Dochters v. d. Gen. 158 [1897].
  VISSER, Volksn. [1912].
Veldtjakker (1-5), volksn. (volgens een mededeeling van A. SWAEN bij Haagsche vinkers en op de Noord-Veluwe (Hulshorst))) van den kramsvogel, Turdus pilaris, en onder ornithologen zeer verbreid; mogelijk een samenst. van het gelijkbeteekenende tjakker (zie voor de verklaring Dl. XVII, 243), tenzij deze laatste naam, die later is opgeteekend, een verkorting van veldtjakker is.
De Kramsvogel, Turdus pilaris, die veelal ook Veldjakker, nabij Haarlem Kamlijster en in Groningen dubbele Lijster genoemd wordt, is omstreeks zoo groot als de zwarte Lijster,   SCHLEGEL, Vogels 77 [1860].
Kramsvogel. (Turdus pilaris, Grive litorne, Fieldfare, Krammetsvogel), Veldtjakker,   THIJSSE, Vogelb. 92 [1912].
Veldtocht (zie ald.).
Veldtoon (2), ”gewoonlijk de toonsoort Es dur” (Muz. Wdb. [1855])).
Veldtooneel (1-5), dicht. en veroud.
Dichters, en Verliefden zyn immers enthusiasten omtrent de stille schoonheden der zalige Natuur? … Of zoud gy liever met C. V. deeze bevallige Veldtooneelen betreeden?   WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 57 [1784].
  BILD. 6, 358 [1802].
Veldtrein (8) (veroud. ), legertros.
Veldtrein. De gezamenlijke nasleep van een leger in het oorlogsveld, bestaande uit het geschut, en de voertuigen voor krijgsbehoeften, en verdere noodwendigheden, met de daartoe behoorende paarden en manschappen,   WEIL. [1810].
— Onder het voorsz. Capittel is de Commis van de Veldtrain gebragt met een Tractement van f 800 : 0 : 0, in plaats van f 400 : 0 : 0,   N. Ned. Jaarb. 1790, 1460 [1790].
Veldtroep. 1°. (2) (Ongewoon) Landelijke troep.
  BILD. 4, 265 [1804].
2°. (8) Troep van het veldleger.
Veldtroepen. Troupes de ligne. Feldtruppen,   LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
Veldtrom (8).
  TRIP, Tydw. 237 [1764].
Veldtrompet (8), krijgstrompet.
  BILD. 1, 131 [1795].
  BILD. 2, 253 [1805].
Veldtros (8), legertros.
  WEIL. [1810].
  V. DALE [1950].
Veldtuig (8) (veroud.), < hd. feldzeug, geschut met toebehooren. Alleen in wdb. aangetroffen.
Veldtuig, krygstuig, alderley Geschut, Mortieren, Bomben &c.,   MARIN [1701].
  V. DALE [1950].
Hierbij: veldtuigmeester (veroud.), < hd. feldzeugmeister, generaal der artillerie.
Veldtuigmeester. Maitre de l'artillerie,   MARIN [1701].
  LANDOLT, Dict. Pol [1865].
— Korps-generaals … bij de Oostenrijkers veldtuigmeesters en generaals der kavallerie (genoemd),   LANDOLT 1, 175 [1861].
Veldtuigwerker (veroud.), geschutwerker.
Veldtuigwerker, een vuller van kardoezen, bomben, enz.,   WEIL. [1810].
  KUIPERS [1901].
Veldtuin (1-5).
Veld-tuyn. Sepes aruorum, veltezunius in lege Salica Franc.,   KIL. [1599].
Velduil (1-5), ben. van een soort uil, Asio flammeus of A. accipitrina, die op den grond nestelt.
Uijl, Lat: Bubo … Zijn veelderleij als Rantuijlen, Kerck-uylen Velt-uijlen enz.   … Dese alle voeden ende broeden … hier te landen, Jachtbedr. 40 [± 1636].
  STARING, Huisb. 303 [1862].
Achter in de polder daar schommelden de beide velduilen, jacht makend op de veldmuizen,   DE STOPPELAAR, Vogels v. Polder en Weide 103 [1939].
Velduitrusting (8).
1°. benoodigdheden voor een soldaat te velde.
  LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
— De veldflesschen, kapmessen, bijlen en dergelijke benoodigdheden voor de troepen te velde, worden beheerd en verantwoord onder een afzonderlijk hoofd, ”velduitrusting”,   Stbl. v. N.-I. 1831, n° 56, blz. 717 b.
Het marcheren in den stikdonkeren nacht … wordt nog bemoeijelijkt door het ondoelmatige der velduitrusting,   V. REES, T. Poland 1, 215 [1867].
2°. Zie de aanh.
Velduitrusting, uniform, dat in dienst gedragen wordt, in tegenstelling tot groot tenue,   V. HAERINGEN [1946].
Velduniform (8), uniform die door militairen in het veld gedragen wordt.
  Stbl. v. N.-I. 1921, n° 526.
Veldvaan (7-8), veldbanier.
Veldtvlag. Veldtvaan. Baniere, pavillon qu'on arbore sur une tente,   HALMA [1710].
  KUIPERS [1901].
Veldvaart (4-5) (veroud.), landbouwwerktuigen waarmee men over het veld vaart of rijdt (zie VAREN (IV), bet. 6).
Soo wie eenighe velt-vaert naeme, als ploeghen, egghen …, waghen, kerre oft dierghelijcke den velt-vaert aengaende, sal den heere ghelevert worden, om nae gheleghentheijt van de sake ghestraft te worden,   Cost. v. Antw. 5, 310 [Deurne, 1612].
Veldvecht (7, a), gevecht in het strijdperk. Eenmaal aangetroffen.
L. Hy (heeft) daedlijck … zijn hand-schoen af ghetoghen, En riep my tot ghevecht, zo dat ick vechten moet … F. Hoe, Prince zoudt ghy vechten? L. De Veldvecht moet gheschien zal ick onz' oneer rechten,   RODENBURGH, Alex. 52 [1618].
Veldvergelijking (24).
Evenals bij het electrisch veld, gelden voor het magnetisch veld tweeërlei soort van veldvergelijkingen. De eerste soort heeft betrekking op de flux door een gesloten oppervlak, of in differentiële vorm op de divergentie, terwijl de tweede soort betrekking heeft op de lijnintegraal,   E.N.S.I.E. 4, 153 b [1949].
Het verband tusschen werkingsfunctie en veldvergelijkingen,   EUWE, Differentiaalinvarianten van Vectorvelden 75 [1926].
Veldverlichting. 1°. (13) Verlichting van een vliegveld.
  Luchtvaartencyclop. 297 [1936].
2°. (23) Diffuse verlichting van het veld van een kijker, noodzakelijk om ook meetdraden te zien (E.N.S.I.E. 10, 1201 b [1952])).
Veldvermaak (2), (dicht.) landelijk genoegen.
  V. MOOCK [1833].
  TOLLENS 2, 159 [1813].
Veldvermakelijkheid (2), hetz. als veldvermaak.
Veld-vermaekelykheden …, als zyn Laeningen van wel behandelde hooge opgaende en uitkroonende boomen, Scheer-heggen, Bosjens enz.,   DE LA COURT V. D. VOORT, Landh. 1 [1737].
Veldversch (4-5) (neologisme), versch van het veld.
Moderne conserveringsmethoden, waarbij de veldverse groenten luchtdicht worden gekookt,   Het Vrije Volk 28 Maart 1953.
Veldverschansing (8).
1°. Aardwerk van tijdelijken aard in het open veld, in oorlogstijd opgeworpen om de troepen meer weerstandsvermogen te geven (V. DALE [1898])).
2°. Kunst om de onder 1°. genoemde aardwerken op te werpen.
Terwijl de veldverschansing hare werken slechts voor eenen enkelen veldslag … daarstelt, moeten de werken der duurzame Veldversterkingskunst eeuwen duren,   LANDOLT 2, 299 [1862].
Hierbij: veldverschansingskunst.
  V. KERKWIJK, Verst. 11 [1862].
Veldverscheiding (4-5) (gewest.), verdeeling van gronden.
  V. DALE [1914].
— Bij de veldverscheiding of markeverdeeling werd de boermarke eerst in zoogenaamde blokken verdeeld,   EDELMAN, Tiesing 72 [1943].
Veldversterking (8).
