Koppelingen:
Vorig artikel: VIEMENT Volgend artikel: VIER II
Etymologie: EWA
GTB Woordenboeken: MNW

VIERI

Woordsoort: telw.(hoofd.), znw.

Modern lemma: vier

VIERE —, hoofdtelw., ook als znw. gebruikt. Mnl. vier(e); os. fi(u)war, fior; ond. fior, fier; mnd. vêr(e), vier; nnd. vêr; ofri. fiār, fiuwer; nfri. fjouwer; ags. fē(o)wer; meng. fowre, foure, neng. four; zwe. fyra; de. fire; got. fidwor, fidur. Zie verder Dt. Wtb. en de etymol. wdb. Gewest. vormen zijn veer(e) (bij KIL. als ”Sax.” vermeld; nu nog slechts in het Drentsch en Limburgsch; zie SASSEN 76 en ENDEPOLS [1955]) en, in het Gron., vai(e)r (TER LAAN), die in geschreven taal evenwel geen enkele maal zijn aangetroffen. Voor de lange vorm viere geldt geheel hetzelfde als voor tiene naast tien (zie dat art.).
+I.  Eig. Het getal of aantal dat, resp. de hoeveelheid die één meer is dan drie.
+II.  Metonymisch.
Afl. Gevierd. Aangetroffen als qualiteitsaanduiding van indigo; de reden van de benaming blijkt niet.
De soorten des indigos worden gewoonlijk in de volgende benamingen verdeeld; te weten in: blaauw …; violet …; gevierd, ook wel cortes genaamd; deze wordt in gevierd violet, zuiver gevierd, bruin gevierd, schraal of ijzerachtig gevierd, en slecht hard gevierd, onderdeeld,   V.D. VUURST, Verfw. 134 [1819].
Gevieren (zie ald.); ook in N.-Nederl. niet onbekend.
Veertig (zie ald.).
Vierde (zie ald.).
Vierding, vierdonk, nog door KIL. [1599] en zijn navolgers vermeld, maar in feite na de mnl. periode verouderd (zie Mnl. W. en SCHÖNFELD, Hist. Gramm. 191).
Vierein, op de volg. plaats als purisme voor kwatrijn (fr. quatrain), mede naar het voorb. van refrein.
Vierentje, gewest. ben. voor een maat voor meel e.d. van 171/2 ons (DAAN, Wier. L. 83 [1958])).
Vierling (zie ald.).
Koppel. Veertien (zie ald.).
Vierderhande, vierderlei (zie die woorden).
Vierdik.
  WEIL. [1810].
Vierduizend (zie hierboven, I, 3))).
Vierhonderd (zie ald.).
Vierendeel (zie ald.).
Viergestreept; zie de aanh.
Viergestreept. Dus noemt men in de muzijk noten, die aan haren staart met 4 dwarsstreepen voorzien zijn, hetgeen de 1/64 takt of maat aanduidt. Voorts heeten ook alzoo de noten, die tot de Ve. octaaf behooren, welke met de 4e c, te rekenen van de kleine c, begint,   WITSEN GEYSBEEK, Wdb. d. Zamenl. [1856].
Viergestreept octaaf, de noten der hoogste in de praktische muziek gebruikelijke octaaf,   KUIPERS 1374 b [1901].
Vierhoog, 1°. bijw., tot of op de vierde trap of verdieping.
Zal … met vier Molens boven malkander moeten malen: desgelykx de Kil van de Beemster heeft twee Molens in 't diep staan, die vier hoog malen,   LEEGHWATER, Haarl.-Mb. § 89 [1643].
De diepte van het meer noodzaakte … om het water vierhoog op te malen,   G. DE VRIES, Drijks- en Mb. 424 [1876].
Ik ben bereid om die lamp dadelijk van vierhoog het raam uit te smijten, dacht ik, als enz.,   Het Vrije Volk 16 Maart 1957.
2°. Bnw., vier lagen of verdiepingen tellend.
De normale vier- of driehoge woonbebouwing,   Bouwk. Encyclop. 2, 655 a [1955].
3°. Gewest. in Z.-Nederl. als znw., ter aanduiding van de ”vierde verdieping van een magazijn of stapelhuis” (CORN.-VERVL., Aanh. [1906])).
Viermaal, vierwerf (zie die woorden).
Samenst. en samenst. afl.
A) Tweeledige samenst.
Vieraderig.
Deze lampen van 300 Watt zijn draaistroomlampen, moeten dus aan een vieraderigen kabel worden aangesloten,   Spoorwegtechn. 3, 22 [1937].
Laagspannings (sterkstroom) kabels … kunnen als één-, twee-, drie- of vieraderige kabels voorkomen,   Bouwk. Encyclop. 1, 597 a [1954].
Vierarmig.
De vierarmige haspel,   Boek d. Uitv. 2, 1, 179 [1865].
Vierarmige kandelaar,   V. DALE 1785 b [1898].
Het licht staart van de vierarmige kaarsenluchter,   WERTHEIM, Vorst v. d. Ballingschap 183 [1956].
Vierassig.
Een personentrein, bestaande uit 20 stuks vierassige voertuigen,   Spoorwegtechn. 3, 221 [1937].
Vierbak, luchtschommel met vier kruiselings tegenover elkaar geplaatste bakken of schuitjes (V. DALE [1950])).
Vierbalker, eg met vier dwarsbalken.
  JOOS [1900-1904].
  CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
  LANDHEER [1955].
Vierbalkt, met vier balken.
Wy hebben de vierbalkte, de vyfbalkte, de koppel- of span-Eegd enz.,   Verh. Maatsch. Landb. 13, 25 [1799].
Vierbandig.
(Leptura) Quadrifasciata, Vierbandig (Bokje), Bokje dat zwart is en de Dekschilden bruinrood heeft, met vier zwarte Banden,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 9, 384 [1766].
Vierbank, in enkele oude wdb. vermeld voor vierschaar.
Vier-bancke. vetus. sax. j. vier-schare,   KIL. [1599].
  HEXHAM [1658].
Vierbeen, wezen met vier beenen, bekend in enkele raadselrijmpjes.
Tweebeen zat op driebeen; Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten; Toen nam tweebeen driebeen, Om er vierbeen meê te smijten,   V. VLOTEN, Baker- en Kinderr. 168 [1894].
Twēebēen lag in driebēen, Toe kwam vierbēen, die nam twēebēen weg, Toe was twēebēen kwaod,   Driem. Bl. 2, 76 [1903]
 ,JOOS [1900-1904].
  CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
  TEIRL. [1922].
Vierbeend, (veroud.) vierbeenig.
Twee groote goude waterpotten op goude vierbeende schragen,   SPEELMAN, Journ. 151 [1652].
Vierbeenig.
Gh'lijck de Mensch in droeven ouderdom Veel toevals crijght van siecten, dat hy crom Gaet struycklich voort met stock om op te lenen Of is een last der crucken springht so henen Vierbeenich als sphinx raetsels dier int endt,   V. MANDER, Olijfb. 13 [± 1605].
Vierbeenige dieren,   BOMHOFF 1060 a [1857].
Vierbindig.
Gekeperde stof …, waarbij … wederkeerig in ketting en inslag 't binden op den vierden draad plaats heeft, noemt men vierbindige, vierdraads, vierknoopige of vierdeelige, ook vierschachts keper,   GROTHE, Mechan. Technol. 348 [1879].
Vierbindige keper met dubbele draden,   349.
Vierblad (zie ald.).
Vierbladerig.
Tétrapétalé, t. de bot. met vier bladeren, vierbladerig,   V. MOOCK 1269 a [1825].
— Tusschen den boog van de nis en de lijst, die den steen in den vorm van een gevel met zeer flauwe helling afsluit, bevindt zich in het midden eene vierbladerige rozet,   Ned. Mon. V, 1, 42 [1926].
Vierbladig, 1°. eig., in de plantk.
Quadrifolius; Vierbladig,   CHOMEL [1773].
— Sijn Bloemen (vandat wilt gheslacht van Mostaert cruyt”) zijn … geel, vierbladich, ende ghevoegt gelijck een cruys,   DODON. 1195 a [ed. 1608].
De kelk is vierbladig,   RUMPHIUS, Amb. Kruidb. 1, 165 b [1696].
Paullinia. Een vierbladige Bloem en vierbladige Kelk, een Honigbakje dat uit vier ongelyke Blaadjes bestaat enz. …: dit maakt de byzondere Kenmerken uit,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 4, 557 [1775].
Exacum. De kelk is vierbladig, de bloemkrans viersippig,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 69 [1815].
Waternoot. De bloemkrans is vierbladig, de kelk vierdeelig,   1, 73.
2°. Oneig., met blad in verschillende opvattingen.
Vierbladig, met vier (uitslaande) bladen (van een tafel enz.),   CALISCH [1864].
Elke gondel (t.w. van een ballon) (heeft) van achter nog een vierbladige schroef die 750 toeren per minuut doet,   Avia 1, 17 a [1911].
De schroef (van een Siemensvliegtuig) is vierbladig,   V. D. MUELEN en SPIT, Vliegt. 261 [1919].
De kromme is de vierbladige rozet,   SCHUH en RUTGERS, Compend. d. H. Wisk. 4, 187 [1928].
Op den … voet (van zekeren monstrans) staat een stam, welks nodus is versierd met acht vierbladige noppen,   Ned. Mon. III, 1, 16 [1932].
Dat bij een vierbladige tourniquet steeds twee tegenover elkaar liggende deurbladen tussen de afscheidingen blijven,   Bouwk. Encyclop. 2, 503 b [1955].
Vandaar: vierbladigheid.
De vierbladigheid der Bloempjes,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 7, 392 [1777].
Vierbloemig.
  V. MOOCK [1846].
— Fonteinkruid met … gegaffelde Takken en vierbloemige Aairen,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 7, 394 [1777].
Smalbladig Beemdgras met een verstrooide bloempluim, ruige vierbloemige bloemairtjes,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 39 [1815].
Vierbob, bobslee voor vier personen.
  V. HAERINGEN [1946].
Vierbod, bod van vier slagen in het bridge-spel.
Een vierbod in een lage kleur mag alleen dan gedaan worden, indien minstens een zevenkaart aanwezig is,   GOUDSMIT, Contract-bridge 46 [1937].
Vierbok, tros van vier (noten of andere vruchten). Vrij alg. in Z.-Nederl. (zie de idiotica).
Vierbond, met vier bonnen (zie BON (II))).
Een vierbonde koy mit negen tinnen cannen daerop,   in Leidsch Jaarb. 5, 123 [1573].
Vierboterham of vierbrood, brood dat om vier uur 's middags gegeten wordt. In het Wvl. (DE BO [1873]; Loquela 6, 45 [1886])).
Viercijferig.
Dat men thans reeds in vele tijdschriften de titels der verhandelingen vergezeld ziet gaan van viercijferige nummers, die de plaats in dezen index (t.w. van een internat. catalogus) aan moeten wijzen,   Alb. d. Nat. 1903, 1, 212 [1903].
Viercylinder, verkorting van viercylindermotor.
Hetzelfde typische verschil (als in den vliegtuigbouw) vond men op motorgebied: in Frankrijk de lichte luchtgekoelde rotatiemotor, in Duitschland daarentegen de zwaardere doch bedrijfszekere, zuinige en duurzame watergekoelde viercylinder,   Avia 7, 139 b [1917].
Hij bezat een viercylinder, die hij voor de korte afstand naar zijn werk niet gebruikte,   V. D. WAL, Waterloze Wolken 50 [1955].
Vierdaagsch (zie ald.).
Vierdagig, vierdaagsch. Sinds lang veroud.
Quadriduanus, vierdagich,   DASYP. [1546].
— Iesus sprac heft den steene af Martha die suster des gestoruene, seyt tot hem, heere hi stinct nv, Want hi is vier dagich,   Liesv. Bijbel, Joh. 11 E [1526].
Dewijle ooc Polycrates ende Isocrates … den wreeden Coninck Busiridem ghepresen hebben, ende Glauco de onrechtueerdicheyt, ende Fauorinus Thersitem, ende den vierdagigen cortse,   ERASMUS, Sotheyt 4 b [vert. 1560].
Vierdeel; zie bij VIERENDEEL.
Vierdeelig (zie ald.).
Vierdekker, schip met vier dekken.
Vierdeurs, vier deuren hebbend. Geabstraheerd uit meerledige samenst. met deze verbinding.
Donkerkleurige Chevrolet … 4-persoons, vier-deurs, stuur links,   bij GERLACH ROYEN, Buigingsversch. 4, 196 [1940].
Vierdimensionaal (zie ald.).
Vierdong; zie de aanh.
De aardappel (blijft) bijna de eenige vrucht, die direct wordt bemest. En hierop wordt dan ook de stalmest in kolossale hoeveelheden aangewend. … (in Barradeel) worden per pondemaat 25 à 30 ton stalmest aangewend, dat is 25 à 30.000 KG. … Deze handelwijze behoort hier niet tot de zeldzaamheden, hetgeen al kan blijken uit de omstandigheid, dat de aldus aangevoerde mest onder een afzonderlijken naam bekend staat, namelijk ”vierdong”,   Versl. Landb. 1910, 3, 40.
Vierdoornig.
  WEIL. [1810].
— (Aranea) Tetracantha. Vierdoornige (Spinnekop). Spinnekop, die het Agterlyf halfmaanswyze, aan den omtrek viertandig heeft,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 13, 266 [1769].
Vierdraad, 1°. uit vier draden gedraaid touw.
'T winter net (t.w. om konijnen te vangen) is van drijdraet en des te stercker, 't ander maer van tweedraet oft heel fijn van vierdraet,   Jachtbedr. 22 [± 1636].
  JOOS [1900-1904].
  CORN.-VERVL.; Aanh. [1906].
2°. Zie de eerste aanh.
Vierdraad. Digte wollen stoffe met ketting van enkelvoudig getwijnd en eene schering van drie- of viervoudig getwijnd garen. Het wordt altijd wit geweven en dan eerst geverfd,   Ned. Handelsmag. [1843].
— Ginggang, Taffetsjelas vierdraad,   bij VALENTIJN, O.-I. II, 1, 336* [1692].
Vierdraadsch.
  WEIL. [1810].
Vierdraadsche kousen, d.i. kousen van vierdraadsch garen, enz.,   BOMHOFF 1060 b [1857].
Hij verhaalde mij … van al die soorten wollen garens, van ”fijn Betuwsch”, ”grof Veluwsch”, ”vierdraadsch sajet”,   V. D. VEN, Ons eigen Volk in feest. J. 204 [1942].
Vierdradig.
Onos cimbrius (L.) Syn. Motella cimbria (L.) Vierdradige Meun … kop met 4 voeldraden, waarvan 3 voor aan den snuit en 1 aan de punt der kin,   REDEKE, Visschen 163 [1941].
Vierdubbel (zie ald.).
Vierduimer, 1°. spijker van vier duim.
Vierduimers, veertig-ponders of dubbelde band-nagels, lang 10 tot 11 dm,   KUYPER, Technol. 1, 501 [1861].
(Zeker soort spijker) draagt den naam van Grootkop-platpunt en wordt geleverd in lengten van 4, 5, 6 en 7 duim; in 't gewone spraakgebruik noemt men ze Vier-, Vijfduimers enz.,   ZWIERS 2, 390 a [1920].
2°. In het Land van Aalst benaming voor een wagen met breede wielen (DE COCK, Spreekw. O. Gebr. 321 [1908]; TEIRL. [1922])).
Vierduimsch, van vier duim dik, breed enz.
