Koppelingen:
Vorig artikel: VISSCHEN Volgend artikel: VISSCHER II
Etymologie: EWA
GTB Woordenboeken: MNW

VISSCHERI

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: visser

znw. m., mv. -s. Van den stam van visschen met -er (VIII), 1, a), een reeds owgm. formatie met dit suffix (SCHÖNFELD 180). Mnl. viss(ch)er, ves(s)cher; os. fiskari, mnd. visscher, nnd. fischer, fisker, vischer; ofri. fiskere, fri: fisker; oeng. fiscere, neng. fisher; ohd. fiscari, nhd. fischer; on. fiskari, tgov. got. fiskja. Gewest. vormen: visker in het Gron. (TER LAAN); vister op Voorne, Schouwen en Duiveland (V. WEEL; DE VIN 21), welke vorm ook als geslachtsnaam bekend is.
+1.  Eig. Hij die vischt; bepaaldelijk iemand die met daartoe bestemde hulpmiddelen visschen of andere waterdieren uit het water ophaalt en daarvan zijn broodwinning of bedrijf maakt.
2.  In meer beperkten zin. Hij die vischt met een hengel, bepaaldelijk voor genoegen of als sport; hengelaar.
Visscher die met de angelroede vischt. Pescheur d'hamesson,   PLANT. [1573].
— De visscher bezig met zijn bevende angelroede,   VONDEL bij WEIL.
O, kleine, koene visscher Wat heb jij olijk beet, Wat zat jij de ochtenduren, Naar 't drijvertje te turen Dat op het water gleed,   V. ZEGGELEN 4, 149 [1856].
+3.  In oneig. toepassingen van de bet. 1 of 2).
4.  Meton. Visschersschip.
Wij sagen 8 vyssers van Syckssee,   DE RUYTER, Journ. 313 [1660].
De Egmonder Zee-pink of Visscher van wien de pinken in Zeelant weinig zijn verschillende,   WITSEN, Scheepsb. 168 a [1671].
Des nachts zet men het groot zeil by, en houd goede wacht op dat men elkander niet op zy dryve, om in geen gevaar te geraaken van tegens andere Visschers op deeze Bank leggende, te stooten,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 380 [ed. 1727].
Houthaalders, visschers, … en diergelyke vaarthuygen,   N.-I. Plakaatb. 5, 216 [1745].
Ginder zwalpt langs bank en platen, Een visscher om, verzeild, verlaten, Verhavend, rank van kiel, verscheurd van tuig en want,   TOLLENS 3, 145 [1810].
Afl. Visscheren (viskern), in het Gron. voor visschen (TER LAAN).
Visscheres, in het Zuiden visschersse, (veroud.) vrouwelijke visscher.
Visschersse. Celle qui pesche. Piscatrix,   PLANT. [1573].
— Dat is een schone baars! noch een: dit's de allerbeste … Geluk met deze vangst, o schone Visscheressen,   WELLEKENS, Ged. 1, 75 [1723].
Visscherin, vrouwelijke visscher of vrouw van een visscher.
Vischerin. Voyez Vischster,   OLINGER [1822].
Visscherin, Femme du pêcheur,   BOMHOFF [1835].
— Hier koom ick Majeboom Gedreven van de stroom. Om dat jck Visscherinnen Haer sang, voor Meereminnen Naejoegh, mij smeeten dees In 't diep des Zujderzees,   HOOFT, Ged. 1, 192 [1621].
Terwijl dat alkoestrend licht … zijnen gouden glans langs het vroolijk zeegroen, op dunne golfjes voorttintelende, die op de koontjes der Visscherinnetjes … met zulk een' levendigen gloed doet wederkaatsen, dat enz.,   BERKHEY, Eerb. Proefk. 2 [1782].
'k Ben een geboren visscherin, En dat 's maar netjes naar mijn' zin,   Nuttige en verm. Printenkamer 39.
Visscherlijk; eenmaal aangetroffen in litt. taal.
De blyde zang en 't spel der Visserlyke schaar   SCHERMER 231 [c. 1710].
Visscherschap; eenmaal aangetroffen in litt. taal.