Veldversterking. Versterkingen, welke kort vóór, tijdens of na het gevecht door de troepen te velde worden aangelegd, onder hunne eigen officieren, met eenvoudig draagbaar gereedschap en met gebruikmaking van de hulpmiddelen, welke ter plaatse worden aangetroffen,   ZWIERS [1920].
— K. heeft gehoord van B., dat er in Zeeland plannen aan 't rijpen zijn om de veldversterkingen door burgers te laten uitvoeren. Dan kan de troep eindelijk eens gaan oefenen,   ROOTHAERT, Vlam in de Pan 112 [1943].
Hierbij: veldversterkingskunst.
  V. KERKWIJK, Verst. 11 [1862].
  ELAND, Veldverst. 217 [1870].  Kath. Encyclop. [1938].
Veldverzwakking (24), bij electrische machines: ”het laten afnemen van de magnetische flux door vermindering van het aantal ampèrewindingen dat deze flux veroorzaakt” (Techn. W. P. Encyclop. [1953])).
Moet de snelheid (van den trein) nog hooger worden, dan wordt deze door de z.g. veldverzwakking der motoren verkregen,   Spoorwegtechn. 3, 596 [1937].
Veldvink (1-5).
1°. In de aanh.: vogel uit het vrije veld.
Van dese 10. graden voortaen tot die custe van Indien toe, sietmen somtijts veel ghevogelt die van 't lant ende custe versteken zijn (te weten vande custe van Arabien) als Quartels ende ander dierghelijcke Velt-vincxkens,   V. LINSCHOTEN, Nav. d. Port. 20 a [1595].
Saghen twee ofte drie cleyne veldt-Vincxkens, waer van onze gasten twee joncxkens af grepen,   V. LINSCHOTEN, Reysen na Vaygats 9 d [1601].
2°. Gewone vink.
  V. DALE [1872] -[1898].
Veldviolet (1-5), zndl. volksn., hetzelfde als veldviooltje.
Veldvioletten. Te Bautersem, Hove, Vertryck. Viola tricolor L.,   PAQUE, Vl. Volksn. [1896].
  JOOS [1900-1904].
  CORN.-VERVL. Aanh. [1906].
Veldviool(tje) (1-5), ben. voor het driekleurig viooltje, Viola tricolor L.
  RIJNHART, Wdb. v. h. prakt. Leven [1866].
— De Veldt-violen in den Hof geplant of gezaeyt zijnde, wassen veel schoonder en lieffelijcker, als in 't wilde,   Verm. Landt-lev. 2, 48 b [1668].
  SCHERMER 214 [c. 1710].
  V. LENNEP, Poët. 12, 97 [1840].
De bloemetjes (op een das in een z.g.tooverboekje”) … de aardig kleine veldviooltjes zijn in nijdige, valsche gezichtjes veranderd,   V. BRUGGEN, Huisje a. d. Sl. 30 [1921].
Veldvlag (8).
Veldtvlag. Veldvaan. Baniere, pavillon qu'on arbore sur une tente,   HALMA [1710].
  KUIPERS [1901].
Veldvlieger (1-5), veldduif; door CHOMEL 551 [1768] en WEIL. [1810] in de wdb.
  WEIL. [1810].
Veldvlieger: gewone duif,   HERMANS, Jagerswdb. [1947].
— Wy … vonden inde Boomen groote menighte van Duyven, van die blauwe Velt-vliegers,   BONTEKOE, Iourn. 6 [1646].
Duif die blaauwagtig is, de Hals van boven glimmend groen, een band der Wieken en de tippen van de Staart zwartagtig. In deeze Soort begrypt Linnæus de gewoone wilde en tamme Duiven … De Wilde …, gemeenlyk Koolduif of Veldvlieger genaamd, voert by de Grieken den naam van Oenas,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 5, 430 [1763].
  Boeren-Goudmijn 5, 357 [1859].
Veldvliet (1-5).
De veltvliet Jabock houdt hier Galaäd gescheiden,   VONDEL 9, 95 [1660].
Veldvluchter (1-5).
1°. Tamme duif die vluchten maakt naar het veld om daar haar voedsel te zoeken; veldvlieger, veldduif. Verg. hd. (ook nd.) feldflüchter [1731-'43]; fr. pigeon fuyard.
Veldvluchters: tamme of tilduiven,   HERMANS, Jagerswdb. [1947].