De splyting van den 4 duims palmhouten cylinder,   V. MARUM in Verh. Teylers Tweede Gen. 4, 175 [177.].
Dan wordt een vierduims-manillatros van de sleepboot op de transporteur verbonden,   DE HARTOG, Hollands Glorie 340 [1940].
In het oorverdovend lawaai (t.w. in een houtzagerij) is het hem onmogelijk anders dan met tekens … de zager tegenover hem duidelijk te maken, wat geschieden moet. ”Eenduims, tweeduims, achtduims, het blok een halve slag kantelen, nu vierduims”,   BOERHAVE BEEKMAN in Hout in alle T. 5, 399 [1955].
Vierduimsche wagen; verg. vierduimer hierboven.
Te koop, een vierduimsche wagen. Draagvermogen 5000 kilos,   bij LIEV.-COOPM. 1606 a.
Viereinder (Dl. III, 4030). Zie voor een andere bet. de volg. aanh.
Heeft men nu twee brakelingen (knotten gebraakt vlas) zo voorgeslagen, dan voegt men deze tot één tezamen … en deze gaat men dan vertoeren d.i. een toer verder zwingelen. Twee van deze vertoerlingen werden weer samen gevoegd tot wat men vroeger in Brabant en Holland een viereinder noemde,   BROUWERS, Vlasserij 73 [1957].
Viergaats.
Viergaats vierloch 4-hole 4-trous,   TAS, Textielwdb. [1953].
Viergang, vier molens die het polderwater achter elkaar opvoeren.
De huidige driegang bestaat … uit de overgebleven onderste 3 molens van de vroegere noordelijke viergang,   BICKER CAARTEN e.a., Z.-Holl. Molenb. 189 [1961].
Viergelui, gelui met vier klokken.
Bij een twee-, drie- of viergelui zijn natuurlijk verschillende samenvoegingen mogelijk, n.l. harmonische en melodische combinaties,   TIMMERMANS, Luidkl. 20 [1944].
Viergespan; zie Dl. IV, 1775, en nog het volg. voorb.
Het moedig viergespan braveerde voor zyn wagen,   ROTGANS, Poëzy 421 [1702].
Viergetal, in litt. taal voor viertal.
Hy zelf verschrickte, en hiel den breidel onder 't rennen En teugel niet …, Noch kende 't spoor, noch zagh het wrevligh viergetal Te mennen,   VONDEL 11, 345 [1671].
Viergetij, purisme voor quatertemper.
Quatertemper, viergety,   Woorden-Schat 123 [ed. Haarlem 1650].
Viergevoet, oudtijds in litt. taal voor viervoetig. Als wantaal is zeker te beschouwen het eenmaal aangetroffen viergevoetig (SIX V. CHAND. 630 [1657]).
Van de vier gevoete dieren Vint hy (t.w. de mensch) velt en bosch vervult,   HONDIUS, Moufe-schans 267 [1621].
Ook zelfst. gebruikt voor viervoeter.
Om dat myn viergevoet geen stappen konde stappen, En 't daar heel rotsigh was, vol halfgekuilde trappen,   SIX V. CHAND. 299 [1657].
In twee, en viergevoet was roeringh, noch gewagh (t.w. in den nacht),   374.
Viergloop (Dl. V, 145).
Viergotig.
Tweehoornige Myters, viergotighe Mutsen … ende … meer andere diergelijcke uytwendighe teeckenen,   Marnix' Taf. d. Rel. Versch. 110 d [1601].
Viergreins; zie de aanh.
Viergreins. Steen van één karaat,   LEVIT.-POLAK, Diam. [1908].
Viergrepig, vierlettergrepig. Veroud.
Men … vermijde die al te nietige vier- en vijfgrepige woorden, als néderige, vermételere, enz.,   KINKER, Bild.'s Spr. 271 [1829].
Viergrondig, bij STEVIN in een puristische omschrijving van tetraëder.
ABCD een viergrondich wesen,   STEVIN, Gedacht. 6, 75 [1586].
Viergroot, muntstuk van 4 grooten.
5 Sacskens met viergrooten. £ 43: 19: 2,   in R.G.P. 60, 1288 [1636].
Vierhands, ongewoon voor vierhandig dier.
1. Gewervelde Dieren, Vertebrata, Spondylozoa. 1. Zoogdieren, Mammalia. 1. Vierhanden: Apen, Spookdieren,   STARING, Huisb. [1862].
Bij GEZELLE daarnaast vierhanderken.
Een vierhanderken, dat in Madagascar op de boomen leeft en geen daglicht verdragen en kan,   GEZELLE in Rond den Heerd 1, 348 a [1866].
Vierhandig (zie ald.).
Vierhelmig.
Volgens het Linnaeaansche stelsel, worden de 24 klassen der planten naar het getal, de plaatsing, verhouding, verbinding, enz. der meeldraden en helmknoppen bepaald. De kunstwoorden hiervoor gebruikt zijn Grieksch, en zijn de volgende: 1. eenhelmige, monandria. … 4. vierhelmige, tetrandria enz.,   DIETRICH-DE VRIESE, Kunstwoordenl. d. Planten 21 a [1834].
Vierheuvel; zie de aanh.
Vierheuvels, eminentia quadrigemina, worden in de ontleedkunde vier, paarsgewijs, 2 voor- en 2 meer achterwaarts geplaatste, kogelachtig gevormde verhevenheden genoemd, die het merg der groote en kleine hersens … met elkander verbinden,   WITSEN GEYSBEEK, Wdb. d. Zamenl. [1856].
Het dak van het mesencephalon (middenhersenen) is oorspronkelijk een gezichtscentrum … Bij de zoogdieren krijgt dit dak zijn eigen karakter en is vierdelig (vierheuvel, corpora quadrigemina),   IHLE in W.P. Encyclop. 18, 725 a [1954].
Vierheuvelig.
Vierheuvelig lichaam, corpus quadrigenium s. lamina corp. quadr.,   V. BRAAM HOUCKG., Ontleedk. 3, 180 [1886].
Vierhoek (zie ald.).
Vierhoekig (zie ald.).
Vierhoevig.
  V. DALE [1898].
Vierhokkig, term in de plantkunde.
Isnardia. Dit Geslagt … heeft een vierdeeligen Kelk zonder Bloem en een vierhokkig Zaadhuisje, met den Kelk omringd,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 7, 350 [1777].
Isnardia … Het zaadkasje is vierzijdig, vierhokkig, en wordt door den kelk omringd,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 73 [1815].
Helmknopje, Anthera … tweehokkig, bilocularis, wanneer dezelve in twee vakken of hokken openspringt, … vierhokkig, quadrilocularis,   DIETRICHDE VRIESE, Kunstwdl. d. Pl. 20 b [1834].
Vierhoofdig, 1°. uit vier personen bestaand.
Daar op ging den oorlog nu weer op nieuw aan, alzoo wy van geen vierhoofdige regeering meer wilden hooren spreken,   VALENTIJN, O.-I. II, 2, 149 a [1724].
Een jaar lang varen nu de schepen van de K.N.S.M. en K.W.I.M. onder één gezamenlijke, vierhoofdige directie op de oude en bekende lijnen,   KNAP, Gekroonde Koopv. 125 [1956].
2°. In enkele vaktermen: vierhoofdige slinger, vierhoofdig verband e.d.
Funda Galeni, est fascia, in quatuor partes divisa … B. Slingerband, een vierhoofdige Windel, Slinger-zwagtel,   BLANCARDUS, Lexicon Med.  (ed. 1735).
Ik begon myne behandeling (t.w. van een zwaargewonde) met de herstelling van het losgeslaagen Kinstuk der Onderkaak, en bevestigde dit door twee langwerpige drukdoeken, en den vierhoofdigen Slingerband,   Verh. Holl. Maatsch. d. Weet. 20, 2, 144 [1782].
Vierhoofdig verband, bandage à quatre têtes,   HEREMANS 826 a [1869].
In de ontleedk. in namen van zekere spieren.
Musculus quadriceps femoris, vierhoofdige dijspier, d.i. de m. rectus femoris en de drie musculi vasti femoris te zamen,   PINKHOF 333 a [1923].
Musculus quadriceps surea, vierhoofdige kuitspier, d.i. de m. gastrocnemius, soleus en plantaris te zamen,   Ald.
De krachtige vierhoofdige strekspier, die aan de voorzijde van het bovenbeen is gelegen,   W.P. Encyclop. 3, 481 b [1948].
Vierhoop, alleen op de volg. plaats aangetroffen als naam van een maat, misschien vier schepel.
Den ghenen die de Paepcramen ende miswinckelen op dien merctdach gaen versoecken, ende hare gheldeken wt den buydel schudden, om sick een vierhoop oft een sester sielmissen ende vigilien enz.   … met een strijckstock laten afmeten, MARNIX, Biënk. 2, 8 (bl. 170 b)  (ed. 1569).
Vierhoornig, 1°. vier horens bezittende, hetzij eig., van hoorndieren, of oneig., in versch. natuurhistorische benamingen.
Bock …, vierhoornighen,   SMYTERS, Epitheta C 6 v° [1620].
(Cottus) Quadricornis. Vierhoornige (Knorhaan). Knorhaan met vier Beenige Wratten aan den kop … Zyn vier Hoornen, op 't midden van den Kop, doen hem by de andere uitmunten,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 7, 295 [1764].
Ostracion Quadricornis. Vierhoornige Beenvisch … De Vierhoornige gemeenlyk Koekkoek-Visch genaamd, welken ik … beschreef, komt zeer veel overeen met dit Japanse Vischje,   HOUTTUYN in Verh. Holl. Maatsch. d. Weet. 20, 2, 345 [1782].
Drijvende Waternoot met vierhoornige noten en uitgestrekte doornen,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 73 [1815].
Vierhoornig … heet een ondergeslacht der antilope, dat … vier horens draagt. Eene soort daarvan is de in Hindostan levende tschikarra, tschansing of tschakoe; het wijfje is ongehorend,   WITSEN GEYSBEEK, Wdb. d. Zamenl. [1856].
De Vierhoornige Koffervisch (Ostracion quadricornis),   BREHM-HUIZINGA 3, 322 a [1910].
De Vierhoornige Schilddrager (Noteus quadricornis) van de familie der Schildraderdieren,   3, 634 a.
2°. Zie de aanh.
Vierhoornig noemt men eene sluitrede, waarin de major of hoofdstelling, onderstellenderwijs geopperd, van vier gevallen afhangt, evenals in het dilemma van twee,   WITSEN GEYSBEEK, Wdb. d. Zamenl. [1856].
Vierhuizig.
Quadrivasculair, viervatig, vierhuizig, vierkelkig,   C. DE JONG, Handwdb. [1869].
Vierjaarlijksch, om de vier jaar terugkeerend; ook zelfst. gebruikt.
De kleur (bij Veth) is in den laatsten tijd zeer achteruitgegaan, zóó dat een bekroning op de Vierjaarlijksche te Rotterdam onbillijk was voor velen,   PLASSCHAERT, Holl. Schilderk. 348 [1923].
Het (wekte) geen verwondering, toen het bewindvoerend reactionnair kabinet bij de vierjaarlijksche verkiezingen overwonnen werd, dat de koning hem belastte met de samenstelling van een nieuw college,   V. GENDEREN STORT, Kl. Inez 3 [1925].
Zoals padvinders dat op hun vierjaarlijkse internationale kampen gewoon zijn,   Het Vrije Volk 2 Aug. 1957.
Vierjaarsch, vier jaar oud. Ongewoon.
Stel het peerd ook maar in, 't is een beste … 't Was een vierjaarsche reun en de liefhebbers stonden er belangend rond,   STIJN STREUVELS, Minneh. 2, 168 [1903].
Vierjarig, 1°. vier jaar oud zijnde; meton. ook van den leeftijd gezegd.
Quadrimus. Vieriaerich, van vier iaren,   SERVILIUS, Dict. Trigl. VV 4 r° [1552].
Vieriarige ouderdom. L'aage de quatre ans,   PLANT. [1573].
Vieriarigen wijn. Vin de quatre ans,   PLANT. [1573].
Als de ses tanden zijn gewisselt, of noch een daer by, dat zijn vier-jarige Paerden,   Meesterye v. d. Paerden S 7 r°  (ed. 1705).
Duivelsdrek. … Om deze te verkrijgen, snijdt men de vierjarige wortels, welke meer dan eenen arm dik zijn, … dwars door enz.,   CAMPAGNE, Droog. en Apoth. 188 [1831].
Toen K. v. M. … met zyn vierjarig kind uit W. vertrok, zegde hy aen niemand waer heen hy voornemens was te gaen,   CONSC., Rikke-Tikke-Tak 33 [1851].
Patientje is … normaal geboren, verdere ontwikkeling geen bijzonderheden …, 17 mnd. loopen; dit was op vier-jarigen leeftijd echter nog onzeker,   LIEVEGOED, Maat-Rhythme-Melodie 147 [1939].
Vierjarig wild zwijn: op dezen leeftijd is het dier op volle kracht en het gevaarlijkst,   HERMANS, Jagerswdb. [1947].
2°. Vier jaar durend.
Een vierjaarige stilstand, Une treve de quatre ans,   MARIN 1157 b [1701].
(De) gezusters, die hem gedurende zijn vierjarig verblijf te Utrecht met zooveel goedhartige welwillendheid hadden bejegend,   TEN BRINK, Rom. 4, 35 [1872].
De ruim vierjarige Europeesche burgeroorlog,   MORESCO vóór LUCARDIE, St. Zuidzee 3 [1923].
3°. Vierjaarlijksch. In dezen zin niet meer in gebruik.
Vierjarig …, dat om de vier jaar plaats heeft,   BOMHOFF [1857].
— Wanneer de tweede vierjarige reeckening was opgenomen en dat men de reeckeninge daarvan soude opmaken,   V. DAM, Beschr. O.-I.C. I, 1, 368 [1701].
Wanneer men deeze bouwlanden om de vyf jaaren met mest te hulp komt, dan kan men … op aanhoudende ryke oogsten staat maken …, dat met eene ordinaire vierjaarige bemesting niet wel anders kan geschieden, dan door ligtere veldvrugten daar op te zaaijen,   Verh. Maatsch. Landb. 1, 44 [1778].
Vierjukkig.
Quadrijugus, vierjukkig, aan vieren gepaard,   C. DE JONG, Handwdb. [1869].
Vierkaart, vier opeenvolgende kaarten van dezelfde kleur.
  BOMHOFF [1857].
— 4 opeenvolgende kaarten van ééne kleur, b.v. Ruiten 7, 8, 9 en 10 (vierkaart of vierde van Ruiten 10),   LOWE, Kruisj. 11 [1924].
Vierkamerig.
In een enkel geval … (kniegewricht) komen naast de menisci loodrecht daaropstaande lig. intraärt. voor, en wordt het gewricht onvolkomen vierkamerig,   V. BRAAM HOUCKG., Ontleedk. 1, 285 [1886].
Vierkamp, wedstrijd over vier onderdeelen van een tak van sport.
De derde ronde van de vierkamp tussen HZC, Nereus (Zaandijk), DWT (Haarlem) en De Vest (Naarden),   Het Vrije Volk 18 Maart 1957.
Vierkant (zie ald.).
Vierkappens, in Z.-Nederl. voor: in galop, ijlings.
Wij rijden er vierkappens van door, dat het stof in de hoogte vliegt,   BOLS, Reisje in Zwitserl. 39  (ed. 1876).
  SCHUERM., Bijv. [1883].
Het peerd liep vierkappens,   CORN.-VERVL. 1373 [1903].
