Koppelingen:
Vorig artikel: VELDBIES Volgend artikel: VELDBOEK
GTB Woordenboeken: MNW

VELDBLOEM

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: veldbloem

znw. vr., mv. -en. Uit veld (I) en bloem. Mnl. veltbloeme [reeds c. 1300: Boec d. M. 36 r°] in de bet. 1). Verg. mnd. veltblôme, nd. feldblöme, feldbloom; fri. fjildblom; mhd. veltbluome, nhd. feldblume; zwe. fältblomma [1805].
+1.  Bloem die in het veld, in de weide, in het wild groeit.
  V. MOOCK [1846].
— Hi is die schoonste veltbloeme So soet is hi van ruecke Ghelijck dat paradijs,   Dev. e. Profit. Boecxken (ed. SCHEURLEER) 153, 122, 4 [1539].
Heeft overal velerley Veldtbloemkens van alderhande coleur, ende sommighe van seer excellenten reuck: Hier en daer oock schoon gras,   V. LINSCHOTEN, Reizen n. h. N. 64 [1594].
De schoone veldbloempjes der wereldse wellustigheid,   LUYKEN, Br. 92 [± 1700].
Mij dacht, ik dwaalde Door moer en drassig land, waarop geen veldbloem praalde,   HELMERS, Holl. N. 68 [ed. 1814].
Woonplaats (van zekere tor) In Junij en Julij op velerlei veldbloemen, op de bramen en schermdragende planten,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. d. Wet. 14, 112 [1825].
Zwitserland is rijk aan kunstleven, bijna alle takken van kunst bloeien er, maar er ontbreekt een eigen type; ge mist er het scheppend vermogen; het is een kunstleven meer in de breedte dan in de diepte. Fraaie veldbloemen, maar de ceder groeit er niet,   KUYPER, Calvin. i. d. K. 61 [1888].
Zij (Else Mauhs) heeft het frissche, bekorende van een veldbloem,   SCHWAR in Masker 1, 267 [1921].
2.  Inz. in den verkl.: ben. voor madeliefje, Bellis perennis L.; bij HEUKELS 37 b [1907] vermeld als volksn. voor Waterland en (als velde(r)bloempje) voor Tessel, Terschelling; in Gron. veldjebloem.
Men noemtze (de madelieven) by ons ook Mayzoetjes en, dewyl ze veel op de Velden groeijen, Veldbloempjes,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 10, 722 [1779].
  BOEKENOOGEN [1897].
Samenst.Veldbloemstruik.
  BILD. 3, 127 [1829].
Veldbloemtros.
  BILD. 2, 432 [1810].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1955.