Door duiventil wordt verstaan elk toestel, waarop zoogenaamde tilduiven of veldvlugters worden gehouden,   Wet v. 13 Juni 1857 (Stbl. 87), a. 33.
Columba Livia, Brisson … Veldduif, Veldvlugter. Gib, wilde Gib. Vroeger in grooten getale te Leeuwarden … Thans vindt men ze niet meer, dan in half wilden staat op duiventillen ten platten lande,   ALBARDA, Naaml. der in Friesl. waargen. Vogels 79 [1884].
2°. (Jag.) Gekscherend als ben. voor zeer rille patrijzen (HERMANS, Jagerswdb. [1947])).
Veldvluchtig (zie ald.).
Veldvluggerd (1-5), blijkbaar hetz. als veldvluchter, 1°.
Van een meisje, dat te veel uitgaat (zegt men): Het is een veldvluggertje en Het is een wilde duif,   HARREB. 3, LXVII a [1870].
Veldvoerder (7-8) (veroud.), legeraanvoerder.
Veld-voerder. vetus Dux exercitus,   KIL. [1599].
— Op dien dach als … ghyluyden ons waert gevende den veldtslach, ordineerde ghy het Legher ghelijck eenen verstandighen Capiteyn, ghy … ontnaemt ons den sonne als een vervaren veltvoerder,   V. BERESTEYN, Sendtbr. v. De Guevara 2, 53 b [ed. 1595].
Veldvogel (1-5).
1°. In het veld levende vogel, tgov. boschvogel of watervogel.
  V. DALE [1872].
  TEIRL. [1922].
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
2°. Lokvogel der vogelaars.
Veldvogel. Eene levende vink, die de vinkevangers in eene kooi meêdragen om door haren zang de wilde vinken uit te lokken en te doen vallen,   DE BO [1873].
Veldvogelaar (1-5), (scherts.) liefhebber van vogels in het veld.
Een bekend veldvogelaar beweert, dat zij (jonge boompiepers) dan in ontwikkeling bij jonge duinpiepers achterstaan,   WIGMAN, Vogels v. Heide e. Stuifz. 55 [1939].
Veldvoorwagen (8), ”tweeraderig voertuig, bestemd tot vervoer van Veldaffuiten en Kaissons. Is verder ingerigt om de benoodigde munitiën te bevatten”, Aant. v. G. KUYPER Hz. [1854].
Veldvossestaart (1-5), ben. voor een soort van vossestaart, Alopecurus pratensis L.
Veld Vossenstaart met een regtopstaande halm, een cylindervormige bloemair, purperachtig, en effen kafjes. Groeit in de koornlanden bij Maarsen,   SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 29 [1815].
Veldvreugde (2).
  WEIL. 6, 80 [1810].
— De wintervorst vierde zijn lusten den toom …; De veldvreugde ruimde voor de ijsvreugde plaats,   TOLLENS 9, 136 [c. 1820].
Veldvrouw (1-5), lichte vrouw. Eenmaal aangetroffen.
Een wijse Vrouwe en is geen … veldt-Vrouwe, gelijck Dina … Maer een Huysvrouwe, ghelijck Sara,   SPRANKHUISEN 1, 102 b [1634].
Veldvrucht (zie ald.).
Veldwaarneming (1), waarneming in het vrije veld.
  TOLMAN, Vogels v. Akker en Struikgew. 41 [1939].
  IJSSELING en SCHEYGROND, Zoogd. 146 [1943].
— Grondboringen en proefbemalingen. De veldwaarnemingen daartoe werden verricht in de herfst en de winter van 1957. Zij bestonden uit een tweetal pompproeven,   Deltawerken 5, 10 [1958].
Veldwacht (zie ald.).
Veldwachter (zie ald.).
Veldwachtmeester (1), politie-ambtenaar in Zuid-Afrika.
Den Welede. Gestr. Heer Gouverneur … wierd omtrent een half uur van de Queek-valley af, te gemoed gereden door den veldwagtmeester H. H. nevens twaalf van zyne onderhebbende manschappen,   in GODÉE MOLSB., Reizen in Z.-A. 2, 69 [1778].
  2,179 [1781].
Veldwagen. 1°. (1-5) In de aanh.: boerenwagen.
Komst aan wal te Nes (op Ameland) …, wordende hier met veldwagens van boord gehaald,   Alm. v. kennis en goeden Smaak, Dep. Leens 18, 96 [1845].