  GOOSSENAERTS [1957].
Vierkapselig.
Quadri capsularis; vier kapzelig; hier om in de Botanie quadri capsularis Plantœ, vierkapzelige Planten, welkers bloemen vier zaad-kapzels bij malkander voortbrengen,   CHOMEL 2879 b [1773].
  BOMHOFF [1857].
Vierketen (Dl. VII, 2530).
Vierkieuwig (Dl. VII, 2825).
Vierklank, 1°. Samenstel van vier spraakklanken of klankteekens. Thans ongewoon.
De II (is) tot nog toe gebruikt voor de Je, te weeten in het midden der woorden: waar door het gebeurd is, dat men genoodsaakt scheen, niet alleen te moeten hebben de gewoonelijke drieklanken, of Triphthongi als aaú eeû: maar ook vierklanken, als aaii ooii, gelijk te sien is in Maaiien, Hooiien, en diergelijke,   V. WINSCHOOTEN, Letterkonst 15 [1683].
Deze schrijver … ondertekent, de Heer vergeve het hem, met de bekende katholieke vierklank: ”A(d) M(ajorum) D(ei) G(loriam)!”,   V. UDEN, Ivoren Parade 83 [1942].
2°. In de muziek. Samenklank van vier tonen.
Vierklank is die zamenklank in de muzijk, wanneer bij den grondtoon, terts en quint, nog een terts, die derhalve ten aanzien van den grondtoon septime is, gevoegd wordt; daarom heet deze zamenklank ook septimen-accoord,   WITSEN GEYSBEEK, Wdb. d. Zamenl. [1856].
Behalve als dominantakkoord wordt de primaire bovenharmonische vierklank ook op zichzelf gebruikt, zonder dat een overgang naar een tonica-akkoord volgt of ver langd wordt,   FOKKER, Rekenk. Besp. d. Muz. 77 [1944].
In het volledig vernauwde akkoord komen de bovenharmonische en de benedenharmonische primaire vierklanken verenigd voor, zij liggen daar door elkander heen,   78.
Door deze ”7e harmonische” komt de zoeker van een consonante (samenklinkend) drieklank tot een consonante vierklank,   Het Vrije Volk 10 Mei 1948.
Dissonerende akkoorden zijn vier- of vijfklanken, waarin ook secondes, septiemen en nones kunnen voorkomen,   BROECKX, Begrip en Schoonh. v. d. Muziek 145 [1949].
Op de volg. plaats in afwijkend, ongewoon gebruik voor: groep van vier onmiddellijk op elkaar volgende klanken.
Daar de pooten niet precies gelijk neerkomen, hooren we bij het stappende paard een vier-klank,   IJSSELING en SCHEYGROND, Zoogd. 20 [1943].
Vierklauwer, anker met vier klauwen (TAEL, Dial. Schev. [hs. ± 1945])).
Vierklauwig.
Vierklaauwig (in de nat. geschied.) als: De vierklaauwige dieren, les animaux tétradactyles,   V. MOOCK [1846].
Vierklaver (Dl. VII, 3617).
Vierkleppig.
Een Zaadhuisje …, dat vierkleppig is met eene Holligheid en veele Zaadjes,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 7, 407 [1777].
Zij (t.w. zekere pissebedden) worden gezegd levende jongen te werpen, welke het wijfje in een vierkleppig beursje aan het onderlijf bevat,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. d. Wet. 14, 485 [1825].
Veronica Beccabunga, Beekeboom, … heeft zijdelingsche bloemtrosjes met eenen vierdeeligen kelk van eene blaauwe kleur, welke na het bloeijen een rond vierkleppig zaadhuisje overlaat,   CAMPAGNE, Droog. en Apoth. 122 [1831].
Doosvrucht vierkleppig,   HEINSIUS, e.a. Flora 545 [1947].
Vierkleur, iets dat vier kleuren heeft, inzonderh. zulk een weefsel of vlag.
De Reeders zullen gehouden zyn, alle de Onkosten tot alle Werken te doen … Mids dat de Weever gehouden zal wezen, een Patroon van 't Werk met de Simpel geheel in te stellen: Een Driehonderdkoord Eéncouleur, de 100 Litsen of 10 douzyn in de Patroon, voor 12 Stuyvers. … een Viercouleur de 100 dubbelde Litsen, of 10 douzyn in de Patroon, voor 20 Stuyvers,   Keuren v. Haerlem 2, 284 b [1749].
Vierkleur, vlag met vier kleuren, de Transvaalsche vlag,   KUIPERS [1901].
Vierkleurig.
  WEIL. [1810].
Quadricolor …, vierkleurige klaproos,   V. MOOCK [1825].
Het vierkleurig viooltje,   V. DALE 1786 a [1898].
Vierkleurige Ballpointpennen,   Vakbl. Schoenm. 66, 446 [1955].
Vierknobbelig.
Het gebit van den mensch komt in getal en vorm met dat der smalneuzige apen overeen … De boven- en onder-kiezen zijn in den regel vierknobbelig,   Alb. d. Nat. 1896, 1, 275 [1896].
Vierknoopig.
Vierknoopige kettingkeper is … die, waarbij drie nevens elkander liggende kettingdraden drie op elkander volgende rijgingdraden dekken,   Boek d. Uitv. 2, 1, 231 [1865].
  GROTHE, Mechan. Technol. 348 [1879].
Vierknoppig.
Vierknoppig letterslot,   Bouwk. Encyclop. 2, 107 a [1955].
Vierkoppel (Dl. VII, 5549).
Vierkopper, benaming voor een gekweekte sering met aan den top van den stengel vier bloemaren (mondelinge opgave, Aalsmeer [1957])).
Vierkrachtig, (plantk.) ongewoon voor viermachtig.
15de Klasse Tetradynamia, vierkrachtige, met 4 lange en 2 korte meeldraden,   CAMPAGNE, Droog. en Apoth. 305 [1831].
  TEIRL., Consc. Botanist 50 [1912].
Vierkwabbig.
Vierlander.
De vierlander is de in 1433 in de Bourgondische staten ingevoerde en sedert het begin van 1434 geslagen stuiver,   V. KUYK in Jaarb. Gen. Munt- en Penningk. 36, 11 [1949].
Vierledig.
Quadrimembris, vierledich, dat van vier geleden is,   DASYP. [1546].
Vierledig, à quatre termes,   V. MOOCK [1846].
— Welke zyn de Kentekenen van het Ongans onder de Schaapen, waar door word deeze ziekte veröorzaakt, en hoe kan men dezelve voorkomen en geneezen? — Deeze Vraage … is vierledig,   Verh. Maatsch. Landb. 2, 1, 109 [1780].
De kop (van zekere weegluis) van voren uitgerand en gezoomd; de snuit vierledig,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. d. Wet. 14, 189 [1825].
De beweegkracht (t.w. bij zekere draaibank) wordt door middel van een drijfriem overgebragt op de vierledige schijf,   Boek d. Uitv. 4, 150 [1867].
Een vierledige verrekijker,   V. DALE 1786 b [1898].
De trompetten (vóór 1400) zijn niet altijd drieledig … Op een … Engelsche koorkap … spelen twee engelen op vierledige speeltuigen b. v.,   DENIS, Muziekinstr. 184 [1944].
Vierledige duimstokken,   Uit aeen prijscour. [1956].
Vierletterig.
De onzigtbre Godtheid, met geen letters uit te spreken, Al draagt 't vierlettrig Woort zijns wezens naam en merk,   BREDENBURG vóór VONDEL, Besp. v. G. en G.  (ed. 1700).
Tetragrammaton, een vierletterig woord, inz. de naam van God,   KRAMERS, Kunstwdt. [1847].
Vierlettergrepig.
  WEIL., Kunstwdb. [1824].
— Beminnelijk is een vierlettergrepig woord,   BOMHOFF 1061 a [1857].
De woorden ”silencieux” of ”mystérieux”, die nu eens vierlettergrepig, dan weer drielettergrepig behandeld worden,   BROECKX, Begrip en Schoonh. v. d. Muziek 152 [1949].
Vierlijnig.
Het getal lijnen, waarop en waartusschen de noten geplaatst worden, bleef langen tijd tot vier beperkt; in den Gregoriaanschen zang is het vierlijnig stelsel nog heden in gebruik,   VIOTTA, Lex. 2, 686 [1883].
Vierli(j)st (?). Misschien gevormd met lis (I).
Van vierlisten. Alle vierlijsten moeten ter rauwe perse ghebrocht worden met twee loyen, by den wever behoorlycken aenghedaen,   in Med. K.A., Lett. 84, S. B, 46 [1581].
Vierlobbig, zie Dl. VIII, 2528, en nog de volg. aanh.
De vierlobbige voet (van zekere doopvont) …,   HASLINGHUIS in Bull. Oudheidk. Bond 1914, 112.
Kleine driehoekige of venstervormige klankgaatjes (bij een luit) zooals in de Nederlanden zijn in Italië niet te vinden. Op onderhavig voorbeeld van Giovanni di Paolo zijn de drie bijgaatjes vierlobbig,   DENIS, Muziekinstr. 103 [1944].
Vierlongig.
De Spinnen, die deze kenmerken gemeen hebben, worden gezamenlijk Vierlongigen (Tetrapneumones) genoemd,   BREHM-HUIZINGA 3, 588 b [1910].
Vierlood; zie Dl. VIII, 2727, en nog de volg. voorb.
Handelden ick voor de eerste mael 14 stuckx olifandtstanden …; betaelden haer in 11 ellen roode vierlooden van 22 stuyvers d'el,   V. D. BROECKE, Reizen W.-Afrika 29 [1608].
Een roodt en swart stuck vierloodt,   44 [1610].
Van vier-looden ende andere geringh goedt ende sommige andere manifacturen soude niet meerder behooren e werden belast als die alrede beswaert sijn,   in Bijdr. Hist. Gen. 37, 33 [1663].
Vierloop, 1°. in het Wvl. voor vierschijfsblok.
  V. KEIRSBILCK, Mets. [1899].
  RONSE, Windm. 118 b [1934].
2°. Andere naam voor vierpas (W. P. Encyclop. 19, 426 b [1955])).
Vierlooper, talie met twee dubbele blokken.
  TWENT, Zeem. Wdb. [1813].
  PILAAR-MOSSEL, Tuig 99 [1858].
Naar het aantal schijven in de blokken (van een takel) onderscheidt men: a. derdehandtakel, met een enkele schijf in ieder blok; b. talie, met twee schijven in het vaste en een in het vliegend blok; c. vierlooper, met twee katrolschijven in ieder blok, d. enz.,   GROTHE, Kennis v. Werkt. 69 [1875].
Vierlotter, in Gentsch dialect voor oorveeg.
Zoede wel willen gelooven, Wanne, aes ik uy alzoo bezien, dat al myn bloed vergaet, da'k in myn lyf hen; het zoe nog lange dueren om uy ne vierlotter te draeyen,   bij LIEV.-COOPM. 1607 b [1816].
Vierluik (I), schilderstuk dat bestaat uit vier met scharnieren onderling verbonden paneelen (Kath. Encyclop. [1955])).
Vierluik (II); zie de aanh.
De ”pop” kemp verdeelen ze in twee of drie, ja, soms vier ”strengen”. Als de ”djek” met twee ”strengen geleuken” is, is het een ”tweeluik”, met drie, een ”drijluik”, met vier, een ”vierluik”,   Ons Volksl. 11, 83 (Land v. Dendermonde [1899])).
Viermaandelijksch.
Viermaandelijksch, dat van vier tot vier maanden plaats heeft,   BOMHOFF [1857].
Viermaandelijks tijdschrift,   V. HAERINGEN 881 a [1946].
Viermaander (Dl. IX, 35).
Viermaandig, viermaandelijksch of -maandsch. Veroud.
  WEIL. [1810].
— Dat ik na eene viermaandige levering eerst de betaling wil vorderen, en aldus de intekenaars met een rondborstig vertrouwen behandel,   V. EFFEN, Spect. 9, 148 [1734].
Viermaandsch, van vier maanden.
  BOMHOFF [1857].
— Ik stond met die resten in mijn hand, mij bewust van het viermaands embryo van het andere, nieuwe kind in mij,   HAASSE, Zelfportret 179 [1954].
Viermaat, op de volg. plaats voor ”viermatigen” klank.
Lange aa ee enz. … Door wiens behulpzaemheyt ghemaekt werden de Diphthongighe Driematen: als mede de Triphthongighe Vier-maten,   DAFFORNE, Gramm. 25 [1627].
Viermachtig, plantk. term in het stelsel van Linnaeus; zie de eerste aanh.
Tetradynamia. Viermagtige. Zes Meeldraadjes, waar van de vier langer zyn, dan twee tegenover elkander staande,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 1, 244 [1773].
In de 14e klasse (Viermagtigen) zijn … 2 rangen: haauwtjesdragenden … en haauwdragenden,   V. HALL, Eerste Beg. d. Plantk. 85 [1836].
Als de meeldraden niet alle ongeveer even lang zijn, kunnen zij wezen: a. tweemachtig (didynamus), twee lange en twee korte … b. viermachtig (tetradynamus), vier lange en twee korte,   PULLE, Comp. 51 [1952].
Vierman, lid van een viermanschap; vert. van lat. quattuorvir of quadrumvir.
Quatuorviri, viermannen,   MEYER, Woordenschat 589 [1663].
— Op de eerste soort (van penningen) vindt men byzondere Ampten, gelyk onder Julius Caesar dat der Driemannen, en Viermannen die Muntmeesters waren, met den Tytel van III VIR of IIII VIR A.A.A.F.F.,   ALENZOON, Joberts Gedenkp. 124 [1728].
Een der viermannen, die den naam van burgemeesters plagten te voeren,   WEIL. 5, 335 [1810].
Viermannig, plantk. term in het stelsel van Linnaeus, vier even lange meeldraden hebbend.
IV Klasse. Tetrandria.Viermannige. Vier Meeldraadjes in een tweeslagtige Bloem,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 1, 243 [1773].
4de Klas. — 1ste Schikking. Viermannig-Eenwyvig.TetrandriaMonogynia. Rubia Meekrab. Plantago Wegbree. enz.,   CONSC., B. d. Nat. 254 [1846].
Viermanschap.
Deze (Verbruggen) blijkt echter niemand anders te zijn dan Laarmans. Laarmans is, naar ge weet, het ”alter ego” van Elsschot, en Elsschot de schuilnaam van Alfons de Ridder. Van dit viermanschap zijn slechts drie personen naspoorbaar,   NIJHOFF, Elsschot 26 [1952].
Viermaster, 1°. Schip met vier masten.
Onbeduidender (dan degaljassen”) waren de caravellen …, oorspronkelijk slechts eenvoudige vaartuigen, later viermasters met één verdek,   Boek d. Uitv. 3, 144 [1867].
Hoerah, die Hollandsche loods laveerde tegen den wind in den Belgischen voorbij! Ging hij ginds dien Duitschen viermaster halen?   HASPELS, Brandaris 71 [1908].
Een stoer schip, een knaap van een viermaster,   LECLERCQ, Wind i. d. Z. 8 [1933].
2°. Circustent met vier masten.
Een grote viermaster met een indeling in drie pistes met een renbaan, gelijk eens Barnum & Bailey en daarna Gleich en Sarrasani hier brachten,   N. Rott. Cour. 20 Mei 1953.
De grote tent, een viermaster met 3500 zitplaatsen,   Vr. Volk 26 Sept. 1958.
Viermatig, op de volg. plaats voor viervoudig.