De vloot zeilt uit; De Visscherschap zal tot besluit, Vorstinnen! voor uw oogen Haar Zeemanschap betoogen,   BEETS 5, 3, 191 [1900].
Samenst. Als tweede lid in: aartsvisscher, ansjovisvisscher, bendenvisscher, beroepsvisscher, beugvisscher, binnenvisscher, botvisscher, bovenvisscher, broodvisscher, buitenvisscher, drijfnetvisscher, flouwvisscher, garnalenvisscher, gelegenheidsvisscher, haringvisscher, hoekwantvisscher, kabeljauwvisscher, kokkelvisscher, kolvisscher, korvisscher, koraalvisscher, kubvisscher, kuilvisscher, kustvisscher, kwakkuilvisscher, mosselvisscher, mosselzaadvisscher, netvisscher, oestervisscher, palingvisscher, parelvisscher, purpervisscher, rietvisscher, riviervisscher, s(ch)ardijnvisscher, schelpenvisscher, schokkervisscher, schrobnetvisscher, spieringvisscher, sponsvisscher, (sponzenvisscher), sportvisscher, stadsvisscher, steenvisscher, strandvisscher, tarbotvisscher, thuisvisscher, tonijnvisscher, trawlvisscher, vuilvisscher, zalmvisscher, zeevisscher, zegenvisscher, zeilvisscher, zoetwatervisscher.
Voorts met namen van wateren en zeeën als eerste lid, als in: IJsselmeervisscher, Noordzeevisscher, Zuiderzeevisscher.
Als eerste lid in: Visschersaas.
Dat verscheyde persoonen voor den dag van Sinte Jan-Baptiste binnen deser Stadt kroonen visschers-aes ofte Voorvanck, al oft het selve waere nieuwen harinck,   bij GAILLIARD, Keure v. Hazebr. 4, 375 b [c. 1768].
Visschersalmanak.
De uitgave van de Visschers-almanak, welke in het begin van dit jaar voor de eerste maal … is verschenen,   Versl. Ver. Ned. Visscherij 1894, 9.
Visschersambacht.
Dat zy, huere huysvrouwen ende kinderen vrij wezen zullen in het visschersambacht, mits alleene bethalende hem jaerpennyngen, als andere gildebroeders,   in R.G.P. 75, 763 [1565].
Visschersarbeid.
De betrekkelijk weinige nspanning aan den visschersarbeid verbonden in verhouding tot de aanzienlijke verdiensten,   in SLOET V. OLDH., Tijdschr. v. Staath. 7, 377 [1852].
Marius (verrichtte) vissersarbeid in de Hollandse zending en hij mocht constateren, dat zijn werk in talrijke bekeerlingen werd beloond met een vangst waardoor de netten dreigden te scheuren,   Haarl. Bijdr. 62, 265 [1953].
Visscher-arbeider.
Visscher-arbeider. Visscherlieden, zeelieden, bij de zeevisscherij werkzaam,   BLY, Zee-vissch. [1931].
Visschersbaas.
Marretje, de dikke meid, … moest zes mooie (visschen) naar dominee brengen … en toen zei Jaapje dat de juffrouw van de melk er ook wel zes kon krijgen. ”Maar dan houdt je zelf niets over, visschersbaas,” zei oome,   V. LOOY, Jaapje 168 [ed. 1917].
Verscheidene visschersbazen bezitten twee zulke booten,   Encyclop. v. Ned. W.-I. 714 b [1917].
De voorgenomen maatschappij zou machtig genoeg zijn om èn door geld èn door vischtoevoer, de uitsluitende markt te maken en de kleine visschersbazen uit het bedrijf te schakelen,   FILLIAERT, Comp. v. Vischv. 13 [1939].
Visschersbank.
Ongeveer 70 zeemijlen uit de kust, op de z.g. ”visschersbank” gekomen, werpen de visschers … hun lijnen uit,   Encyclop. Ned. W.-I. 715 b [1917].
Visschersbark.
Vissersbark, boot, of schuit. Horia, … Piscatoria navis,   HANNOT-V. HOOGSTRATEN [1704].