2°. (8) Voorraadwagen der artillerie, Aant. [2de h. 19de e.].
Veldwal (8).
De Françoizen wierden niet zoo dra de voorhoede van der Bondgenooten krygsmagt gewaar of zy verlieten alle hunne wyduytgestrekte veldwallen, welken zy … tot dekking van Walschvlaandre gemaakt hadden,   V. LOON, Historipenn. 4, 590 b [1731].
Veldwater (1-5).
Welcke brugge ofte aquae ductus, van onder sal moeten hebben 4 oft 5 stercke gemetste bogen, om datter het Sinnewater met gemaek soude door vloyen, met noch 2 oft 3 klijnder voor het wintersche veltwater,   in E. Schoon en Brab. 37, 66 [17de e.].
Veldwedstrijd (11).
Veldwedstrijd: wedstrijd van staande honden, spaniels of retrievers in het veld,   HERMANS, Jagerswdb. [1947].
— (Zekere fokker) schiep het ras (van den Engelschen setter), dat meer dan eenig ander schittert op de Engelsche veldwedstrijden,   Toepoel's Hondenencyclop. 184 a [1940].
Veldweegluis (4-5).
Doende de Sprinkhanen, Krekels en Veld-Weegluizen in die streken, waar zij zijn, veel schade, vooral aan het hooi en graangewas,   BERKHEY, N.H. 9, 134 [1811].
Veldweegs (5), zie bij VELD (I), kol. 1466.
Veldweerstand (24), ”totale weerstand van bekrachtigingswikkeling en voorschakelweerstand bij een electrische machine” (Techn. W. P. Encyclop. [1953])).
Veldweg (1-5), onverharde buitenweg door de velden, landweg.
  LANDOLT, Dict. Pol. [1865].
Veldbaan, … ook veldweg,   RUTTEN [1890].
  CORN.-VERVL. [1903].
  CLAES, Bijv. op TUERL. [1904].
  ZWIERS [1920].
— Toen pachter T. de achterdeur zyner hoeve uitstapte om langs den veldweg zich naer de nieuwe wooning van Jan S. te begeven,   CONSC., Plaeg d. D. 58 [1855].
  EDELMAN, Tiesing 73 [1943].
Ademloos stond ik op den smallen veldweg. De landarbeiders waren weer aan hun werk,   VOETEN, Doortocht 152 [1943].
Veldwegel (4-5) (zndl.), pad door de velden.
  TEIRL. [1922].
— Men zag hem … langs den steenweg loeven …, of verderop afwaaien van den veldwegel,   DE VOS, Vl. Jong. 12 [1881].
  DE MONT en DE COCK, Vl. Vert. 163 [1898].
Veldwerk (zie ald.).
Veldwerkzaamheden (4-5), werkzaamheden te velde.
  V. DALE [1914].
Veldwesp (1-5), ben. van een soort wesp, Polistes gallica.
  BOMHOFF [1857].
Veldwesp, wespensoort die zeer eenvoudige nesten, meestal onbedekt blijvende, bouwt,   V. DALE [1914].
— Bij het over alle werelddeelen verbreide geslacht der Veldwespen (Polistes) is de omtrek van het halfzittende achterlijf langwerpig eivormig,   BREHM-HUIZINGA 3, 434 a [1910].
Veldwevel (zie ald.).
Veldwikkeling (24), wikkeling of spoel welke om een ijzeren kern gewonden is, ten einde een sterk electromagnetisch veld te verwekken wanneer een stroom door de windingen gaat (GROENEN, Scheepv. Encyclop. 560 [1939])).
Magneetwikkeling of veldwikkeling. De geheele wikkeling der veldmagneten,   Electrotechn. Wdl. 32 [1907].
— In stand 3 zijn de ankerwikkelingen nog in serie, de veldwikkelingen echter parallel geschakeld, zoodat de veldbekrachtiging zwakker is,   Spoorwegtechn. 3, 686 [1937].
Veldwild (1-5), wild dat zich in het vrije veld ophoudt.
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
Veld- noch vogelwild en vand hij, speur van wit konijn of reebok, niets en liet de sneeuw meer zichtbaar,   GEZELLE (ed. BAUR) 1, 820 [1879-'86].