Vier-matighe Diphthonghen of Twee-klanken zyn deze twee: aay, ooy,   DAFFORNE, Gramm. 74 [1627].
Viermerk, vierdeelig of vierhoekig merk(?).
Niemand zal voortaan op het Tin andere Merken mogen slaan, dan de navolgende, namentlyk: Op Engelsch Tin, een Engel of Viermerk met den Naam en Toenaam daar in van den Meester enz.,   Keuren v. Haerlem 2, 312 a [1750].
Viermijt, muntstuk van vier mijten.
Quadrans …, een vier mijte,   DASYP. Y r° a [1546].
Chalcus … B. Een Hollantsche penninck, viermijten Brabantis,   JUNIUS, Nomencl. 354 a [1567].
Viermotorig.
  GALLAS [1936].
— Het eerste zware viermotorige Amerikaanse vliegtuig,   DE BOSCH KEMPER, Teg. St. 256 [1950].
Viermotorige luchtreuzen,   Trekker, Dec. 1957, 8 b.
Viernamig, op de volg. plaats als vert. van quadrinomium.
'T ghegeven: Laet zijn een vier-. naemigh ghetall als 12 + √ 48 + √ 80 + √ 60 'T begheerde: Wy moeten daer van vinden sijn viercant-wortel,   STAMPIOEN, Algebra 23 [1639].
Vieroog, 1°. naam voor verschillende dieren; zie de aanh.
Vieroog, een der soorten van de buideldieren, de Didelphys L., … heeft boven ieder oog een bleekgele vlek,   WITSEN GEYSBEEK, Wdb. d. Zamenl. [1856].
Vieroog … wordt … eene soort van den zoogenaamden hoogkijker geheeten, t.w. de anableps tetrophthalmus van Bloch, of cobitis anableps L., a. w. De Nemertinen zijn de hoogst bewerktuigde onder de platwormen … In ons vaderland is slechts eene soort nog waargenomen tot het geslacht der Vieroogen behoorend,   HERKLOTS, Weekd. 279 [1862].
Anablebs Anablebs (L.) … Vieroog … Rivier- en strandvisch,   Encyclop. v. Ned. W.-I. [1914].
  WERNER, Zeevissen 25 [1951].
2°. Gewest. als scheldnaam voor iem. die een bril draagt (TER LAAN [1929])); daarnaast vierooger (CORN.-VERVL. [1903])).
Vieroogig.
De Vieroogige Hoogkijker der kolonisten (Anableps tetrophthalmus),   BREHM-HUIZINGA 3, 279 b [1910].
Vieroogig: aan duiding voor — overigens zeldzaam voorkomende — honden met gele vlekken boven de oogen,   HERMANS, Jagerswdb. [1947].
Vieroorig.
Twee- of vieroorige potten,   V. GIFFEN, Hunebedden 2, 153 [1927].
Vierpaardig.
Den wreeden crijgh … sijn felle wreetheyt toont, Als een getreck vierpeerdich aen den waghen, Twelck op den loop geraect is,   V. MANDER, Olijfb. 27 [± 1605].
Als de stercke Droes eertijds den vollen loop Van een vier-pardig krat cort op end' over hoop Door zijnen stouten erm cost dwingen ende schutten,   V. BORSSELEN, Strande 24 [1611].
Vierparig.
Knobbelwortelige Erven met drie- of vierparige gevinde, lancetvormige bladen,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 313 [1815].
Vierpas, 1°. Zeker motief in gotische traceeringen; zie Dl. XII, 625, en nog de volg. voorb.
Vierpas, motief van Goth. maaswerk … gevormd door vier uit het midden der zijden van een vierkant met een straal = 1/2 zijde beschreven, elkander dus snijdende cirkels, waarvan de segmenten tussen de snijpunten zijn weggenomen,   HASLINGHUIS, Bouwk. T. [1953].
— De vulling der zwikken tusschen kroonlijst en bogen bestaat bij de ledige nissen in een cirkel met vierpas,   LIGTENBERG in Bull. Oudheidk. Bond 1914, 137.
Kleine van zeer dun zilver gedreven … kelk … Hierbij een patena met verdiepten vierpas, middellijn 0,122 M.,   Ned. Mon. V, 1, 413 [1935].
De noordelijke ingangsnis wordt geleed door drie rondstaven, terwijl zijn boogvulling twee gekoppelde spitsbogen met driepassen, waarboven een roos met inbeschreven vierpas vertoont,   a. w. VI, 1, 47 [1940].
Grafzerk met in het midden een vierpas waaromheen opschrift betreffende den kanunnik G. L.,   a. w. VII, 1, 87 [1944].
Ook ben. voor een stel van vier tegels die samen een bep. voorstelling vormen.
Vierpassen van fruitschaaltjes gingen weg voor 320, 240 en 210 gulden, een zeldzame vierpas met kruisornament voor 420 gulden (tegelveiling),   Telegraaf 25 Oct. 1963.
2°. Zekere pas bij het skiën.
Lopen, in de vlakte, onderdeel van de skitechniek … Men onderscheidt: driepas, vierpas en pasgang, gezamenlijk langlooppassen geheten … Bij de vierpas worden drie korte glijpassen gevolgd door een vierde krachtige glijpas,   Sportencyclop. 569 b [1951].
Vierpersoons, geabstraheerd uit meerledige samenst. met deze verbinding.
Vrijwel altijd in tweepersoons constructie, soms in drie- of zelfs vierpersoons!   bij GERLACH ROYEN, Buigingsversch. 4, 194 [1946].
Vierpikkel (Dl. XII, 1798).
Vierpitter.
In den vollen schijn der drie-, vier- en vijfpitters gedurende de werkzaamheden in het benedenschip, wist ik al aardig den weg aan boord,   MOLLEMA in Onze Vloot 28, 86 a [1936].
Vierplankig.
Ontsluit uw schoot, vierplankig huis, Dat Vlaandrens Dichter (t.w. Van Duyse) houdt besloten; Voor hem geen kerkhofbed,   V. ACKERE, Winterbl. 172 [1868].
Vierpolig; zie Dl. XII, 3324, en de volg. voorb.
Twee op elkaar volgende ongelijknamige borstels liggen … bij een vierpolig anker op een boogafstand van 90° van elkaar, bij een zespolig 60° enz.,   V. CAPPELLE, Electr. 110 [1908].
Een vierpolige dynamo,   113.
Moet in een draaistroominstallatie tevens de nulleider worden in- en uitgeschakeld, dan past men vierpolige schakelaars toe,   Bouwk. Encyclop. 1, 346 a [1954].
Vierponder, 1°. Iets dat vier pond weegt, b.v. zulk een brood of kogel (WEIL. [1810])), een kaas (CALISCH [1864])).
4 dosynen en halff ingelsche telliooren, ghewapent met 's bezitters wapens … 15 ghelycke thinne schotels, ghewaepent als vooren, ghenaemt vierponders,   in Biekorf 16, 159 [1632].
De gele kar van de katholieke volksbakkerij ‘Ons Brood’, tot de nok toe volgeladen met drie- en vierponders,   Het Vrije Volk 11 Apr. 1957.
2°. Stuk geschut dat kogels van vier pond schiet.
  WEIL. [1810].
3°. Benaming voor spijkers waarvan de duizend vier pond wegen.
Eenige der doelmatigste en gebruikelijkste soorten van spijkers … zijn de volgende: vijf- tot tien-duimers … Vier-ponders, schot-spijkers of venster-nagels enz.,   KUYPER, Technol. 1, 501 [1861].
Vierpondig, tot V. DALE [1914] in de wdb.
Vierpondich, van vier ponden. De quatre liuvres,   PLANT. [1573].
Vierpondsch.
Vierpondsch, dat vier pond weegt,   BOMHOFF [1857].
Vierpool; zie de aanh.
De ‘vierpool’, met welke naam men alle schakelingen met vier klemmen aanduidt,   KEIJZER in E.N.S.I.E. 8, 379 a [1950].
Vierpool is een electrisch netwerk, voorzien van twee ingangs- en twee uitgangsklemmen, dat is opgebouwd uit lineaire elementen,   Techn. W.P. Encyclop. [1953].
Vierpoot, voorwerp dat vier pooten heeft.
Vierpootje, standaardje met vier pooten,   CALISCH [1864].
Vierpootig, vier pooten hebbend, eig. en oneig.
  V. MOOCK [1846].
Vierpotige bok — four-legged support,   TEN BOSCH, Viert. Techn. Wdb. [1911].
”Joris de Leeuw”, aan wie het te danken is dat in het leger het Nederlandsch een klein plaatsje toegekend is, al is het dan ook nog vierpootig Nederlandsch,   West-Vlaming 5 Maart 1932.
Vierpunt, 1°. iets dat vier punten of hoeken heeft; in het wdb. van KRAMER [1768] vermeld voor vierhoek, welke bet. overigens niet is aangetroffen. In het bijz. als term bij de diamantbewerking.
De grondvormen van den diamant zijn de regelmatige octaëder of het achtvlak en de dodecaëder of het twaalfvlak. De eerste vorm wordt door den werkman vierpunt, de tweede tweepunt genoemd,   Eigen Haard 1875, 408 b. LEVIT-POLAK, Diam. [1908].
2°. Zie de aanh.
Vierpunt, silpha quadripunctata, eene soort der aaskevers; de vleugelschilden zijn bleekgeel met zwarte punten,   WITSEN GEYSBEEK, Wdb. d. Zamenl. [1856].
Vierpuntig; verg. Mnl. W.
Vierpuntig, viereckicht,   M. KRAMER [1768].
— De lagere gedeelten van de kerk zijn allen, ter hoogte van 13 m., met gemetselde, vierpuntige of kruysgewelven, als een spitse boog gewerkt, voorzien,   bij ALLAN, Haarlem 3, 437 [ ].
De kuipers gebruiken eenen dergelijken dubbelden (vierpuntigen, vierspitzigen) passer, wiens beenen paarsgewijze eene ongelijke lengte hebben,   KUYPER, Technol. 1, 705 [1861].
Het aanbrengen van mijnen, valstrikken, vierpuntige ijzers, e.d.,   Voorschr. Inr. Stell. VIII (1933), 6.
De noordoostelijke kapel wordt overdekt door een vierpuntig stergewelf,   Ned. Mon. VI, 1, 10 [1940].
Vierraad, in de aanh. voor vierraderig.
Wanneer ick met mijn Rossen In een vier-rade Koets geseten, ry naer d'Hoef?   Vlaerd. Redenr.bergh O 4 r° [1616].
Vierraamd, in de aanh. voor: vier ramen hebbend.
Men (kan) ook vier-raemde kassen met drie rook-leidingen maeken, die van eene zyde gestookt worden,   DE LA COURT V. D. VOORT, Landh. 387 [1737].
Vierraderig, vier raderen hebbend.
  BOMHOFF [1857].
  KUIPERS [1901].
Vierradig, vierwielig. Weinig meer in gebruik.
De Engelsche majoor Millar stelde in 1806 een naar dit stelsel vervaardigden vierradigen kaisson voor,   Boek d. Uitv. 6, 357 [1869].
Het voertuig, waarop de (brand)spuit staat, is vierradig; het voorstel kan naar alle richtingen wenden,   Eigen Haard 1875, 25 a.
Bij de artillerie onderscheidt men twee- en vierradige voertuigen,   V. PESCH, Handl. Art. 6, 30 [1885].
Vierreeder; zie de aanh.
n°. 1546. Twee vierreeërs, wolkammen met 4 rijen ijzeren tanden,   Catal. Mus.De Lakenhalte Leiden 140  (ed. 1914).
Vierregelig.
  Ik. Wat is dat voor een vierregelig vodje? Hy. Dat wierd gemaakt op Koning Willem, toen hy zyn schouder gebroken had, WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 249 [1784].
Het portret, waaronder dit vierregelig byschrift van Vondel gedrukt staat, is keurig gegraveerd door J. Suyderhoff,   V. LENNEP in VONDEL 2, Nal. 5 [1856].
Zijn altijd vierregelige verzen (die van Jacob Israel de Haan) leven … nooit als van den dichter afgezonderde organismen, zij … zijn een immer van hem-zelf verhalend zangerig lied,   NIJHOFF, Ged. op Dinsd. 27 [1924].
De Sequentia bestaat uit tweëntwintig drie- of vierregelige strophen met verzen van vier heffingen,   LENAERTS in Studia eucharistica 43 [1946].
Vierriem(s), geabstraheerd uit meerledige samenst. met deze verbinding.
Dienzelfden dag werd ook nog vierriems en tweeriems juniores … geroeid,   Eigen Haard 1885, 310 b.
Was van meet af bepaald, dat het hoofdnummer in vierriemsgieken zou worden geroeid, in latere jaren is men daarvan tijdelijk afgeweken en namen de achtriems de plaats der vierriems in,   ABENDANON en BEVERSEN, Gedenkb. Studentenroeisp. 36 [1932].
Wedstrijden in België. 15 Mei: Terdonck in de nummers: … vier zonder stuurman …, bestuurde vierriem junior en senior,   Waterkampioen n° 816, 74 b [1947].
Vierrijig, bepaaldelijk gezegd van gerst waarvan de aren aan beide zijden twee rijen korrels hebben.
Twee-, drie- of vierrijig geschubde (bladen),   CAMPAGNE, Droog. en Apoth. 64 [1831].
Twee-, vier- en zesrijige garst, naar het aantal rijen, waarin de korrels in de aren geplaatst zijn,   ENKLAAR, Handb. Landb. 68 [1854].
Vierrijige gerst is een bijzonder type van de veelrijige gerst; de aar is vierkant op doorsnede,   Veenman's Agrarische W.P. [1957].
Vierruggig.
Het Paneel, Gotische paneelen. Briefpaneelen … De naam gaat zuiver naar het aspect … drie-, vier-, vijf-ruggig briefpaneel,   Bull. Oudheidk. Bond 1906, 200.
Vierschaar (zie ald.).
Vierschacht, met vier schachten vervaardigd weefsel.
De vierschachten zullen gezegelt werden mit double leeu, enckele leeu of gecroonde L.,   in R.G.P. 18, 410 [1586].
Cattoen bombasynen, die men ooc noemt vierschachten,   18, 433 [1600].
Vierschachter, weefkam met 4 schachten (DE BO [1873])).
Vierschachtig (Dl. XIV, 184).
Vierschalen, in Z.-Nederl. gezegd van boomen, voor: er aan vier kanten de schaal afzagen (TUERL.; RUTTEN [1890]; CORN.-VERVL.).
661/2 voeten abeelen twee duyms plancke gevierschalt,   bij LIEV.-COOPM. 1607 b [1789].
Vierscharig.
Vierscharige ploeg,   BEZEMER [1934].
Vierschat, viermaal zekere som; het viervoudige. Verg. Mnl. W.; sinds de 16de e. veroud.
Quadruplum, vier-schat, vier-voud, vier-voudig,   KOERBAGH, Wdb. d. Regten 196 [1664].
— Indien de gequetste (bij een twist) soo gestelt zy, dat de Schipper daer by verachtert wert in sijnen dienst, soo sal de misdadige boven 't gheene des voorschreve is, den Schipper ghehouden zijn te betalen vierschat van sijner huyren,   Gr. Placaetb. 1, 790 [1551].
Al tot coste van den brueckigen, ende die penningen die hij dat doende uuytleyt, zal hij weder innen met den dijckrechte twee schat aen ghelde ende vier schat aen panden,   Rechtsbr. Hoofdwatersch. Z.-Holl. 238 [1561].
