Koppelingen:
Vorig artikel: VERKNESEN Volgend artikel: VERKNEUKELEN I

VERKNETTEREN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: verknetteren

bedr. en onz. zw. ww. Van knetteren met ver- (V).
1.  (Knetterend) verpletteren; vermorzelen; met kracht kapotduwen. W.g. en veroud.
Uyt dese stucken (riet) werd het Sap door een Pars uytgedruckt. Deese Pars bestaet uyt twee op malkander leggende, en van de Molen geduerigh omghedreven wordende ronde Cylinders; welcke omdrijvingh met soodaenigh een kraght geschied, dat indien eenen daer aen arbeydenden Slaef onvoorsiens maer eene vinger daer tusschen laet koomen terstond 't geheele ligchaem daer onder getrocken en verknetterd word,   DE VRIES, Cur. Aenm. 1, 14 [1682].
De volstrekt onbedrevene lompert wendt even zoo veel kracht aan, om een vlieg als om een os dood te slaan …, en zoo schreien de kinderen van den aanvang ook even hard by alle ongemak, en verknetteren de rijpe druif die zy in den mond willen steken,   BILD., Versch. 3, 195 [1822].
2.  (Scheik.) Met een kort ploffend of klappend geluid barsten of uit elkaar spatten; verknappen, decrepiteeren. W.g.
  C. DE JONG, Handwdb. [1869].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1983.