Veldwimpel (7-8) (veroud.), veldteeken.
Veldteecken, veldtwimpel. L'enseigne, estendart, guidon, ou baniere,   PLANT. [1573].
Veldwimpel. Signum militare, vexillum,   KIL. [1588].
Veldwinde (4-5), ben. voor de akker- en de haagwinde, Convolvulus arvensis, resp. C. sepium L.; bij HEUKELS 73 b [1907] en HEUKELS 74 b [1907] zonder aanduiding van plaats.
Veldwinnen (18), zie bij VELD de bet. 18, a, α).
Veldwinnend (18).
Men moet het wel overlaten aan de veldwinnende betere kennis van het wezen der maatschappij,   VISSERING, Herinn. 1, 202 [1859].
  BUYS, Stud. 1, 265 [1868].
In de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw was het de steeds meer veldwinnende overtuiging van de natuurvorschers dat de wereld een mechanisme is, waarin iedere beweging causaal is te verklaren,   DE HAAN, in Scientia 1, 344 [1938].
Om de veldwinnende staatstyrannie te breken ijvert hij (Gezelle) reeds voor verruiming van het verkiezingsrecht,   BAUR, voor GEZELLE (ed. BAUR) 4, VII [1950].
Veldwissel (8), ”eenvoudige wissel, welke te velde wordt gemaakt om vernielde wissels weder geschikt te maken voor het spoorwegverkeer, dan wel door andere van eenvoudige constructie te vervangen” (ZWIERS [1920])).
Veldwoning (2).
De statelijke Praal en zedige Burgergestichten der Stedelingen, als de vermakelijke Landhoeven en geringe Veldwooningen,   GOEREE, Bouwk. 129 [1681].
Veldwoorden (1) (veroud.), los praatje, woorden zonder grond; reeds mnl. (R. v. Aardenb. 238, 12 [1424])).
Het zijnt niet dan vlochreeden, oft velt woorden,   Ghem. Duytsche Spreckw. B v v° [1550].
Veldworm (1-5) (veroud.), aardworm, regenworm. Door WEIL. 6, 80 [1810] thans nog in de wdb.
Regen-wormen, Pier-wormen, Veldwormen; in 't latijn Lumbrici terrestres, zijn zodanige Wormen, welke overal in 't gras onder de aarde worden gevonden, en zeer dienstig zijn om visch te vangen,   CHOMEL [1773].
Veldwortel (4-5), verg. Rhein. Wtb.: feldwortl ”Feldmöhre” [Geldern, 1931].
Veld-, paarden- of koewortels. Insgelijks een belangrijk voedergewas, hetwelk door alle vee bij uitstek gaarne gevreten wordt,   ENKLAAR, Handb. Landb. 70 [1854].
De beste stroo-stalmest levert geene voortdurende rogge-oogsten op, zooals de kataarde-mest, maar deze levert op zijne beurt noch veldwortelen, noch knollen, en houdt den akker steeds mager,   Boeren-Goudmijn 2, 234 [1856].
  Vriend v. d. Landm. 21, 391 [1857].
Hierbij: veldwortelzaad.
  KOPS, Mag. v. Landb. 6, 354 [1811].
Veldzaad (4-5), raapzaad (?).
Dat tselve coren metten vs. haghele ende onweder, met oyck omtrent drye dachwant veldsaet was in stucken gesmeten ende te neder geslaghen,   in E. Schoon en Brab. 32, 148 [Merchtem, 1556].
tAntwerpen ist alle vridaghen merct van alleranden etelicken grane, insghelijcks van raepsaet, veltsaet, oelsaet, mostaertsaet, bolsaet, lijnzaet, kempzaet, coolzaet etc.,   DE BUCK, Coopl. Handtb. 3 [1581].
Veldzakboekje (8), ben. van wat thans oorlogszakboekje heet.
Veldzakboekje, … is het boekje, hetwelk aan een ieder, die bij de koninkl. Ned. landmacht geregistreerd is, in tijd van oorlog wordt uitgereikt,   Kath. Encyclop. [1938].
Veldzand (1), bergzand.
Arena Campestris. Veldzand. Volgens Linnæus gelykt dit Zand veel naar de eerste Soort (duinzand), doch is wat ongelyk van grootte, uit den gryzen bleek. Het komt op de Boschvelden, in Sweeden, voor, inzonderheid waar Pynboomen zyn,   HOUTTUYN, Nat. Hist. III, 2, 457 [1781].