Daennemers zullen gehouden zijn dit vingerlinck kannedicht op te leveren …, ende insooverre daennemers in gebreke zijn …, soo salt den dijckgraeff tot heuren cost doen doen, hetzij in dachgelden oft bij bestedingen, ende innen zijn gelt op anderhalff schat naer dijckrecht oft tweeschat, drijeschat oft vierschat naer dat de coustume van den lande is,   VIERLINGH, Tract. v. Dyck. 216 [± 1578].
Vierschaven, met een schaaf vierkant maken. Gewest. in Z.-Nederl. (JOOS [1900-1904])).
Vierscheepsch, uit vier schepen bestaand. Eenmaal aangetroffen.
Wat wil ick veel vermanen, Hoe Olyvier van Noord, de Straet der Magellanen Langhs Chili, en Peru beseylt heeft, en den kloot Der aerden omghewielt, met een vier-scheepsche Vloot,   VONDEL 1, 140 [1613].
Vierscheid, viersprong. Eenmaal aangetroffen.
een Vier-wegh, ofte vier-scheede, A Meeting of foure wayes,   HEXHAM [1658].
Vierscheutig, zie VIERSCHOTIG.
Vierschijn, in de sterrenkunde als benaming voor een constellatie waarbij twee sterren 90° in lengte verschillen. Sinds CALISCH [1864] in de wdb.
Vierschoten, vierschotig, vierschrotig, zie VIERSCHOTIG.
Vierslag (zie ald.).
Vierslippig, term in de plantk.
Akker Schurftkruid, de bloemkransen zijn vierslippig gestraald,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 65 [1815].
Vierslippige Geastrum, met een' bijna bolvormigen, gesteelden, aan den mond kamvormigen omslag, en eenigzins vierslippige, gewelfde straaltjes,   2, 181 [1818].
Geastrum quadrifidum. Vierslippige aardster; Steltloper. Een der kleinere aardsterren, vooral gekenmerkt doordat het exoperidium zich gewoonlijk in 4 (soms meer) slippen verdeelt,   COOL en V. D. LEK, Paddestoelenboek 2, 250 [1943].
Viersnarig.
Tetrachordum excellentium, viersnarigh der uytstekende,   MEYER, WoordenSchat [1654].
Hermes trismegistus … gaat voor de uitvinder van zodanig viersnaarig instrument, als men gemeenlyk de lyr of citer van Mercuris noemde,   LUSTIG, Muzykk. 216 [1751].
In het kapiteel van de St. George-kerk te Boscherville vindt men eene groep van elf muzikanten uit de XIde eeuw uitgehouwen, onder welke de eerste eene viersnarige viool heeft, weinig van de tegenwoordige verschillende,   Boek d. Uitv. 6, 290 [1869].
Een bijzonder groot viersnarig instrument … is de tambura, de klassieke begeleider van alle snaarinstrumenten (in Voor-Indië),   BALFOORT in Hout in alle T. 2, 226 [1949].
Viersnedig.
Bij geconstrueerde liggers maakt men liefst de horizontale nagels in de onderrandhoekijzers boven de opleggingen viersnedig door het aanbrengen van versterkingsplaten over de verticale beenen der hoekijzers,   Spoorwegtechn. 1, 101 [1933].
Viersnijdend.
Tot het dooden (van walvisschen) heeft men verscheidene lange viersnijdende lansen in voorraad, die men dan met een krachtigen worp zonder lijn in het dier slingert, of waarmede men het doorboort,   Boek d. Uitv. 3, 101 [1867].
Viersnuit (Dl. XIV, 2439).
Vierspan (zie ald.).
Vierspletig, 1°. in vieren gespleten; bepaaldelijk als term in de plantk., gezegd van bladen met vier insnijdingen die tot de helft van de hoofdnerf gaan.
Vier-spletigh, Quadrifidus,   KIL. [1599].
— Heide. De kelk is vierbladig … De bloemkrans is vierspletig,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 175 [1815].
Beukeboom. De mannelijke bloem is een bijna rond bloemkatje. De kelk is vierspletig-klokvormig,   1, 415.
2°. Op de volg. plaats in een andere toepassing waarvan de bet. niet blijkt.
Hoe ghy maecken sult aerdighe Vyer-Clooten … Laet u een Draeyer van goet hart Booghout dat drooge ende vierspletich is … een ronde Cloot draeyen nae u begheerte,   EVERAERT, Vyerw. 16 a [1624].
Viersprong (zie ald.).
Vierstal, kruk op vier pooten. In litt. taal.
Eens, dat Neef voor een brievenvracht Ten hoogen vierstal zat, … En veel te pennen had,   V. ZEGGELEN 5, 161 [1850].
Vierstar, op de volg. plaats voor: de vier sterren die den wagen van den Grooten Beer vormen.
Al blonck het spoor, noch zagh de menner op 't gebaende Hen niet te breidelen, de Vierstar voelde alreê Dees hitte d'eerste reis, en pooghde zich in zee Te dompelen, hoewel 't haer eeuwigh is verboden,   VONDEL 10, 308 [1663].
Vierstempelig; zie de aanh.
Het met lood gelegeerd tin is beter geschikt tot gieten dan zuiver tin … Men onderscheidt in dit opzicht: vierstempelig tin, uit 32 deelen tin en 1 deel lood; driestempelig tin enz.,   KUYPER, Technol. 1, 40 [1861].
Vierstijl, weefgetouw met vier opgaande stijlen, voor de katoenweverij bestemd. Gewest. in Z.-Nederl.
  DEVOS in Volk en Taal 4, 87 [1891].
  JOOS [1900-1904].
  TEIRL. [1922].
Vierstijlig (plantk.).
Tot de dertiende klasse ingesloten, worden de orden van het Linnaeaansche stelsel naar het getal der stijlen bepaald, op de volgende wijze: eenstijlige, monogynia; … vierstijlige, tetragynia, enz.,   DIETRICH-DE VRIESE, Kunstwdl. d. Pl. 21 b [1834].
Vierstippelig.
De vierstippelige Valkever … Kenteeken … de dekschilden vaal rood, zeer fijn gestippeld, en op ieder derzelve een zwart vlekje, het eene boven aan den buitenhoek, en het andere omtrent op het midden,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. d. Wet. 14, 75 [1825].
De Vierstippelige Houtluis (Psocus quadripunctatus) … legt 5 à 16 eieren tusschen bladnerven en bedekt ze met spinsel,   BREHM-HUIZINGA 3, 535 b [1910].
Vierstippig.
(Arenea) Quadripunctata. Vierstippige (Spinnekop). Spinnekop, die het Agterlijf langwerpig en zwart heeft, met vier uitgeholde Stippen,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 13, 227 [1769].
  WEIL. [1810].
Vierstoot, (bilj.) stoot waarbij een witte bal met carambole wordt gemaakt (V. DALE [1884])).
Vierstraal; zie de aanh.
We beschouwen een waaier, waarvan de top T in het eindige ligt. Laten a, b, c, d vier verschillende stralen van dien waaier zijn. Het geheel dier stralen noemt men een vierstraal,   SCHUH, Leerb. d. N. Meetk. 22 [1938].
Vierstralig.
De zijbeukkapellen zijn gedekt met kruisribgewelven, uitgezonderd de westelijke travee der kapel van de H.H. Monulphus & Gondulphus, die met een vierstralig stergewelf is overkluisd,   Ned. Mon. V, 1, 339 [1935].
Vierstrengs, in Z.-Nederl. vierstreng (JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL., Aanh.), geabstraheerd uit meerledige samenst. waarin die verbinding voorkomt. Uit vier strengen geslagen touwwerk.
't Eerste nummertje wat 'r kwam was 'n kunstemaker. Die gast was nou nèt zoo slap as 'n endje vierstrengs, zat met z'n poote' om z'n nek,   VERHOOG, Av. v. d. Zee 15 [1927].
Driestrengstauwwerk, verkort tot driestrengs: ”Istat drie- of vierstrengs?”   OVERDIEP, Volkst. v. Katw. a. Z. 141 [1940].
Daarnaast oudtijds vierstrengd.
Zy … zullen … moeten doen dese preuve, als te wetene: een cabel te maekene …, midtsgaders een vierstrynghede slaghe, cabelsghewyse gesleghen,   in R.G.P. 75, 759 [1564].
Vierstrepig.
Aranea Quadrilineata. Vierstreepige (Spinnekop). Spinnekop, die het Agterlyf rondagtig geel heeft, met vier paarsche Stippen in 't midden en een paarsche Streep op ieder zyde,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 13, 219 [1769].
  WEIL. [1810].
Vierstruif.
Vierstruif (keuken). Een gerecht uit vier struiven (omeletten), bestaande. Drie struiven die aan één zijde worden gebakken, worden op elkaar gestapeld en een vierde wordt er omgekeerd opgelegd. zóó, dat de vierstruif onder en boven een gebakken kant heeft,   METZ [1937].
Vierstuit (Dl. XVI, 296).
Viersylbig (Dl. XVI, 597); gewoner is viersyllabig.
Viertact, geabstraheerd uit meerledige samenst. met deze verbinding.
Een groot aantal vliegmotoren zijn in den loop der tijden ontstaan, alle van verschillend type, doch alle berustende op het systeem van de viertact,   Avia 7, 46 a [1917].
Bij diesel- zowel als mengselmotoren bestaat er onderscheid tussen tweetact en viertact, wat betrekking heeft op het verloop van de werkcyclus,   W.P. Encyclop. 18, 24 a [1954].
Viertakkig.
Monoculus quadricornis. De vierhoornige Schildvloo. Kenteeken. Viertakkige sprieten,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. d. Wet. 14, 482 [1825].
Viertal (zie ald.).
Viertalig, in vier talen gesteld.
De Prins had … aan de Universiteit den door Arias Montanus in 1569 bij Plantijn uitgegeven viertaligen bijbel … ten geschenke gegeven,   MOLHUYSEN in Ts. Boek- en Bibliotheekw. 2, 34 [1904].
Het viertalig technisch woordenboek,   Titel [1907].
Een … etiket met een viertalige gebruiksaanwijzing,   J. W. DE BOER, Vernis-stokerij 184 [1953].
Viertallig, 1°. uit viertallen bestaand, bepaaldelijk als plantk. term.
Akkerige Leeuwenbek met eenigermate lijnvormige bladen, waarvan de benedenste viertallig zijn,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 271 [1815].
Zamengestelde bladeren. … viertallig, quadrinatum; vier blaadjes aan de punt van eenen algemeenen bladsteel,   DIETRICH-DE VRIESE, Kunstwoordenl. d. Planten 14 a [1834].
De Meekrap … draagt … hare … bladen in 4-tallige kransen,   OUDEMANS, Flora 2, 212 [1873].
2°. Het viertallig stelsel, stelsel van tellen met vier als grondtal.
  CALISCH [1864].
Vandaar: viertalligheid.
De tweetalligheid (ten dele viertalligheid) van de bloem (t.w. bij de Cruciferen),   HEINSIUS e.a., Flora 484 [1947].
Viertand, 1°. benaming voor zekere soort van egelvisch, ook stekelbuik genoemd (Tetrodon).
  SCHLEGEL, Dierk., reg. [1858].
  V. DALE [1872].
2°. Eenmaal aangetroffen als benaming voor zekere soort van bladmos (V. HALL, Flora v. N.-Ned. 2, 1, 165 [1832]).
Viertander, viertandige riek (DE BONT; ELEMANS 131).
Viertandig.
  PLANT. [1573].
Een viertandige Elger,   DE GRAAF, Reisen 49 [ed. 1701].
(Apis) Qaudridentata. Viertandige (Bij). By, die … den Aars viertandig heeft, waar van de middelsten gevorkt,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 12, 332 [1768].
Ilex. Hulst. De Kenmerken zyn, een viertandige Kelk enz.,   II, 4, 166 [1775].
Scheeren, (zijnde eene waterplant welke alhier overal in de uitgeveende plassen … gevonden, en met een lange viertandige Hark getrokken wordt),   KOPS, Mag. v. Landb. 6, 52 [1811].
Gebaarde Jungermannia, … bijna vierkant gevouwene, aan de punten, eenigermate viertandige bladen,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 2, 67 [1818].
De Viertandigen (Tetrodon), waar de snijdende rand van de onderkaak zoowel als die van de bovenkaak door een overlangsche groeve of naad middendoor gedeeld is,   BREHM-HUIZINGA 3, 323 a [1910].
(Dehaker”) verplaatst de turven naar de eene zijde van de veenput, waar een ander, gewapend met een viertandige vork, de turfvork, ze opneemt om ze op een kruiwagen of kar te plaatsen,   EDELMAN, Tiesing 98 [1943].
Vierteenig.
Vierteenig zie Viervingerig.   KUIPERS [1901].
Vierterm.
Ontbind de vormen a² + 2ab + b²; a²—2ab + b² en a²—b² in twee factoren, door ze terug te brengen tot viertermen,   SMITS, Algebr. Vraagst. 1, 87 [1887].
Viertijdig, in viertijdige vasten als vertaling van quatertemper sinds HALMA [1710] in de wdb.
Viertonig.
(Guido Aretin) stelde in plaats van de viertoonige orde, of de tetrachorden der Grieken …, eene sestoonige, of hexachorden, in,   LUSTIG, Muzykk. 246 [1751].
Viertonner, iets dat vier ton weegt of zulk een vracht kan dragen.
Op de drukke dagen in het zomerseizoen maakt de enorme eetlust van de drie- en viertonners (t.w. olifanten) de meeste indruk,   Jubileumkrant Blijdorp 3 a [1957].
Viertoon, toon die van een gegeven toon vier intervallen verschilt, kwart. Veroud.
Viertoon. Diatessaron,   BINNART-DE WILDE [1719].
De intervallen ontfangen hunne benoeming volgens den afstand, dien ze in nooten op acht trapswyze volgende ruimtens, 't zy streepen of spatien, vertoonen. Staat de Prime, by voorbeeld, op de benedenste of eerste streep, … wat de derde spatie inneemt, (heet) viertoon, of Quart,   LUSTIG, Muzykk. 104 [1751].
De zelden voorkomende quinta superflua, die ook anders Tetratonum (dat is, viertoon) genaamt word, is een kleine semitoon hooger als de regte quint, ze heeft haar plaats boven de terts van een moll Toon,   KELNER-HAVINGHA, Generaal Bass 141 [1751].
Viertrap, trap met vier treden (opgave van G. BOEKENOOGEN).
Viertrappig.
Eene viertrappige verhevenheid, waerboven een houten rustbed (t.w. voorhet Russische dampbad”),   NOLET DE BR., Reisje in h. N. 142 [1843].
Viertuit(e), in het Wvl. voor vierkant.
De tafels zijn meest rond of viertuitte,   DE BO 1323 a [1873].
Vierturven, turven met vieren stapelen (opgave voor Zwammerdam, 19de e.); verg. tienturven (Dl. XVI, 1844/5).
Vierurig.
Vierurig, dat vier uren duurt of geduurd heeft, van vier uur,   BOMHOFF [1857].
Vieruurtje, 1°. verkorting van vieruursbloem (zie beneden).
2°. Lichte maaltijd omstreeks vier uur.
Ik werd gestoord door Adèle, die mij mijn vier-uurtje bracht. Toen ik hier pas kwam, was dat veel overvloediger. Ik neem het nu veel lichter en ook veel verfijnder,   PÉZERIL-OUWENDIJK, Rue Notre Dame 30 [1951].
Viervakkig, in 't bijz. als plantk. term.
Quadrilocularis; Quadrivascularis; Viervakkig; bij voorbeeld, zaaden die in vier vakjes of celletjes gedeelt zijn,   CHOMEL [1773].
