Koppelingen:
Vorig artikel: VERKNEUKELEN I Volgend artikel: VERKNEUTEREN I
Etymologie: EWA

VERKNEUKELENII

Woordsoort: ww.(refl.,trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: verkneukelen

wederk., bedr. en onz. zw. ww. De herkomst is onzeker. Mog. van een niet aangetr. *kneukelen (de kneukels tegen elkaar wrijven?) met ver- (V).
+1.  (Wederk. en eenmaal ook onz.) Vervuld worden van een stil, innig genoegen (omwille van —); (eenigszins heimelijk) plezier, schik hebben (in —); (inwendig en/of wat heimelijk) genieten (van —); (innerlijk) pret beleven (aan —); in de eerste aanh. ook: zich (besmuikt) vroolijk maken (over —). Meestal in verb. m. een voorzetselbep. ingel. door met, aan, in of over, waarin de aanleiding tot het (zich) verkneukelen gegeven wordt.
+2.  (Bedr.) Vermaken, pret bezorgen, plezier doen hebben, doen genieten. W.g.
De haat … had het eerste menschenbloed vergoten … en sedert, ach hoevele doodvonnissen uitgesproken, in hoevele gezegende aangezichten gespuwd, hoevele vuisten kinnebakslagen uitgedeeld, en bedorvene harten met de onheiligste spotternijen verkneukeld!   BEETS, Man v. Sm. 58 [1891].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1983.