  GIRON [1710].
Visschersbedrijf.
  WEIL. 6, 355 [1810].
— Dat het oogenschijnlijk zoo armoedige visschersbedrijf, bij vlijt en oppassendheid van den kant des visschers, zulke aanzienlijke voordeelen voor den ondernemer opleverde,   in SLOET V. OLDH., Tijdschr. v. Staath. 7, 375 [1852].
De vangst van den kabeljaauw, stok- en schelvisch is na de haringvangst het belangrijkste visschersbedrijf,   Boek d. Uitv. 3, 75 [1867].
(De) uitoefening van het visschersbedrijf,   HOOGENDIJK, Grootvissch. 162 [1893].
Het IJslandvaren ging, in algemeenen regel, over van vader tot zoon. Dat is trouwens voor gansch het visschersbedrijf het geval,   FILLIAERT, IJslandv. 28 [1937].
Visschersbende.
De zwatelaars die naar IJsland togen zuiver uit ellende en om weg te zijn en die als verdoolde kraaien terecht kwamen in die breulende visschersbenden,   FILLIAERT, IJslandv. 41 [1937].
Visschersberoep.
  BOMHOFF [1857].
— De onzindelijkheid …, de lange werktijden en de zware lichaamsarbeid zijn belangrijke schaduwzijden, welke het visschersberoep aankleven,   HEIJERMANS, Beroepsz. 467 [1908].
Visschersbestaan.
Zoo raak geteekend zijn deze momenten van het visschersbestaan, dat enz.,   HÖPPENER, Halieutica 1 [1931].
Alle factoren …, die het visschersbestaan maken tot een leven van armoe en ontbering.   114.
Geen binnenstad trekt de menschen weg van het visschersbestaan,   OVERDIEP, Volkst. Katwijk. 16 [1940].
Visschersbeurs, in de aanh. voor: fonds voor steun aan visschers.
De Recognitien, die wy voor de acquisitie onzer voorsz. functien aan deze Stad en de arme Zeemans- en Visschersbeurs, betaald hebben,   N. Ned. Jaarb. 1790, 142 [1790].
Visschersbevolking.
Nog denken wij, wanneer wij ons den rustigen, volhardenden, eerlijken, trouwen Nederlander voor den geest willen roepen, aan de visscherbevolking onzer kleinere steden en dorpen,   Eigen Haard 1875, 86 b.
De statistiek van 1905 bewees dat op een visschersbevolking van 2.336 koppen … er 1.594 geteld werden met grootvader visscher,   FILLIAERT, IJslandv. 28 [1937].
Van oudsher is onze vissersbevolking zeer godsdienstig geweest,   MEIJER, Zeevisch. 80 [1949].
Deze ”besloten steden” hebben nooit een vissersbevolking van betekenis binnen hun muren geherbergd,   YPMA, Z.-Zeeviss. 38 [1962].
Visschersbijgeloof.
Zij … blijven (vervuld) met de gewone visschersvooroordeelen en het visschersbijgeloof,   Volksvlijt 1863, 376 a.
Visschersbloed.
Wij hebben hier voldoende echte flinke visschers. Het echte visschersbloed zit er in,   Versl. Visscherij-Congres Utr. 299 [1899].
Visschersboei.
Dat het in het algemeen wenschelijk ware, dat vanwege de Visscherij-zelve bij het ontdekken van eenige dergelijke hindernis, daarbij een tonnetje of visschersboeitje werd geplaatst tot voorlopige verkenning,   in Versl. Ver. Ned. Visscherij 1889 [1888].
Visschersboekje.
Visschersboekjes … uitgegeven door het collegie voor de zeevisscherijen,   Cat. Tent. Visscherij-voortbr. te Bergen 8 [1865].
Visschersboerenlaars.
Een paar Vissers Boere Laarse en een paar Mans Schoenen,   Handv. v. Amst. 1281 b [1677].
Visschersbond.
Belangrijke vereenigingen zijn: … de Nederlandse Vissersbond (zee- en kustvisserij met kleine schepen), de Hoofdafdeling Zoetwatervisserij van de Nederlandse Heide Mij enz.,   W.P. Encyclop. 18, 164 b [1954].