Capsule quadrivalve, viervakkig klokhuis,   V. MOOCK 1017 a [1825].
Tusschen vier zware kapstijlen wordt het hooi hoog tot in den nok opgetast, zoodat de lage, vierkante onderbouw door een hoog … dak in den vorm eener pyramide wordt bekroond. Dit viervakkig dak is het stelpdak,   SCHRIJNEN, Volksk. 1, 38 [1915].
Vierveldig.
Het vierveldige wapenschild … in een medaillon, omgeven door een ring,   Jaarb. Gen. Munt- en Penningk. 8, 69 [1921].
Viervers, purisme voor kwatrijn.
Vier-vers op 't Anagramma van I.S.,   V. BORSSELEN, Binckh. 35 [1613].
Viervervig.
(Aende Animonien) vindt ghy … thienderley coleuren: te weten, roode, witte …, vierverwigh enz.,   SURIUS, Ierusalem. Reyse 496  (ed. 1653).
Viervezelig.
De viervezelige monarde (Monarda didyma, Linn.),   Schatk. v.a. St. 1844, 58.
Viervingerig.
(Tamandua) Tetradactyla. Vier-Vingerige of kleine Mieren-Eeter. MierenEeter met vier Vingers aan de Voorpooten, vyf aan de Agterpooten,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 1, 490 [1761].
De viervingerige knaagdieren,   V. DALE 1787 a [1898].
Viervlak (zie ald.).
Viervlakkig (I), vier vlakken hebbend.
  WEIL. [1810].
— In elk tetraëdrum zullen de lijnen die het midden der tegenover elkander staande ribben vereenigen (assen van het viervlakkig ligchaam), elkander in een zelfde punt … snijden,   SCHWERTZEL, Wisk. Stell. 10 [1868].
Viervlakkig (II), zie Viervlekkig beneden.
Viervlammig.
Bewaer u eygen volk, o Heere! Bevry uw eer …, Vier-vlammig Rechter, God der goon,   SLUYTER, Eyb. Sangl. 64 [1670].
Viervlek, verkorting van viervlekvlinder.
  WITSEN GEYSBEEK, Wdb. d. Zamenl. [1856].
Viervlekkig, viervlakkig, vier vlekken hebbend.
(Leptura) Quadrimaculata. Viervlakkig (Bokje). Bokje dat zwart is, en de Dekschilden blaauwagtig bruin heeft, met vier zwarte Vlakken,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 9, 582 [1766].
Hister Quadrimaculatus … De viervlakkige Kortwiekkever. … de dekschilden, korter dan het lijf …, op ieder derzelven twee donkerroode vlekken …; het lijf zwart en glanzende,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. d. Wet. 14, 42 [1825].
De Viervlekkige Zakkever (Clythra quadripunctata) is … glanzig zwart …; ieder dekschild heeft twee zwarte vlekken op glanzig geelrooden grond,   BREHM-HUIZINGA 3, 411 a [1910].
Viervleugelig, inzonderheid gezegd van insecten.
Cynips Glechoma … Hondsdrafs Galwesp … Kenteeken. Viervleugelig; het lijf bruin, het borststuk ruig,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. d. Wet. 14, 378 [1825].
De honigbij of huisbij is … een viervleugelig, … met 6 beenen voorzien insect,   HEKMEIJER, Bijent.² 2 [1857].
De viervleugelige ventilator, die zich boven de gazen tamboer bevindt,   Boek d. Uitv. 2, 1, 195 [1865].
Viervleugelige zaden,   KUIPERS 1374 c [1901].
De merkwaardigste van alle Nachtzwaluwen, de Viervleugelige Vogel der Arabieren (Macrodipteryx longipennis), die een afzonderlijk geslacht vertegenwoordigt,   BREHM-HUIZINGA 2, 287 b [1910].
Voor drie- en viervleugelige deuren in grote transformatorcellen is de deur met geperste kokerprofielen de beste constructie,   Bouwk. Encyclop. 1, 333 b [1954].
Die zesvleugelige serafs en viervleugelige cherubijnen,   V. D. MEER, Catechismus 65 [1955].
Viervoet, viervoeter, viervoetig (zie die woorden).
Viervorkig.
Gevorkt (furcatus; bifurcatus), eene steng b.v. aan den top in twee tegenovergestelde takken verdeeld; een gevorkt haar enz. Men spreekt ook van een drievorkig, viervorkig deel (trifurcatus, quadrifurcatus),   V. HALL, Beg. d. Plantk. 104 [1836].
Viervorst (zie ald.).
Viervoud (en afl.) (zie ald.).
Vierwaardig, (scheik.) de valentie 4 hebbend.
Brühl neem t … aan, dat een atoom zuurstof (O) tweewaardig en vierwaardig kan zijn,   Alb. d. Nat. 1896, 1, 121 [1896].
De verbinding CH methaan leert, dat koolstof vierwaardig of tetravalent is,   HOLLEMAN, Chemie 1, 76 [1942].
(Er) zijn ook alkylharsen op basis van het vierwaardige pentaerythritol ontwikkeld,   Bouwk. Encyclop. 1, 130 b [1954].
Vierweeksch.
Vierweeks, vier weken durende; vier weken oud,   V. DALE [1950].
— De vierweeksche najaarscursus diende de bewustmaking van de jonge plattelanders,   DE VRIES REILINGH, Volkshoogeschool 332 [1945].
Vierweg, viersprong. Veroud. en zndl.
Quadriuium, eenen vier wech, daer haer vier wegen scheyden,   DASYP. [1546].
  KIL. [1599].
  HEREMANS [1869].
Hierbij vierweegsch, ook gebruikt voor viersprong of straathoek.
Specifique declaratie van de vierweegsche van den grooten keer alwaer by sententie crimineel worden ghecondempneert ghegeesselt te worden de quaetdoenders met den bast aen den hals, binnen de stadt van Ghendt,   bij CANNAERT, Bijdr. 46 [1695].
24 December 1567, toen het Spaansch garnizoen hier was gekomen kort na den beeldenstorm, deed de Maëstro del Campo aan alle vierweegschen uitroepen, dat enz.,   V. WERVEKE, Bijdr. Gesch. en Oudheidk. v. Vla. 29 [1927].
Vierwekelijksch, om de vier weken geschiedend, verschijnend enz.
  CALISCH [1864].
— Wij (hebben) de wekelijksche ”Wheat and Flour” verschepingen van Argentinië naar Europa uit het ”Daily Freight Register” van Georg Dornbusch tot vierwekelijksche samengevoegd,   TEN DOESSCHATE, Vrachtprijsvorming 113 [1930].
Ons rantsoen is en blijft voorloopig 16 bladzijden per vierwekelijksche aflevering,   Waterkampioen n° 814, 2 a [1947].
Vierwekig, 1°. vierwekelijksch. Veroud.
Menses … Die vierwekige siecte der vrouwen,   SERVILIUS, Dict. Trigl. GG 2 v° [1552].
Vier wekighesieckte. j. maendstonden,   KIL. [1588].
2°. Vier weken durend.
Na een vierwekig verblijf te B. keerde hij gezond naar huis,   BOMHOFF 1061 b [1857].
Vierwield, vierwielig. Veroud. (nog bij DE BO [1873])).
Een vierwielde Hollandse kar uyt Souratta voor d'E. heer ambassadeur meedegevoerd,   KETELAAR, Journ. 135 [1711].
Een Fransche koets … Een Inlandsche vier-wielde dito,   VALENTIJN, O.-I. IV, 2, 282 a [1710].
Vierwieler, rijwiel of ander voertuig op vier wielen.
Vierwieler, Quadricycle,   GALLAS [1936].
— ”Dat is waar ook, ik zou haast vergeten, dat ik mijn trouwe vierwieler nog moet ophalen.” Hij begaf zich naar de goederenwagon, waar juist zijn auto'tje werd uitgeladen,   L. Dagbl. 11 Mei 1957.
Vierwielig, vier wielen of raderen hebbend; bepaaldelijk van voertuigen gezegd.
  BOMHOFF [1857].
— Voor uitgebreide bergwerken is een voordeelig transport eene levensvraag … De grootste hoeveelheden worden vervoerd met vierwielige wagens, welke, gelijk de Duitsche en Hongaarsche, bijzondere onderstellen behoeven, uit loopplanken en spoorrigchels bestaande,   Boek d. Uitv. 2, 2, 36 [1865].
Een noodzakelijk onderdeel van den vierwieligen wagen is het Draaistel,   V.D. KLOES, Wagenm. 209 [1907].
Deze Seiher pers, bestemd voor het persen van olijven, bestaat uit een losse bodemplaat, die met een vierwielig raam gereden kan worden boven den hydraulischen plunjer,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 2¹, 373 [1926].
Grondschraper … Het apparaat bestaat uit een bak, van boven geopend en van voren afgesloten door een schuif, die opgetrokken kan worden … Door het speciale vierwielige frame waarin de bak is opgehangen, kan de onderzijde van de bak in hoogte versteld worden, waardoor deze in de lage stand een schraapwerking op de grond uitoefent,   Bouwk. Encyclop. 1, 515 a [1954].
Vierwijvig, veroud. plantk. term, als vert. van Tetragynis in het stelsel van Linnaeus.
  HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 1, 246 [1773].
De ordens der 13 eerste afdeelingen ontleenen hun naam van het getal der stampers, als … Tetragynia, vierwijvige, of met vier stampertjes,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, XIV [1815].
  CALISCH [1864].
Vierwoonst, woning voor vier gezinnen. Gewest. in Z.-Nederl.
Om tyd en plaatse te winnen, moet ik uitscheên met een bezoek in de vierwoonste, en eerst van al enz.,   GEZELLE (ed. BAUR) 4, 328 [1865].
  TEIRL. [1922].
De gebouwen van het begijnhof zijn geslecht geworden ter uitzondering van een vierwoonst en van de kapel,   Brab. Folkl. 3, 106 [1924].
Vierzaad, mnl. viersaet. Nog in de 17de e. bekend (zie V. GENT, Econ. Onderz. Ndl. Suikerindustrie 51 [1955], zonder bewijspl.).
Vierzadig.
Ixora. Bosch-Vlam … de Vrugt is eene vierzaadige Besie,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 4, 125 [1775].
(Vicia) Peregrina. Vreemde (Vitse). Vitsen met byna ongesteelde hangende gladde vierzaadige Haauwen, de Blaadjes Liniaal uitgerand, II,   10, 207 [1779].
Wegedoorn … De bessen zijn drie- of vierzadig,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 101 [1815].
Vierzadige wikke, Vicia tetrasperma Schreb., is een vrij algemeen in Ned. voorkomend onkruid op bouwland. Soms vierzadige linze genoemd,   Veenman's Agrarische W.P. [1957].
Vierzijde, zekere vlakke figuur; zie de aanh.
Vierzijde, vlakke figuur, gevormd door 4 lijnen en al haar zes snijpunten twee aan twee. De 4 lijnen heeten zijden, de 6 snijpunten heeten hoekpunten. De 6 hoekpunten hebben, behalve de 4 zijden, nog 3 verbindingslijnen, welke ”diagonalen” heeten,   Oosthoek's Encyclop. [1923].
— Planimetrisch duaal tegenover den volledigen vierhoek staat de volledige vierzijde. Deze wordt gevormd door 4 in één vlak gelegen rechten, waarvan er geen 3 concurrent zijn, en de 6 snijpunten van telkens 2 dier rechten,   SCHUH, Leerb. d. N. Meetk. 85 [1938].
Zijn vier rechte lijnen gegeven, dan snijden deze elkander twee aan twee in zes punten; de aldus ontstane figuur heet een volledige vierzijde,   V. OS in Scientia 3, 23 [1939].
Vierzins, mnl. viersins, viervoudig. Na het Mnl. niet meer aangetroffen, maar sedert BOMHOFF weer in de wdb.
Vierzins, in vier zinnen of opzigten,   BOMHOFF [1857].
Vierzitter, auto met vier zitplaatsen.
Deze zuinige Italiaanse vierzitter is een begrip geworden voor groot autogerief,   Uit een advert. [1957].
Vierzuilig.
Vierzuilig, gebouw met 4 zuilen van voren, tétrastyle,   V. MOOCK [1846].
  CALISCH [1864]  (enz.).
B) Meerledige samenstellingen.
Vierbaanslandingssysteem.
Dat een vliegveld bij voorkeur een drie- en vierbaanslandingssysteem moet hebben is zo langzamerhand verouderd,   bij GERLACH ROYEN, Buigingsversch. 4, 189 [1950].
Vierbaansweg.
Het scheppen van arbeidsplaatsen in dat noorden is veel goedkoper dan in het westen. Wij behoeven geen vierbaanswegen, geen dure tunnels, geen ontsluiting van dure terreinen,   ROELFSEMA in Tijd en Taak 8 Febr. 1958, blz. 4 c.
Vierbalkseg.
De eggen zijn zeer eenvoudig samengesteld; het zijn meestal vierbalkseggen met ijzeren tanden,   Onderz. Landb. 1886, 2, 14 [1890].
  LANDHEER [1955].
Vierbandbok, zekere soort van boktor (Leptura quadrifasciata) (V. DALE [1950])).
Vierbandsmat.
Vier-bands-matten zyn van dikker riet, zeven voet hoog, en ook zeven breed,   DE LA COURT V. D. VOORT, Landh. 242 [1737].
Vierbronnenhypothese, vierbronnentheorie.
De nieuwere oorkonden-hypothese (t.w. betreffende den Pentateuch), welke bepaald vier ”bronnen” onderscheidt, namelijk twee Elohisten, een Jahvist en den Deuteronomist, en daarom ook veelal als de ”vier-bronnen-hypothese” wordt aangeduid,   Chr. Encyclop. 4, 547 a [1928].
Dat de vier-bronnentheorie in den mede door Graf en Kuenen voorbereiden vorm schier algemeen werd aangenomen,   5, 704 b [1929].
Viercellenbad.
  STUMPFF, Ziekenverpl. 584 [1920].
Viercellenbad. Suggestieve electrisering, met elk der handen en voeten in een zoutoplossing, waar een stroom doorheen wordt gevoerd,   V. ESSEN, Wdb. d. Psychol. [1953].
Viercentssigaar.
Een prima Sumatra 4cents sigaar,   bij GERLACH ROYEN, Buigingsversch. 3, 2, 149 [19].
Viercylinderlocomotief.
Daar de viercylinderlocomotief een vereeniging van de tweecylinderlocomotief met binnen- en met buitencylinders is, kunnen de formules van deze locomotieven, met inachtneming van den onderlingen stand der krukken, gebruikt worden,   Spoorwegtechn. 3, 146 [1937].
Viercylindermachine.
  GROENEN, Scheepv. Encyclop. 396 [1939].
Viercylindermotor.
Bij vier-cylinder-motoren staan de krukken steeds twee aan twee in dezelfde richting. De vier explosies komen tijdens twee omwentelingen van de krukas,   BRAND, Automob. 39 [1919].
Viercylinder motoren komen in moderne vliegtuigen slechts zelden voor,   V. D. MUELEN en SPIT, Vliegt. 211 [1919].
Vierdeksschip.
Vierdekschip. — Vaartuig met volle langs- en dwarsverbanden, met vier vaste dekken, of één vast dek en drie rijen ruimbalken,   GROENEN, Scheepv. Encyclop. [1939].
Vierdeurskast.
