Koppelingen:
Vorig artikel: VERDUVELD, VERDUVELEN Volgend artikel: VERDUWING
GTB Woordenboeken: MNW, MNW, MNW

VERDUWEN

Woordsoort: ww.(st.,trans.,zw.,intr.)

Modern lemma: verduwen

VERDOUWEN —, bedr. (onz. in 2 en 9), zw. (zelden st.) ww. Mnl. verduwen. De st. vervoeging werd slechts tweemaal aangetroffen, in het verl. deelw. verduwen (Polit. Ball. 23 [1578]; V. MANDER, Schilderb. 43 b [1604])). In het Waasland komt een variant verdougen voor (JOOS [1900-1904])).
In verduwen zijn twee ww. samengevallen. Eenerzijds: verduwen ”door duwen verplaatsen of verdoen”, van duwen met ver- (V). Dit ww. is hist. st., en heeft verdouwen, met diftongeering van de ogm. -û- als dial. variant. Anderzijds: verdouwen ”doen dooien, doen smelten”; vandaar: ”verteren”. Dit ww. is hist. zw., en gaat terug op een ogm. vorm met -awi-, waarvan de -auj- variant dooien oplevert. Men vgl. de paren: mnl. touwen/ndl. tooien, mnl. houwe/ndl. hooi, mnl. strouwen/ndl. strooien, en verder: ohd. firdouwen, fardawjan, virdouwen, ferdeuwen, mhd. verdöuwen, nhd. verdauen, mnd. vordouwen. Reeds in het mnl. zijn beide ww. qua klankvorm en qua vervoeging naar elkaar toe gegroeid; omdat er ook semantisch overlapping is (zie onder I, B) kan men ze nu als één ww. behandelen.
+I.  In bet. die aansluiten bij het ww. met als klankwettigen vorm verdouwen.
+II.  In bet. die aansluiten bij het ww. met als klankwettigen vorm verduwen. Het onderscheid tusschen de beteekenissen ”door duwen verplaatsen” (in 7): zie ver- (V), 1 en 5) en ”door duwen verdoen” (in 10; zie ver- (V), 14) is geen geschikte basis voor een classificatie van de hier opgenomen beteekenissen, omdat in bet. 8) beide groepen in elkaar verloopen.
Afl.Verduwbaar.
De instelling … van een professoraat …, in het bijzonder om aan personen, die niet eigenlijk in bedoelde vakken studeeren, van het eene vak hoofdtrekken en van het andere toch ook niet meer dan voor leeken verduwbare algemeenheden te onderwijzen, zou een unicum zijn, indruischend tegen den aard van hooger onderwijs,   SNOUCK HURGRONJE, Ambt. Adv. 508 [1905].
Verduw(e)lijk, gemakkelijk verterend (2de aanh., overdr.) of gemakkelijk verteerd wordend (1ste aanh.).
Weirt druck verduwelic Swaermoedicheyt scuwelic, ende sulcke resten Van datic vermach binnen sweerels vesten Es thuwen besten,   EVERAERT 62 [1511].
Onder de maagen der oude Vogelen is die der Ganzen de verduwlykste,   BUYS, Wdb. v. K. en W. 10, 680 [1778].
Vandaar: verduwlijkheid, spijsvertering (1ste aanh.), of de eigenschap een sterke spijsvertering te bezitten (2de aanh.).
Dyspepsia. Quade verdoulicheyt,   DASYP. E vi v° b [1546].
De roofachtige Dieren eeten rauw vleesch, en behoeven de toe-gemaeckte noch gekoockte spijse niet, en dat om de hardigheydt en verduwlijckheydt van haren aert,   PERS, Bellerophon 1, 249 [1639].
Verduwing (zie ald.).
Samenst.Verduwmeester, (wsch.) de maag. Alleen bij V. HELMONT.
Dat gelijck eenen buyck uyt selve spijsen luttel vuyligheyt, geenen tarter oft wint en baert, daer eenen anderen veel dreck en wint uytbrengt, dat de schult hangt, niet dat de stoffe tarter-rijck, oft wint-rijck zy, dan dat den verduw-meester d'eenige schult draeght,   V. HELMONT, Dageraad 214 [ed. 1660].
't Is grootelijcks te verwonderen, dat eenen swacken verduw-meester maeckt meer windts, en brengt uyt de stoffe dat 'er niet in en is,   Ald.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1981.