Voor de Nederlandse Visserbond is 1961 een goed jaar geweest,   Het Vrije Volk 24 April 1962.
Visschersboot.
Cymba, … B. Een Visschersboot, een buysse een pinck,   JUNIUS, Nomencl. 246 b [1567].
— De Keyser … is van sijn Peerdt ghevallen, ende aldaer een wijl tijts ter aerden gheleghen hebbende, is ten laetsten met een visschersbootken in sijn Hof gebraght,   MERULA, Wildern. 2, 36 [1605].
Twee schepen vol gesaghs, … Dier namen 't hackbort draeght den Adelaer het groot, En 't kleyne het Sleutel-kruys, dat lijckt een visschers boot,   HERCKMANS. Zeev. 135 [1634].
Gezeten op de hooge zate des zandhils, ik mijn herte late gevoerd zijn in een visscherboot!   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 238 [1892].
De visschersbooten teeknen scherp en stil Witte driehoeken van Latijnsche zeilen,   SLAUERHOFF 3, 248 [193.].
Visschersbrief, vergunning om te visschen(?).
(Dat, nevens den Ontvanger-generaal en diens Controleur, ook een lid in den Raad van Indië moest teekenen) alle de hooft-, water-, visschers- ende andere briefkens, welcke maendelycx een merckelycke somme gelts opbrengen,   N.-I. Plakaatb. 2, 101 [1645].
Visschersbroek.
In hun dagelyksch Gewaad, wanneer ze ruime Zeildoeksche Visschersbroeken en laarzen draagen,   BERKHEY, N.H. 3, 1022 [1773].
Half op zijn boersch, half op zijn zeemans gekleed, met … een wijden visschersbroek, opgehouden door een zwart lederen gordelriem,   V. LENNEP, Rom. 3, 21 [1840].
Visschersbuis, in de aanh.: buisschip.
Proppens zat nu de IJmond vol Van al die wrakken en die steenen; Geen visschersbuis … kon door de puinen henen,   TOLLENS 10, 20 [1848].
Visschersbuurt.
Toen d'arme Visscherbuurte uit haer moerassen kreet … om 't leet Dat enz.,   ANTONIDES 1, 10 [1671].
De oprechte Visschersbuurt deed my dikwils hunne gulhartigheid gadeslaan,   BERKHEY, N.H. 3, 339 [1773].
Uit de visschersbuurt op een gunstig gedekte plaats in een rivierbocht, of rond een inham, of bij den mond van een riviertak ontwikkelde zich het visschersdorp en de visschersstad,   SCHRIJNEN, Volksk. 2, 246 [1916].
Visscherscentrum.
De visscherscentra rond de Zwarte Zee,   HÖPPENER, Halieutica 44 [1931].
Visscherscollege.
Het geschil over het vischregt met het visscherscollegie van Heerewaarden,   Weekbl. v. h. Regt 6 April 1868, blz. 2 c.
Visscherscompagnie.
Een dergelijke visscherscompagnie wijdt … te Callipolis een relief,   HÖPPENER, Halieutica 124 [1931].
Zijn ontwerp tot stichting eener groote visschers- en koopvaardijcompagnie,   FILLIAERT, Vischv. 10 [1939].
Visscherscultuur.
De inheemse mesolithische jagers- en vissersculturen,   MARINGER in Godsd. d. Mensh. 2, 212 [1952].
Visschersdeun(tje), visscherslied. Veroud.
Wanneer wy, tegens 't duin, het want te droogen hongen, en vrolyk uit de borst een visschersdeuntje zongen,   SCHERMER 233 [c. 1710].
Hier is het, dat … Arions Dolphijnen, al dartelende … omtrent den oever, luistergraag bovenkomen, om de schelle Visschersdeunen af te luisteren,   BERKHEY, Eerb. Proefk. 2 [1782].
Visschersdialect.
Uit sociologisch oogpunt zijn vooral ook de taboe-vormen belangrijk, die in alle vissersdialecten een grote rol vervullen,   MEERTENS in N.Tg. 36, 163 [1942].
