Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: VERKNETTEREN Volgend artikel: VERKNEUKELEN II

VERKNEUKELENI

Woordsoort: ww.(trans.,zw.)

Modern lemma: verkneukelen

bedr. zw. ww. Mog. ontstaan o.i.v. in klank en bet. verwante ww. als verkneuteren (I) of verkreukelen. Vnl. aangetr. in vl.-belg. dial. wdb.
+ Schenden, bederven, verknoeien. Inz. m. betr. t. kleeding, papier e.d., en dan zooveel als: kreukels doen krijgen, verkreuken, verfrommelen.
  LIEV.-COOPM. [1954].
  DESNERCK [1972].
Consuela sprong op en begon haar broertje ("gestoken in een wit uitstaand gestreken jongenspakje") te zoenen en te knuffelen, zoodat de vader riep: "Hombre! je verkneukelt hem heelemaal!"   V. LOOY, Proza 186 [1889].
Ge (mocht) … met uw "goed dinge" naar de school. De eerste uren … denkt ge er wel aan dat u door moeder streng werd opgelegd goed op te passen voor vuile vlekken, voor verkneukelen of scheuren, maar natuurlijk vergeet ge dat nu en dan,   CLAES, Zich. Nov. 53 [1921].
Hij heeft heel zijn zake verkneukeld,   LIEV.-COOPM. [1954].
Heel mijn hemd is verkneukeld,   Ald.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1983.