Koppelingen:
Vorig artikel: VINKELHOUT I Volgend artikel: VINKEN I

VINKELHOUTII

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: vinkelhout

VUNKELHOUT —, znw. onz., geen mv. Uit den stam van *vinkelen, freq. van vinken (II), en hout, of secundair gevormd naast vinkhout (II), vinkhout.
Gewest. in Z.-Nederl. voor: hout waarvan men tondel maakt.
Vinkelhout. Hout om de kachel aan te maken. In Limb. vonkelhout (vunkelhout),   TUERL. [1886].
Vinkelhout. Kachelhout. Ook Finkelhout,   RUTTEN [1890].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1961.