De moderne vissersdialekten kennen vormen (vanpoon”) zonder slot-n: verg. Katwijks pao, mv. poan,   HEEROMA in Ts. 61, 48 [1942].
Visschersdorp, dorp welks bewoners hoofdzakelijk van de visscherij leven.
De bereids zoo zeer gedrukte visschersdorpen,   FALCK, Ambtsbr. 46 [1810].
Er is harmonie tusschen dat visschersdorpje aan de stille binnenzee, en het nederige Laren,   POTGIETER 1, 338 [1839].
Amsterdam, in de vroegste eeuwen een gering visschersdorp, begon in 1342 Dordrecht in den handel op zijde te streven,   Boek d. Uitv. 3, 222 [1867].
De IJslandvaarders die zich te Duinkerke gingen inschepen, waren bijna allen afkomstig uit de visschersdorpen: Adinkerke-De Panne, Coxyde, Oostduinkerke, Nieupoort en Lombartzijde,   FILLIAERT, IJslandv. 14 [1937].
Visschersdozijn; zie de aanh.
Een last was twaalf tonnen gezouten kabeljauw … Echter de tel van twaalf tonnen was maar geldig in zee, aan land werd de last dertien tonnen … Komt het spreekwoord: ”Er gaan dertien stuks in een visschersdozijn” misschien van dit gebruik voort?   FILLIAERT, IJslandv. 43 [1937].
Visscher-eigenaar.
”Schipper” (is) een zeer gangbare benaming voor de visser-eigenaar van een vissersschuit,   YPMA, Z.-Zeeviss. 101 [1962].
Visschersfamilie.
Dat twee aalscholvers meer visch eten dan ééne visschersfamilie behoeft te vangen om ervan te kunnen bestaan,   Verslag Visscherij-Congres Utr. 97 [1899].
Tijdens de bloeitijd van de Sconenvisserij zijn … vele vissersfamilies naar de Oostkust getrokken,   Neerl. Volksl. 4, 36 [1954].
Visschersfeest; zie bij -fooi.
Visschersfonds, fonds of kas tot ondersteuning van bejaarde of gebrekkige visschers en hun nagelaten betrekkingen.
Visschers- en Weduwenfondsen zijn er: te Katwijk: 1°. Het zoogenaamde visschersfonds bestaande uit vrijwillige bijdragen, zoowel van visschers als reeders. 2°. enz.,   Versl. Ver. Ned. Visscherij 1887, 40.
Overzicht van den financieelen toestand der verschillende visschersfondsen,   HOOGENDIJK, Grootvissch. 276 [1893].
Visschersfooi.
Op de ”vissersfooien” of vissersfeesten werden geregeld liedjes opgehaald, met betrekking tot het bedrijf,   Neerl. Volksl. 8, 76 [1958].
Visschersfornuis.
Het visschersfornuis, waarop de suikerstroop en het was worden gesmolten,   KOPPEN, Soet-Heem 144 [1942].
Visschersfuik.
Het hylik is een vischers fuik, Gebonden aan een wilgestruik, Of staak, van een verdorden noot, In een bekroosde boeresloot,   SIX V. CHAND. 244 [1657].
De weg ter helle is als een visschersfuik, waar in Men lichtlyk koomt: maar d'onbarmhartige Godin, Die 't noodlot stiert, belet den wedergang naar boven,   SCHERMEI 61 [1711].
Visschersgaren (zie ald.).
Visschersgast, vischer (TAEL, Dial. Schev. [hs. ± 1945])).
Visschersgebruik.
Uit de Vlaamse vissersgebruiken glanst nog altijd de devotie, die naar de heiligen en voornamelijk naar Onze Lieve Vrouw uitgaat,   Neerl. Volksl. 4, 13 [1954].
Of dit varen op deel oud vissersgebruik was, dan wel ingevoerd in een tijd van personeelskrapte,   YPMA, Z.-Zeeviss. 158 [1962].
Visschersgehucht.
Dat Amsteldam …, zij die eene Vorstinne is onder de steden, voor weinige eeuwen niets was dan een visschers gehucht,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 3, 347 [1793].