Bergzand, ook wel Veldzand genoemd, is het zand, dat in heuvels wordt gevonden,   ZWIERS 2, 592 b [1920].
Veldzandkever (16).
  WINKLER, in Alb. d. Nat. 1895, 1, 103 [1895].
De Veldzandkever (Cicindela campestris) is een buitengewoon vlugge, middelmatig groote, groene Kever, die men bij warm weder en zonneschijn op heiden en zandige wegen (bij ons vooral in de hooge streken van Gelderland) heen en weer ziet vliegen,   BREHM-HUIZINGA 3, 364 b [1910].
Veldzang (veroud.). 1°. (2) Landelijk gedicht, bucolicum; met de herdersdichten behoorend tot de modepoëzie der 18de e.
Veldt-sangh oft Herders-liet,   V. D. NOOT 108 [± 1580].
Zoet is de veldzang van de schoone herderinnen,   LANGENDIJK 1, 91 [± 1720].
  BILD. 6, 299 [1802].
  POTGIETER 3, 162 [1836].
2°. (1-5) Zang der vogels in het veld.
Daar vink en nachtegaal hun orgeltoontjens kweelen In hagedoorn of mei, den veldzang nimmer moê,   V. LENNEP, Poët. 5, 156 [1826].
Veldzicht (1-5), gezicht, uitzicht op of over het veld; naam van vele buitenplaatsen.
  WEIL. 6, 80 [1810].
  KUIPERS [1901].
Veldziek (1) (veroud.), melaatsch. Het woord is blijkbaar ontleend aan een hd. bron (mhd. veltsiech).
Veld-sieck. Leprosus, elephantiacus: sic dictus quod seorsum in campis extra castra & ciuitatem habitare debeat,   KIL. [1588].
Veldziekte (veroud.). 1°. (1) Melaatschheid.
Veldtsieckte. Lepre, laderie. Lepra,   PLANT. [1573].
  KIL. [1588].
2°. (8) Zie de aanh. Door WEIL. 6, 80 [1810] thans nog in de wdb.
Leger-ziekte; Veld-ziekte; Hongarische Ziekte …; is een zoort van kwaadaardige besmettelijke ziekte, die veeltijds in de Legers, door kwaad voedzel, gebrek en ongemakken, enz. ontstaat,   CHOMEL [1770].
Veldzijde (1), kant waar het veld ligt.
  KUIPERS [1901].
— Het dorp Hengelo, hetwelk uit twee gedeelten bestaat, het oude dorp en de veldzijde, terwijl de veldzijde tot de marke behoort, doch het dorp van oudsher op zich zelven stond,   Overijss. Alm. 3, 140 [1837].
  VERMEULEN, in Oudheidk. Jaarb. 6, 68 [1937].
Veldzoom (1-5).
  WIGMAN, Vogels v. Heide en Stuifz. 64 [1939].
Veldzuchtig (1-2) (veroud.), gaarne op het land vertoevende, naar het land verlangend.
Silvio …, die een veltzuchtigh knaapje zijnde, veel meer de zoetheit van de jaght, als die 'er in 't vrouwgetimmer steekt, verstaat,   DE BRUNE, Jok en E. 26 [1644].
De klinckende stemme van eenen Herder, een velt suchtich knaepje,   POIRTERS, Lev. v. Rosal. 46 [1657].
Veldzuring (1-5), ben. voor een zuringsoort, Rumex acetosa L., bij HEUKELS 217 a [1907] opgegeven als volksn. voor Walcheren.
  V. DALE [1872].
Rumex … Oxalis vulgarisVeld Zuuring of Zurkel … Veel in de Wey-landen,   DE GORTER, Flora Belgica 105 [1767].
  Burgerthuinb. 367 [1769].
  SCHUURMANS STEKHOVEN, Kruidk. Handb. 1, 165 [1815].
  EDELMAN, Tiesing 43 [1943].
Veldzurkel (1-5) (veroud.). 1°. Hetz. als veldzuring.
  DE GORTER, Flora Belgica 105 [1767].
2°. Schapenzuring, Rumex acetosella L.
