Koppelingen:
Vorig artikel: VERTOOIEN Volgend artikel: VERTOONDER

VERTOON

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: vertoon

znw. onz., mv. -en (slechts eenmaal aangetroffen in bet. 1). Niet in Mnl. W.
1.  Schouwspel, tooneelspel; opvoering. Thans alleen in Vl.-België.
Ghij minnaers van verganckelijcke schoonheit, Bemint dat ewich is, tzal u noot ” sijn. Neemt ter herten tghundt dat u dit verthoon ” seijt, Of tloon uws wercx sal alleen de doot ” sijn,   Esb. van smenschen sin (ed. V. ES) 167 [1552].
Zy (t.w. de rederijkerskamers) hielden zich in den eerste slechts bezig met rymoefeningen en openbare vertoonen en schreven naderhand pryskampen uit,   Briefw. Consc. 1, 185 [1846].
+2.  Hetgeen waarneembaar is, inz. hetgeen zich aan het oog aanbiedt, hetgeen zichtbaar is; beeld.
+3.  Officieele schriftelijke of mondelinge uiteenzetting; vertoog. Veroud.
+4.  Het laten zien, het te voorschijn brengen van iets.
+5.  Het tentoonspreiden van pracht en praal om indruk te maken: (uiterlijke) schijn. Inz. in verb. als met resp. zonder vertoon.
  KOENEN [1911].
— Al u vertoon, Dat nu soo schoon, En Heerlijck schijnt, Morgen wel als roock verdwijnt,   CAMPHUYZEN, St. R. 296 a [c. 1625].
Wanneer de Werelt queelt een liefelicken toon, Soo stae met aendacht stil om wijslick t' overleggen, Siet binnen in de saeck, en niet op het vertoon,   V. DORP, St. Ged. 135 [1679].
Maar hielden zy (de eenden) den Spiegel klaar voor oogen, Dat schyn bedriegt, en veelen heeft bedroogen, En dat gezelschap doolen doet, Zy zouden dan geen schoon vertoon (t.w. een eendenkooi) betrouwen,   LUYKEN, Bykorf 92 [1709].
Het Godsrijk komt niet met vertoon, Het Godsrijk wil geen aardschen throon,   BEETS, Rijmb. 68 [1862].
Beter de oude en stille soberheid, dan de drukte van het vertoon,   E. Haard 1885, Bijbl. 15, 2 a [1885].
Er werd van haar (een huishoudster) gesproken als van een zelfopofferend wezen, dat levenskrachtig en zonder vertoon anderen haar beste jaren wijdde,   COENEN, Zwakke 87 [1896].
+6.  Het tentoonspreiden van gevoelens, kennis e.d. (genoemd in een van- of genitiefbepaling); betoon.
  KOENEN [1911].
— Een valsch vertoon van weemoed en mededoogen,   WEIL. [1810].
Het stedelijk bestuur schijnt geene maatregelen te hebben genomen om zoodanig openbaar vertoon van gosdienstige plegtigheden in eene stad waar onderscheiden kerkgenootschappen bestaan … te beletten,   R.G.P. 27, 573 [1822].
Zijne vrouw, nu begrijpende dat een vertoon van droefheid gepast was, schonk zich een glas water in (er is sprake van een sterfgeval),   BOHN-BEETS, Onze Buurt 239 [1861].
Evenzoo laat zich aannemen, dat er predikanten waren, die, enkel om de gemeente te vleijen, groot vertoon maakten van Oranjegezindheid,   VEEGENS, Hist. Stud. 2, 73 [1869].
Nooit deed hij (t.w. Thorbecke) zich onafhankelijker voor dan dezen zomer bij de verdediging van het budget; nu en dan met zeker opzet, ofschoon hij wist … dat eene der oudste en diepste grieven van velen der zijnen juist dat vertoon van onafhankelijkheid gold,   BUYS, Stud. 1, 448 [1871].
Piet en hij trachtten elkaar te overbluffen met het gewild nonchalant vertoon hunner kennis-van-zaken,   ROBBERS, Gel. Fam. 47 [1909].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1987.