't Visschersgehucht was eenmaal Hansa-stad,   SLAUERHOFF 3, 158 [193.].
Visschersgemeenschap.
Het dorp Katwijk aan Zee zal … mede door de afgeslotenheid van de visschersgemeenschap, vrij zijn gebleven van inmenging van ”binnen”,   OVERDIEP, Volkst. Katw. 13 [1940].
Wij hebben hier … te doen met een zeer gesloten vissersgemeenschap,   YPMA, Z.-Zeeviss. 118 [1962].
Visschersgemeente.
  TEIRL. [1922].
— Visschers …, bestuurders van visschersgemeenten en anderen, die belang hebben bij het groote droogmakingswerk der Zuiderzee,   Tijdschr. De Visscherij 5, 69 b [1925].
Bij voorkeur worden deze predikanten (voor het kerkschip) gezocht in de vissersgemeenten,   Ons Zeew. 50, 12, 56 b [1961].
Visschersgereedschap.
(Dat) ons visschersgereedschap bij dat van andere landen niet ten achteren schijnt te staan,   Hand. St.-Gener. 1860-'61, Tw. K., 424 b.
Visschersgereedschappen: netten, lijnen, hoeken, harpoenen enz.,   Tijdschr. Nijverh. 1867, 95.
Visschersgeslacht.
C. Varkevisser, die door zijn naam alleen al bewijst van een oud vissersgeslacht af te stammen,   MEERTENS in N.Tg. 36, 160 [1942].
Visschersgezel.
Klaas — de knappe visschersgezel,   CREMER 13, 13 [1856].
Visschersgezin
De armzalige gehuchtjes van IJslandsche visschersgezinnen,   FILLIAERT, IJslandv. 109 [1937].
Visschersgild(e), 1°. gilde van visschers.
De deecken, hoomans ende gemeen gildebroeders ende susteren van 't vischersgilde alhyer in den Hage,   in Versl. Vereen. O. Vad. Recht 5, 399 [1582].
De … Overluyden vant Waterscheeps- ofte Visschersgilt tot Amsterdam,   bij YPMA, Z.-Zeeviss. 44 [1631].
De overluyden van Het visscher gilde, deen den Fransman in den ban,   HERCKMANS, Zeev. 143 [1634].
2°. De stand der visscher; de visschers. In litt. taal.
Bij de Mergellina-zoomen Roept het (”'t Luwtjen”) tot het visschersgild: ”Mannen, nu ter jagt gekomen Op het zilverschubbig wild!”   BOGAERS 2, 77 [1859].
Visschersgoed.
De onkosten van koopmanschap bij 't aanschaffen van nieuw visschersgoed (zeeuitrusting, enz.),   FILLIAERT, IJslandv. 43 [1937].
Visschersgreep, op de volg. plaats voor: steekvork als vischtuig.
Beneden in den kerck-muer naer den Zuyden, sietmen in eenen grooten vierkantighen steen gehouwen een visschersgrepe met seven ghehaeckte tanden, ende twee vischkens … Sommighe willen seggen dat het S. Peeters wapen is,   SURIUS, Pelgrim 329 (ed. 1653).
Visschershandwerk; sinds WEIL. (6, 355 [1810])) in enkele wdb.
Visschersharpoen (Dl. V, 2260).
Visschershart (FILLIAERT, IJslandv. 97 [1937])).
Visschershaven, haven voor visschersvaartuigen, ten dienste der visschersvloot.
(De haven in Marken) kan, sedert hare verbreiding, in 1860, tot de beste en doeltreffendste visschershavens van Nederland gebragt worden,   CORONEL, Markersche Volksl. 7 [1862].
Dat van regeeringswege zoude worden overgegaan tot den aanleg van eene visschershaven aan de Oostkaap te Oosterend op Texel,   in Versl. Ver. Ned. Visscherij 1892, 11 [1891].
Dat het wenschelijk is, den tak van Staatsdienst, omvattende de Visschershaven te IJmuiden, aan te wijzen als Staatsbedrijf,   Wet v. 22 Juni 1914  (Stbl. 266).