Het nationale karakter … wordt het duidelijkst vertegenwoordigd in de vierdeurskasten. Het zijn meubelen, die een lage onderkast en daarboven een sterk versmald gedeelte hebben,   SCHUBAD in Hout in alle T. 2, 413 [1949].
Vierdraadskant (Dl. VII, 1350).
Vierdraadskeper.
Gekeperde stof …, waarbij … wederkeerig in ketting en inslag 't binden op den vierden draad plaats heeft, noemt men … vierdraads … of … vierschachts keper,   GROTHE, Mechan. Technol. 348 [1879].
Vierdraadssnoer.
Bij dit toestel (t.w. een centraaltelefoontoestel) wordt een telemicrofoon gebruikt, welke door middel van een vierdraadssnoer en stop daarmede is verbonden,   EMMERIK, Telef. 63 [1919].
Vierdraadstouw.
Men spreekt van drie-, vier- of zesdraads touw, naar het aantal strengen dat het touw bevat,   Bouwk. Encyclop. 2, 503 b [1955].
Vierduimsspijker.
Vierduimsvorm.
Dan komen zij (t.w. goudblaadjes) in den vierduims-vorm en worden zij tot deze grootte uitgeslagen,   Boek d. Uitv. 2, 2, 185 [1865].
Vierduitsbroodje, broodje dat vier duiten of 21/2 ct. kost; kadetje.
  V. DALE [1872].
Vierduitsdoosje, klein doosje, bepaaldelijk in de noordholl. zegsw. hij kan wel in een vierduitsdoosje, gezegd van iemand die erg in de penarie zit (KARSTEN 1, 158); verg. duitsdoosje (Dl. III, 3610).
Vierduit(en)stuk, muntstuk van een halven stuiver. De benaming was vrij algemeen in gebruik, zoo lang deze munten in omloop waren.
”Jan, daar heb je 'em nou. … Die nare man, die altijd in de winkel komt; geef 'em wat.” Jan geeft Daan een vierduitstuk,   STROMAN, Stad 87 [1932].
Lowie van den koperslager, die van vierduitstukken gouden ringen kon maken,   V. EERBEEK, Doeve 70 [1938].
Vierduitsvarken, St.-Nicolaaskoek van vier duiten in den vorm van een varken.
Nu moeten mijne lezers, die misschien laag op de schoone kunst van koekvergulden neerzien, niet denken dat de gezegde kunst zoo heel eenvoudig … is. Ja, een vierduits varken kan een ieder beplakken …! Maar enz.,   BEETS, C.O. 168 [1840].
Vierduitswinkeltje, snoepwinkeltje (KUIPERS [1901])).
Viereikenspinner, andere naam voor de processierups, (WITSEN GEYSBEEK, Wdb. d. Zamenl. [1856])).
Viereilandenplan.
Men (kwam) … tot een vier-eilanden-plan, waarbij Rozenburg, Voorne-Putten, de Hoeksche Waard en IJsselmonde één van de zee afgesloten gebied zouden vormen,   Bericht Deltawerken 1, 6 [1957].
Vierelectrodenlamp.
Vier electroden lamp. — Thermionische buis, een cathode met gloeidraad, twee roosters en een anode bevattend. Soms tetrode genaamd,   GROENEN, Scheepv. Encyclop. 561 [1939].
Viergangsmolen, elk van vier molens die het water in vier gangen opmalen.
De enige in ons land nog in gebruik zijnde z.g. Viergangsmolens,   L. Dagbl. 30 Mei 1958.
Viergekroondendag; verg. Vier Gekroonden hierboven.
Dat men van nu voortaen alle jaer op de vier gecroonden dag eenen nieuwen Deken, met twee nieuwe Bos-meesters kiesen sal,   Handv. v. Amst. 1382 b [1579].
Vier-gekroonden-dag, zijnde de 8ste November,   Oude Tijd 1874, 305.
Viergekroondenkoor.
Vier Gekroonden-, of Metselaars-koor, was een koor, oudtijds aan de oostzijde der Nieuwe kerk te Amsterdam te vinden; thans vormt het den oostelijken uitgang,   WITSEN GEYSBEEK, Wdb. d. Zamenl. [1856].
  Oude Tijd 1874, 305.
Viergodensteen.
Onderaan (t.w. aan een Jupiterzuil) had men een vierkant voetstuk, dat gewoonlijk op elke zijde de voorstelling van een godheid droeg, de zoogenaamde Viergodensteen,   Ned. Mon. V, 1, 43 [1926].
Vierguldenbier.
Het gemeene dagelyksche Luiksch viergulden Bier, van zyn droesem gezuivert zynde, is de beste dagelyksche drank,   V. LIS, Brouwk. 89 [1745].
Vierheemspaard, op de volg. plaats voor: paard van de Vier Heemskinderen.
Fabulen van Esopus, leughenen van tVierhemspeerdt ende dierghelijcke brodderije,   in FREDERICQ, Pamfl. 106 [1581].
Vierheffingenvers of vierheffingsvers.
Dit geheel in vier-heffingen verzen geschreven gedicht,   V. ALEBEEK in Onze Taaltuin 10, 63 [1941].
Vierheuvelplaat.
Een horizontale doorsnede gaande door den vóór-(boven-)rand van de brug en den achter-(beneden-)rand van de vierheuvelplaat isoleert volkomen alles, wat zijn ontstaan dankt aan de na-, en achterste hersenblaas,   V. BRAAM HOUCKG, Ontleedk. 3, 183 [1886].
  W.P. Encyclop. 10, 595 [1951].
Vierjarenplan.
Het vierjarenplan voor de Britse koloniën (1949-1953),   Econ. Voorlichting 29 Jan. 1949.
Vierjaarsscheut, vierjaarsschoot.
Vierjaarschote, -scheute. Een hakbosch wiens hout nog maar vier jaar oud is sedert den houw, eene schote van vier jaar,   DE BO, Kruidwdb. [1888].
Vierkaartentheorie.
Bestudering van de nieuwe 3 vierkaartentheorieën is wel gewenst, daar nog heel veel spelers op dit gebied zondigen,   Bridge 24, 3, 14 c [1956].
Vierkamerflat (Uit een advert. [1957])).
Vierkamerwoning.
De flatwoningen zijn in 6 typen ontworpen … Het zijn voor het merendeel 4-kamer woningen,   Uit een prospectus [1954].
Tegen zeer gereduceerde prijs te koop een vierkamer woning met garage,   Uit een advert. [1958].
Vierkerspelen-zijlvest (Dl. VII, 2446).
Vierkleurendruk, zoowel benaming voor de werkwijze, als voor aldus verkregen afbeeldingen.
  KOENEN [1909].
Vierkleurendruk een foute betiteling van het procédé, waarbij over den driekleurenrasterdruk een vierde plaat in grijs wordt gedrukt,   V. HUFFEL, Graph. Werkw. [1926].
Om valsche effecten (van den driekleurendruk) enz. te neutraliseeren en het geheel af te stemmen, drukt men er soms nog een vierde kleur, nl. zwart, over heen en heet deze bewerking dan vierkleurendruk,   WINKLER, Handwdb. Graf. V. 67 [1933].
Hierbij als verdere samenst. vierkleurenboekdruk e.d.
Afhankelijk van het drukprocédé spreekt men van een vierkleurenboekdruk, -steendruk, -offset, -diepdruk of -lichtdruk,   Kath. Encyclop. 24, 13 [1955].
— Vierkleurenrasterdruk,   V. HUFFEL, Graph. Werkw. 71 [1926].
Vierkleurenpotlood.
Vierkleuren potloden Super Norma … Zwart, rood, blauw en groen schrift. De kleuren verspringen automatisch door verschuiving van de nokjes,   Uit een prijscour. [1957].
Vierkleurentheorie (Dl. XVI, 1807).
Vierklossenkoord.
  Penélopé 1, Handw. 164 [1821].
Vierkwartsmaat, maatverdeeling in de muziek waarbij elke maat vier kwarten bevat.
Vierkwarts-maat wordt aangeduid door het teeken C of 4/4,   VIOTTA, Lex. [1885].
Een serie gewrichtsoefeningen werd op commando uitgevoerd in de vierkwartsmaat met 3 tusschentellen,   Marineblad 21, 233 [1907].
In onzen archipel heeft de gamelan een strenge vierkwartsmaat,   LIEVEGOED, Maat-Rhythme-Melodie 61 [1939].
Het korps speelde nu een mars … Een vader nam zijn zoon op de knie om hem de vierkwartsmaat te leren,   DE BREE, Vechten t.d. Bierkaai 139 [1956].
Vierladenkast (Uit een prijscour. [1957])).
Vierlampsontvanger.
  V. GELDEREN-V. BECKUM [1940].
Vierlandenpunt, voormalig grenspunt van Nederland, Duitschland, België en Moresnet.
  Oosthoek's Encyclop. 8, 319 b [1922].
Vierleidernet.
  BOLDINGH, Electr. Verl. 12 [1919].
Bij een vierleider-net (drie fazen en nul) moet de nul ook afgeschakeld kunnen worden, als niet verzekerd is dat de nul steeds spanningvrij is,   Bouwk. Encyclop. 1, 549 a [1954].
Vierletternaam, vert. van tetragrammatum.
Sy (achten) henseluen nu den Goden aldernaest te zijne, wanneer sy religioselick ghegroet worden, Magistri Nostri: onder welcken naem sy meynen dat yet sulcx verborghen is, ghelijck by de Joden den Vierletter naem is,   ERASMUS, Sotheyt 89 a [vert. 1560].
Vierloodlaken; verg. vierlood hierboven.
De in Loango en omgeving gangbare ruilmiddelen waren in de eerste plaats het reeds meermalen vermelde vierloodlaken, bij voorkeur zwart, blauw en rood,   RATELBAND vóór V. D. BROECKE, Reizen W.-Afrika XCV [1950].
Vierloodsaai.
Het exsamineeren van de naturelle ermijne, 5- en 4-loot-sayen,   in R.G.P. 39, 189 [1700].
Viermansschool.
Eén-, twee-, drie- en viermansscholen,   bij GERLACH ROYEN, Buigingsversch. 4, 193 [19].
Viermastbark.
Engeland heeft nog een poging gedaan om weer zeilschepen in de vaart te brengen (de prijs was gedaald tot ongeveer 800 pond sterling voor een eerste klas viermast-bark),   LECLERCQ, Wind i.d. Z. 25 [1933].
Viermastbark. In afwijking met het … viermastvolschip is bij dit schip de jager — (vierde) — mast alleen langsscheeps getuigd; de fokke-, groote- en kruismast zijn volledig vierkant getuigd,   MANHOUDT, Zeilsch. 63 [1946].
De ”Telemachus”, een juweel van een schip, een 4 mastbark,   BREIJER, Veilig varen 128 [1946].
Viermastschip.
  GROENEN, Scheepv. Encyclop. [1939].
In navolging van de Engelschen noemde men den vierden mast, op viermastschepen, meestal jager-mast (jigger-mast),   MANHOUDT, Zeilsch. 61 [1946].
Viermasttent.
Storm ranselt viermasttent … aan flarden,   Vr. Volk 26 Sept. 1958.
Viermastvolschip, ”een schip met boegspriet en vier vierkant getuigde masten” (MANHOUDT, Zeilsch. 63 [1946])).
Viermijtnagel.
De viermijtnagelen ghelden nu het pondt 81/2 gr.,   bij LIEV.-COOPM. 1607 b [1663].
Viermogendhedenconferentie.
Een vier-mogendhedenconferentie zou beslissen over de ”buiten-bezittingen” van Japan,   bij GERLACH ROYEN, Buigingsversch. 4, 175 [1950].
  W.P. Encyclop. 19, 55 b [1955].
Viermogendhedenverdrag.
Een Viermogendheden-verdrag tusschen Amerika, Engeland, Japan en Frankrijk, dat het eilandenbezit dier landen in den Stillen Oceaan moest waarborgen,   LUCARDIE, Stille Zuidzee 140 [1923].
Een ogenblik scheen het, of het door Mussolini voorgestelde en op 15 Juli 1933 te Rome door Duitsland, Engeland, Frankrijk en Italië getekende ”viermogendheden”-verdrag het Europees concert zou doen herleven,   LEDEBOER in W.P. Encyclop. 8, 372 b [1950].
Viermoleninstallatie.
In de eene (suiker)fabriek heeft men een drie-, een andere een vierof vijf-moleninstallatie, waarmede telkens betere persingscijfers kunnen worden verkregen,   POLL in Zóó leven wij in Indië 158 [1942].
Viernegentjeslood, lood met een zuiverheid van 99,99% (Bouw 23, 1584 [1968]).
Vierpaardsbedrijf, vierpaardsplaats.
Er (waren) in de vorige eeuw nog een aantal vierpaardsbedrijven overgebleven. Deze hadden omstreeks 45 mudden bouwland in den esch en het overige land naar evenredigheid,   EDELMAN, Tiesing 284 [1943].
— De plaatsen van 8-12 ha, de z.g.n. vierpaardsplaatsen,   a. w., 283.
Vierpaardenspel.
Met ”Vierpaardenspel” wordt steeds het Spaans Vierpaardenstel bedoeld,   EUWE, Handl. Schaaksp. 252 [1945].
Vierpaardenwagen.
Ik zie hier de Vierderleye vierpaardewagens, die al eenderley cirkel maken,   OUDAAN, Roomsche Mog. 382 [1664].
Vierpaneelsdeur, vierpaneelskist.
Sacristiekast, de twee vierpaneelsdeuren met spiegelklampen, en sierlijk uitgesmedevouwhe ngsels,   Ned. Mon. V, 2, 75 [1937].
— Een vierpaneels kist, met ruw gesneden loopend rankenornament,   a. w. V, 2, 30 [1937].
Vierpasboog, vierpasmotief, vierpasrozet, vierpasvenster.
Vierpasboog, gelijk aan driepasboog, echter met vier halfcirkel-boogvullingen,   ZWIERS 1, 153 a [1917].
— Het vierpasmotief rondom het voetstuk,   TIMMERS, Houten Beelden 71 [1949].
— Kruisbeelden: 1, aan oud kruis met vierpasrozetten beschilderd met de Evangelistensymbolen … 2, enz.,   Ned. Mon. V, 2, 179 [1937].
— Een steenen dakkapel met vierpasvenster,   a. w. V, 1, 299 [1935].
Vierpercentspandbrief (Dl. XII, 1192).
Vierpersoonsauto.
In onrust … over een vierpersoons auto, die hij aan een onbekende verhuurd had,   bij GERLACH ROYEN, Buigingsversch. 4, 196 [1950].
Vierpersoonshut.
Stel dat je belandde in een vierpersoons-hut (terwijl) er één-persoons-hutten waren,   bij GERLACH ROYEN, Buigingsversch. 4, 195 [1942].
Vierpitsolie(toe)stel of vierpitspetrolie(toe)stel.
De lekkerleutige zon, die … z'n lauwe bloed opwarmde als 'n kliekie op 'n vierpitsoliestelletje,   SMEDING, Stil St. 1, 20 [1920].
Wij (hurken) rond een vierpitspetroleumstel tezamen om ons een beetje … te warmen,   VOGT, Radiolev. 168 [1933].
Vierploegenstelsel (Dl. VII, 2698).
Vierpondsbrood.
Vierpondskaars.
Toen ik het geld in de beurs gezien had vroeg ik een broeder die daar bezig was mij een vierponds kaars te geven,   V. SCHENDEL, Angelino² 30 [1923].
Vierpondskogel.
  Boek d. Uitv. 5, 237 [1868].
Vierpondslood (Dl. VIII, 2726).
Vierpondstin.
