Koppelingen:
Vorig artikel: VISCHMEEL Volgend artikel: VISCHNERING

VISCHNAMIG

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: visnamig

bnw. Van visch en den perfectumstam van nemen met -ig. Een woord uit de holl. visscherstaal, dat bijna uitsluitend praedicatief gebruikt wordt.
+1.  Eig. Gunstig voor het vangen van visch.
  Aant. v. A. BEETS [1897].
Visnaemg, geschikt om visch te vangen,   OVERDIEP, Wdb. Volkst. Katw. [1949].
2.  Fig. Mooi, knap, flink. Opgegeven voor Vlaardingen.
Men (spreekt) van een buitengoed dat er vischnamig uitziet; van een vischnamig zitten; van een vischnamig (knap) paar menschen. Eene flinke mooije vrouw noemt men vischnamig,   aant. midden 19de e.
Afl. Vischnamigheid.
De hollandsche schilhennep onderscheidt zich door duurzaamheid in het water boven alle andere bekende hennepsoorten, de Italiaansche hennep door zachtheid en vischnamigheid, boven veel andere soorten,   Cat. Tent. Visscherij-voortbr. Bergen in Noorw. 22 [1865].
Zo slijten de dagen, tot de visgronden in zicht komen … De gesprekken vallen nu op de visnamigheid van want en water,   TAEL, Martijntje 154 [1941].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1962.