Dat wanneer Katwijk … een eigen visschershaven bezat, hun dorp de eerste visschersplaats van het land zou zijn,   OVERDIEP, Volkst. Katw. 16 [1940].
Vissershavens van vrijwel plaatselijk karakter bestaan gewoonlijk uit een enkel beschut bassin, met slechts aan één zijde een kademuur of beschoeiing,   E.N.S.I.E. 9, 27 a [1950].
Visschershemd.
Hij droeg … een roestbruin vissershemd,   V. HOOGENBEMT, Vertrouwen in Ree 64 [1953].
Visschershennep (Dl. VII, 1626).
Visschersherberg.
't Gelag werd gevierd in een visschersherberg,   FILLIAERT, Vl. IJslandv. 55 [1937].
Visschershuis.
Gingen … in een Visschers huys, daer eenige haer tot slapen leyden,   BONTEKOE, Iourn. 40 [1646].
  V. RIEBEECK, Dagverh. 2, 560 [1658].
Binnen den zwaren zeemuur … branden de pannendaken der witte visschershuisjes rood in het zonlicht,   LAST, Zuiderzee 69 [1934].
De kleine typische visschershuizekens …, wit of geel of roodachtig gekalkt met daarin de groene vensterkens,   FILLIAERT, IJslandv. 16 [1937].
Visschershulk.
Zoo lang één Visschers hulkje op d'Amstelstroom zal varen,   HELMERS, Holl. N. 191 [ed. 1814].
Visschershut (zie ald.).
Visschersidylle.
De opmerking, waarmee de Visschersidylle wordt ingeleid: dat slechts de armoede het ambacht wekt,   HÖPPENER, Halieutica 111 [1931].
Visschersinstrument. Ongewoon.
Werp-netten, Schakels, Drijf-netten ende alle anderen Visschers Instrumenten, daer mede Visschers meest meynen te mogen vangen,   Handv. v. Amst. 23 a [1594].
Visschersjacht.
Op t' Schip van Amsterdam was Schipper … Willem Barentsz. van der Schelling …, hebbende by hem een Schellinger Visschersjacht, om hem in sijn voorghenomen Reyse … gheselschap te houden,   V. LINSCHOTEN, Reysen na Vaygats 1, 3 a [1601].
Visscher-jager.
Visscher-jager: nogal eens voorkomende combinatie. Fr.: pêcheur-chasseur,   HERMANS, Jacht en Taal [1951].
Visschersjongen.
  BOMHOFF [1857].
— Een populair type was … ook het slapend visschersjochie,   HÖPPENER, Halieutica 96 [1931].
Tusschen de groep visschersjongens die, bruin in hun Engelsch leeren kielen, op de knieën om de (kaart-) spelers heen liggen, vlamt de twist op,   LAST, Zuiderzee 161 [1934].
Visscherskano.
Reglement op de visscherskano's te Aruba,   Publicatiebl. Curaçao 1816-1851, blz. 29 [1818].
Visscherskapel.
De visserskapel, genaamd de Chapelle Saint Pierre (te Villefranche),   Ons Zeew. 1962, 4, 32 a.
Visscher-kapitein.
Alleen de ”Stad Nieupoort” en de ”Compagnie” hadden een volle lading … Opmerkelijk is het dat deze beide schepen steeds uitblinken. O. en M.M. moeten ervaren visschers-kapiteins zijn geweest,   FILLIAERT, Comp. v. Vischv. 103 [1939].
Visscherskarl (Dl. VII 1626).
Visscherskatoen (Dl. VII, 1847).
Visschersketel. Eenmaal aangetroffen.
Siet die tijt comt ouer v, datmen v aen spiessen opheffen ende uwe nacomelinghen in visschers ketelen wech draghen sal,   Liesv. Bijbel, Amos 4 A [1532].
Visscherskind.
Daar zwalkt hij, haar schat! Sinds de eerste jongensjaren Bekampt hij, 't visscherskind, het noodlot op de baren,   DE GÉNESTET 2, 187 [1860].
Een uitzondering op den regel, dat visscherskinderen visscher werden,   HÖPPENER, Halieutica 109 [1931].