Oxalis minuta, vulgò acetosella. … B. Schaeps surckele, schapezurick Holland. veld surckele,   JUNIUS, Nomencl. 152 a [1567].
Kleyne Suyring, ofte Acetocella, by sommige Veldt-surkel, en by ons Schaeps-suyring genoemt, heeft deselfde kracht met de voorgaende (t.w. zuring), dan is meerder droogh-makende. Sy wast, onder andere plaetsen van Hollandt, in de Weyden om Dordrecht,   V. BEVERW., Schat d. Onges. 2, 86 a [1642].

Aanvulling bij VELDI

Samenst. Veldgedicht, velddicht, veldzang, herderszang.
Heeft my myn fluit begeeven, Myn veldtgedicht zal op gezwinder wieken zweeven,   ZEEUS, Ged. 131 [1710].
En daer ik eigenbaet, en staetzucht, en geweldt, Op 's landts gemeenebest verbolgen, Stouthartig zag in 't aengezicht, Ontwringt ge my een veldtgedicht, Om in den meitydt voor myn Silvia te zingen,   ZEEUS, Ged. 372 [c. 1710].
Veldgerecht (I), (rechtst.) gerecht dat bevoegd is in een plattelandsgebied. Sinds lang veroud.
Burgemeester ende Veldheeren vanden Beverhoutschen velde, met hun gevoeght de generaliteyt der proprietarissen in het zelve veldt gerecht,   in Ann. Em. 34, 212 [1564].
Veldgerecht (II), gerecht van boerenkost.
Hier schaft de boeredisch geen hoofsch bancket, Met slangenspogh en blaeu vergift besmet; Maer veldgerechten,   VONDEL 3, 200 [c. 1640?].
Veldoefening, (mil.) militaire oefening in het open veld, op een militair domein.
Niets is nuttiger om de militaire waarde der troepen te verhoogen, dan het kamperen en het houden van veldoefeningen op groote schaal,   Hand. St.-Gener. 1879-'80, E.K., 104 b.
Manoeuvre, veldoefening op groote schaal,   BOUWENSCH, Mil. Wdb. 221 [1906].
Veldpoort, stadspoort die toegang tot het veld verschaft. Sinds lang veroud.
Meister Claess van Oppenum walmeister to Ravesteyn, die van ons heren hier verschreven ende begert wardt, om raets to plegen myt wallen ende anders aen die veltpoirten etc., soe hefft hy by den rentmeister getert 26 maeltyeden ende 11 quarten wiins,   Rek. v. Nijm. 8, 233 [1543].
Gehadt van Johan van Doessborch seeldreyer lichten, lyenen, schoedraet, sackbandt ende twee groeter touwe, die men gebruyckten tot die veltpoirtten toe te bolwerken,   Rek. v. Nijm. 8, 247 [1543].
Veldvrede, veldomheining, veldafsluiting; ook periode dat de velden zoo een afsluiting moeten hebben (vgl. STALLAERT 3 [1975]).
Datmen den veltvrede alsoo wel houdende sal te wijnter als te somer ende oock daeghlijcx de veltwaterloopen, op de verbeurtte van thien stuijvers,   ERNALSTEEN in Documenta Camp. Hist. 1, Keuren 45 [Geel, 1559].
Van den geleuck, stroomen, waterlaten, straetschouwingen, veltvrede ende des daer ane cleeft,   Cost. v. Antw. 6, 290 [Zandhoven, 1570].
In de eersten, den veltvrede aengaende, is geordoneert dat een ieder ingeseten syn velt sal vreden ten tyde als sulx in der kercke sal gepubliceert wesen,   Cost. v. Loon 3, 432 [Oostham, 1ste h. 17de e.].
Veldvuurmond, (mil.) geschut of vuurwapen voor gebruik te velde.
Het zou dwaasheid zijn, ons veldkanon, met zijn nieuwe benaming van 8 cM., doch zijn verouderden vorm, te willen voorstellen als het type van een veldvuurmond voor den tegenwoordigen tijd,   Mil. Spect. 1875, 26.
De geschiktheid voor het gebruik te velde. Wat dit laatste punt betreft, zij aangeteekend, dat de Gardner-mitrailleur oorspronkelijk niet voor veldvuurmond geconstrueerd en eerst veel later ook daartoe bestemd en ingericht geworden is,   Mil. Spect. 1900, 321.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1955.