Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: VERMENGELING Volgend artikel: VERMENGING
GTB Woordenboeken: MNW

VERMENGEN

Woordsoort: ww.(trans.,refl.,zw.)

Modern lemma: vermengen

VERMINGEN —, bedr. en wederk. zw. ww. Van mengen met ver- (V). Mnl. vermengen. Tot in de 17de e. wordt soms de nevenvorm vermingen aangetr. Het woord beteekent in zijn algemeenheid: tot een geheel dooreen (doen) gaan; samen of door elkaar (doen) gaan.
+I.  In bet. met als kern ‘samen of door elkaar (doen) gaan’. Meestal van of m. betr. t. zaken als subj. bij het wederk. of als obj. bij het bedr. gebr.
+II.  In bet. met als kern ‘een relatie, verband tot stand brengen’. Meestal van of m. betr. t. personen als subj. bij het wederk. of als obj. bij het bedr. gebr.
Afl. — Vermeng, mengeling van versch. voorwerpen. In de 2de aanh., in meton. verband, in toep. op versch. kleuren.
Als gy in haar schoot de vruchten (t.w. noten) hebt gegoten, Soo segt haar dat het fruyt is dienstig voor fenijn, Maar dat 'er by de Noot oock Ruyte dient te zijn … Weest gy het boom-gewas, laat haar de ruyte wezen, En segt dat dit vermeng veel qualen kan genesen,   CATS 2, 384 b [1655].
So was door 't soet vermengh van Lelyen en Roosen Op meenigh lieve wangh uw vryheyd noyt verslaeft,   WESTERBAEN, Ged. 1, 454 [1655].
Vermengbaar, kunnende vermengd worden in de bet. 1).
  BOMHOFF [1857].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  KUIPERS [1901].
  GALLAS [1911].
Vandaar: vermengbaarheid.
  BOMHOFF [1857].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  KUIPERS [1901].
  GALLAS [1911].
Vermeng(e)lijk, hetz. als vermengbaar.
  DASYP. [1556].
  PLANT. [1573].
  SEWEL [1766].
Vermengenis, het hebben van geslachtsgemeenschap.
Zyn' schepping, uit vermengenis van hoogh en laagh, schynt dreeve, naar gelang, aan de gansche loop zyns leevens gegeeven te hebben. … Geteelt van Kaizar Kaarel, by een' Hooghduytsche eêlvrouw …, was hy bedektelyk ter opvoeding bestelt, in Spanje (er is sprake van Don Juan),   HOOFT, N.H. 592 [ed. 1642].
Vermenger, vermengster, pers. die al of niet met oneerlijke bedoelingen stoffen dooreenmengt.
  DASYP. [1556].
  V.D. VELDE en SLEECKX [1861].
  HEREMANS [1869].
  V. DALE [1872 1914].
In jur. verband: pers. die een stof die aan hemzelf toebehoort tot één geheel samenvoegt met een stof van iemand anders.
Indien eenige vermenging tot quader trouwen geschied, soo moet den Eygnaar van de stof sijn regt behouden, ende den Vermenger den arbeid ende sijn stoffe verliesen,   V. LEEUWEN, R.-Holl.-R. 104 [ed. 1644].
Vermenging, vermengsel (zie die woorden).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1985.