Vier-ponds tin uit 3 deelen tin en 1 deel lood,   KUYPER, Technol. 1, 41 [1861].
Vierpuntsvergelijking.
Vierpuntsvergelijking noemt men de door Wenner gegeven vergelijking voor het verband tussen de stroomsterkte tussen twee punten in een homogene isotrope stof met een specifieke weerstand ρ en het potentiaalverschil tussen twee andere punten in die stof,   Techn. W.P. Encyclop. [1953].
Vierriemsboot.
Men (kan), in een vierriemsboot, de beide slagen en vervolgens de boegen, alleen laten roeien,   BIJL in Handb. d. Sp. 4, 70 [1924].
Vierriemsgiek.
Er werd besloten … in vierriemsgieken te roeien,   Eigen Haard 1885, 310 a.
In de laatste jaren is men hier te lande overnaadsche vierriemsgieken gaan gebruiken op de wedstrijden, die al heel weinig meer onderdoen voor de gladde,   BIJL in Handb. d. Sp. 4, 93 [1924].
Vierriemsploeg; zie Dl. XII, 2700, en een ouder voorb. Eigen Haard 1885, 312 a.
Vierrittenkaart.
Waarom … geen verkoop van de gewone vierrittenkaarten mogelijk gemaakt aan de kiosken?   Alg. Handelsbl. 24 Nov. 1955.
Vierroverazijn; verg. Suppl. I, 2287.
Vierroover-azijn … is een zeer beroemd bederfwerend middel, dat als voorbehoedsel tegen aanstekende ziekten wordt aanbevolen,   WITSEN GEYSBEEK, Wdb. d. Zamenl. [1856].
Vierschachtskeper.
Gekeperde stof, … waarbij … wederkeerig in ketting en inslag 't binden op den vierden draad plaats heeft, noemt men … ook vierschachts keper,   GROTHE, Mechan. Technol. 348 [1879].
Vierschijfsblok.
  GROENEN, Scheepv. Encyclop. 337 [1939].
Vierslagmotor, viertactmotor.
Vierslagmotor. Een ontploffingsmotor (gasmotor, benzinemotor), waarbij de zuiger tweemaal op en neer gaat na één ontploffing,   METZ [1937].
Een vierslagmotor heeft het nadeel, dat niet bij elke omwenteling van de krukas een arbeidsslag optreedt,   WINKLER PRINS, Encyclop. 15, 849 a [1938].
Vierslagsslot.
Er zijn ook Drie- en Vierslagssloten doch de laatste komen steeds minder voor,   V.D. KLOES, Smid 345 [1908].
Vierslagtouw.
  GROENEN, Scheepv. Encyclop. 987 [1939].
Vierstang(en)bok.
Vierstangenbok: reebok met abnormalen koptooi in den vorm van vier stangen,   HERMANS, Jagerswdb. [1947].
Vierstreek(s)peiling.
Een bijzonder geval van peiling met doorzeiling is de z.g. vierstreekspeiling. Hierbij is de hoek tussen de eerste peiling en de koerslijn 45° (4 streken), die tussen de tweede peiling en de koerslijn 90° (peiling dus 4 streken veranderd),   V. ROON en HAVERKAMP, Zeevaartk. 106 [1940].
De gemakkelijkste, echter niet de nauwkeurigste (peiling is) de vierstreekpeiling,   TEMME, Tros aan de Wal 128 [1949].
Vierstrengsoogsplits (Dl. XIV, 2890).
Vierstrengstouw; zie Dl. XV, 2190, en nog de volg. voorb.
Vierstrengtouw. Cordage à quatre tourons,   TWENT, Zeem. Wdb. [1813].
  Boek d. Uitv. 4, 261 [1867].
Hoewel vierstrengstouw de reputatie heeft leniger te zijn dan driestrengstouw, geraakt het tegenwoordig hoe langer hoe meer in onbruik,   V. KAMPEN, Zeilsp. 104 [1947].
Vierstuiverspenning; zie Dl. XII, 1108, en nog het volg. voorb.
De Deensche-, Embder-, Groninger- en andere vierstuivers penningen … hebben alle aan de eene zyde een Kruis,   Gr. Placaetb. 7, 1116 a [1750].
Vierstuiver(s)stuk (Dl. XVI, 324).
Viertactmotor, verbrandingsmotor waarbij de zuiger tweemaal op en neer gaat na iedere ontploffing.
Alle andere, meer bekende vliegmotoren zijn viertactmotoren,   Avia 7, 46 a [1917].
Terwijl de vier-takt-motor in vier takten of zuigerslagen één explosie maakt, maakt de twee-takt-motor één explosie in twee takten,   BRAND, Automob. 19 [1919].
De bij de nieuwe locomotoren toegepaste dieselmotor is een viercylinder viertactmotor, die bij 1000 omw./min. een normaal vermogen van 72 epk. ontwikkelt,   Spoorwegtechn. 3, 273 [1937].
Viertaksrijn, molenijzer met vier armen (BICKER CAARTEN, Molen 163 [1958]).
Viertandsmestvork.
Twee Engelsche viertands mestvorken,   Boeren-Goudmijn 9, 236 [1863].
Vierteekenzilver.
Zullende het … Ducatons, Haegs of Vier-teken Zilver, tot agt-en-vyftig Stuivers de Once … worden aengenomen,   Ned. Jaerb. 1747, 678 [1747].
Viertonenmotief.
Primaire, uit de kiemcellen afgeleide, vier-tonen-motieven,   PIJPER in Mensch en Melodie 1, 226 [1946].
Viertrapsraket.
Om een raket van 10 kg naar de maan te schieten, is … voor een viertrapsraket een startmassa nodig van honderdduizend kg,   Gr. Amst. 16 Aug. 1958.
Viertrapsschakelaar.
Bij een viertrapsschakelaar (stand 3, 2, 1, 0) gloeit over het algemeen bij stand 2 de dikke spiraal,   SARELS V. RIJN, Koken 60 [1951].
De regeling van de warmtetoevoer (t.w. bij den electrischen oven) geschiedt meestal op dezelfde wijze als bij de kookplaten (met vierof vijftrapsschakelaars)   Bouwk. Encyclop. 621 b [1954].
Vieruursbloem of vierurenbloem, 1°. benaming voor zekere tropische bloem; zie de aanh.
Men heeft'er (t.w. in Batavia) ook bloemen van allerlei slag, als de Boenga Raja …, de Kaukì-bloem, de vier-uuren-bloem enz.,   VALENTIJN, O.-I. IV, 1, 255 b [1726].
Mirabilis Jalapa L. Fam. Nyctaginaceae. Vieruursbloem … Een kruidachtige plant uit Mexico afkomstig, met … trompetvormige, roode, witte of gele, zeer welriekende bloemen met lange buis. Zooals de inlandsche namen aanduiden gaan de bloemen om vier uur in den namiddag open,   Encyclop. v. Ned. W.-I. [1917].
Mirabilis Jalapa L., uit Mexico, in Indonesië … Kembang poekoel ampat (vieruursbloem) geheten, omdat de paarse of gele, ook wel witte, welriekende … bloemen tegen de avond opengaan,   WINKLER PRINS, Encyclop. 14, 632 b [1952].
2°. Plaatselijk in Z.-Nederl. een benaming voor de Venusspiegel (Specularia Speculum D.C. fils).
Vier-Uren-Bloem. — Te Huldenberg. — Id. als Lieve-Vrouw-Bloemekens-van-Perck,   PAQUE, Vl. Volksn. [1896].
  VANDENBUSSCHE, Volkst. Kruiden 536 [1955].
Vierurenboterham, vierureneten, broodmaaltijd omstreeks vier uur in den namiddag. In Z.-Nederl. (SCHUERM. [1865-1870]; JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL., Aanh.; TEIRL.).
Vieruursglas, als oude tijdsaanduiding op schepen (Aant. v. J. MODERA [c. 1860].
Vierurenstik, hetz. als vierurenboterham.
In dan, in lammertjespapkind, je leve zooa niet! … Rooakflaais op zin vier ure stik,   Ov. Alm. 11, 71 (Noordw. a. Z. [1846])). Arch. Ned. Taalk. 2, 194 (Axel [1849])).
Vierurentijd of vieruurtjestijd, tijd van of voor de vierurenboterham.
  TEIRL. [1922].
Om ongeveer één uur is het eterstijd … Vroeger volgde hierop drieuurtjestijd of vieruurtjestijd. De boeren dronken dan, voor ze te melken gingen, een kop thee of koffie en aten een boterham,   DAAN, Wier. Land 39 [1950].
Viervelskaart (Dl. VII, 717).
Vierversnellingsbak.
De vier-versnellingsbak van de 500 is niet gesynchroniseerd,   Het Vrije Volk 25 Juli 1957, blz. 3 f.
Vierversnellingsnaaf.
Drie- of zelfs vierversnellingsnaven (aan rijwielen), al dan niet gecombineerd met trommelremmen, hebben het in Nederland tot grote populariteit gebracht,   Kampioen 69, 360 b [1954].
Viervierdemaat.
De C zonder dwars-streep 'er door, geeft te kennen een vier vierde Maat; en die met een dwars-streep 'er door, doorgesneden geheten, is ook wel een vier vierde Maat, maar moet net eens zoo gaauw gespeeld worden,   VERSCH. REIJNV., Catech. d. Muz. 11 [1787].
Stelt het stuk is gemaakt uit een viervierde maat, zoo zyn 'er vier Tempo's in ydere maat,   101.
Viervlagsein.
  GROENEN, Scheepv. Encyclop. 135 [1939].
Viervlakshoek.
  V. DALE [1950].
Viervlakshoek is een veelvlakshoek met 4 zijden,   Kath. Encyclop. [1955].
Viervlakvlinder of viervlekvlinder.
De Vier-VlakVlinder. Vier Vlak noeme ik dezen Vlinder uit hoofde van deszelfs vier aanmerkelyk sterke Vlakken, welke alle de Wyfjes Vlinders van deze Soort, op de bovenste zyde hunner twee boven Vlerken hebben, zynde op ieder boven Vlerk, twee Lazuur of Staal blaauwe Vlakken,   SEPP, Ned. Ins. 3, 21 [1807].
Phalaena Quadra … De Vierkantvlek. De Viervlekvlinder,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 14, 333 [1825].
Dat ik in Nederland nog nooit een viervlakvlinder (Oeonistis quadra) heb waargenomen,   TOLMAN, Vlinders 2, 72 [1941].
Vierwagenstel.
Het vierwagenstel dat de postwagen trok,   Het Vrije Volk 9 Aug. 1957.
Vierwagentrein.
  Spoorwegtechn. 3, 580 [1937].
Een electrische vier-wagentrein der N.S.,   W.P. Encyclop. 16, 879 a [1953].
Vierwegdoos.
Waar de pijp (van een electrische buisleiding) zich vertakt plaatst men zgn. dozen. Naar het aantal pijpaansluitingen worden deze drieweg-, vierweg-, enz. dozen genoemd,   W.P. Encyclop. 8, 59 a [1950].
Vierwegkraan (Dl. VIII, 34).
Vierwegscheede, kruispunt, viersprong. Sinds lang veroud. en alleen in zndl. bronnen aangetroffen.
Vierweeghscheede: Vn quarrefour,   LAMBRECHT, Naemb. [1562].
— Voor tslaen van der belle int cas van vooghdie, midsgaders voor dlesen van dier, ten voornomden vier ghecostumeerden vierweechscheeden XVJ gr.,   Cost. v. Gent 2, 219 [1541].
Men slouch 'smorghens die trommelen vande vier regimenten te Ghendt, vermanende up alle vierweechscheeden ende wijcken, naer costume, die knechten te vergharen ter ghenoumder hueren, onder haer capiteijnen,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 2, 200 [1567].
Ghy (een veroordeelde) … zyt … ghebonden an eenen staeck op eenen waghen ende alsoo ghegeesselt ende ghevoert van vierweegscheeden te vierweegscheeden, den grooten keer,   bij CANNAERT, Bijdr. 45 [1639].
Vierwegsstekker.
  V. GELDEREN-V. BECKUM [1940].
Vierwielaandrijving.
  V. GELDEREN-V. BECKUM [1940].
— Fordtrucks met vierwielaandrijving,   Uit een advert. [1957].
Vierwielbesturing.
  V. GELDEREN-V. BECKUM [1940].
— Bij de fuseepen- en bij de schamelstelbesturing, treft men zowel tweewiel- als vierwielbesturing aan,   Bouwk. Encyclop. 2, 469 a [1955].
Vierwielkar.
Tot wij eindelijk stapten, bij neigende en kriepende veeren, in de hooge vierwiel-karre,   V. D. WOESTIJNE, Janus² 249 [1908].
  TEIRL. [1922].
Vierwielrem.
Bij vierwielremmen worden … de voor- of achterwielremmen met voetpedaal of handel verbonden,   BRAND, Automobiel 289 [1936].
Vierwoutstouw, vierstrengstouw. In het Zaansch.
Je moete vierwouts touw nemen; tweewouts is niet stark genoeg,   BOEKENOOGEN 1233 [1897].
Vierzaadwikke, ndl. naam voor Vicia tetrasperma Mnch.
  Ned. Plantennamen 61 [1906].
Vierzitsbank, bank met vier zitplaatsen (uit een advertentieblad [1968]).
Opm. Wanneer de samenst. te lang dreigt te worden, maakt de verb. telw. + znw. + -s zich los van de rest, althans in het schriftbeeld. Ook kan een bnw. ingevoegd worden, zooals in ”viertands stalen greep”. Daarnaast komen al vroeg verb. zonder s voor, b.v. ”drie- en vier-riem rei-schepen” (WITSEN, Scheepsb., App. 5 b [1671]). Een enkele maal wordt het losgemaakte eerste gedeelte verbogen (zie hierna de aanh. bij vierstuivers). Zie over deze kwestie uitvoerig GERL. ROYEN, Buigingsversch. 4, 67. Hierna volgen eenige voorb.
— Vierdeurs archiefkast,   BERENDSEN, Meubel 5 [1941].
— Een Zweedsche ingenieur heeft een vierlamps radio-ontvangtoestel vervaardigd, dat enz.,   4, 193 [1941].
— De vuurstralen van vierloops afweergeschut,   V. D. WOUDE, Arnhem 37 [1945].
— Een vier-persoons sportvliegtuig (is) neergestort,   bij GERLACH ROYEN, Buigingsversch. 4, 196 [1946].
— Onze hooibargen verschillen … in grootte en gedaante, zij zijn vier, vijf of zeskant, en worden vier, vijf of zesroeden hooibarg genoemt, naar het getal der roeden, waaruit de hooibarg bestaat,   BERKHEY, N.H. 9, 219 [1811].
(Op zekere plaat) is een vierroede kaag- of kaakbarg, met een houten stal er onder, afgebeeld,   9, 223.
— Laet mij met een brieffken weeten, off U.E. Spaense matte off vier stuyverse sout willen ontfangen,   in Econ.-Hist. Jaarb. 11, 107 [1645].
— De korte beschrijving van 26 (landbouw)werktuigen, zoo als: … vier- en vijftandsstalen greep; — stalen hooi- en korenvorken enz.,   Boeren-Goudmijn, Versl. 120 [1858].
— Vier-tons vrachtauto's,   bij GERLACH ROYEN, Buigingsversch. 4, 198 [1946].
— Lasdozen kunnen … een verschillend aantal spruiten bezitten. Naar het aantal spruiten spreekt men bijv. van drieweg-, vierwegen zesweglasdozen,   Bouwk. Encyclop. 2, 97 b [1955].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1958.