Visschersklasse.
Grieksche staten, waar de visschersklasse zeer sterk vertegenwoordigd was,   HÖPPENER, Halieutica 37 [1931].
Visscherskleedij (Dl. VII, 3694).
Visscherskleeding.
  Tijdschr. v. Nijverh. 1867, 95.
Hij nam den vreemden man nauwkeurig op, en zag, dat hij niet de gewone visscherskleeding droeg,   KIEVIET, Pension Zonneduin 104 [1910].
Visscherskleeren.
Visschersklomp, ben. voor klompen van een bepaald model (V. BAKEL, Klompenm. 145 [1958])).
Visschersknaap.
Is 't wonder, dat een visschersknaap Der zee zijn hart moet geven?   BEETS 3, 381 [1861].
  GORTER, Lett. Stud. 1, 91 [1867].
Visschersknecht.
  V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 104 [1659].
't Steedje Zahará, Alwaar ik jaar en dag als vissersknecht gediend heb,   V. MEEK'REN, Doorl. Dienstb. 11 [1714].
Vissersknecht en maatje staan aan de bak (t.w. van een schokker) en sorteren de in de kuil gevangen vis,   Tijdschr. Ned. Heidemaatsch. 61, 194 [1950].
Visschersknoop, zekere soort van touwverbinbinding, ook Engelsche knoop genoemd.
Waarna men het bosje (haren) met den vinger zamendrukt en aan het … einde met eenen fijnen, van den visschersknoop voorzienen draad vastbindt,   Boek d. Uitv. 6, 181 [1869].
De Engelsche of Visschersknoop. De beide te verbinden uiteinden worden in tegengestelde richting langs elkaar gelegd; aan het uiteinde van elk touw wordt een gewone knoop gelegd, die het andere touw omvat. Nu trekt men aan beide touwen … tot de knoopen tegen elkaar sluiten en vast worden aangetrokken,   Handb. Pionierk. 1, 77 [1914].
Visscherskolonie.
Reeds tegen het einde der zevende eeuw was er op Berezan een visscherskolonie gevestigd,   HÖPPENER, Halieutica 45 [1931].
Visscherskorf; verg. VISCHKORF. Veroud.
Fiscella … B. Visschers korf,   JUNIUS, Nomencl. 284 b [1567].
— Kanstu het nette vullen met syner ende de visscherskoruen met synen koppe?   Bijbel v. Deux Aes, Hiob 40, 26 [1561].
Adolph en Karolina zitten op den voorgrond visschers korven te vlechten,   Visschers Meisje 1 [1811].
Visscherskot.
In 't riekende, donkere visscherskot …, Is daar nog iets lieflijks te vinden?   ISRAËLS in Kunstkronijk 1875, 56 b.
Visscherskotter (TAEL, Dial. Schev. [hs. ± 1945])).
Visscherskousen (uit een prijslijst [1955])).
Visscherskrauwel (Dl. VIII, 124).
Visscherskringen, alleen mv.
Een thans overal in belanghebbende visscherskringen druk besproken vraag.   Tijdschr. De Visscherij 1, 21 a [1920].
Visscherskroeg.
Zijn krachtigen, levenslustigen vader die niet ceel werkte en 's avonds piano speelde in de visscherskroegen,   V. D. WOESTIJNE Schroefl. 1, 77 [1927].
Visscherskwartier.
  TEIRL. [1922].
— De dubbele hoek, naar het Westen burgerwijk, naar het Oosten haven en visscherskwartier, waar de zeelijn basis van is,   V. D. WOESTIJNE, Schroefl. 1, 80 [1927].
  DE HAAN, Oud Bat. 15 [1935].
Visscherslaars.
Sa, jongens, kuischt de panne: … vader komt, met verschen visch, en stappans is hij hier! … trekt vaders visschersleerzen af, en laat ons lustig eten!   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 501 [1897].
Visscherslatijn, grootspraak van visschers met betr. tot hun vangst.
Laat ik u nu dadelijk en eens en voor altijd zeggen, dat ik een hekel heb aan visscherslatijn … maar … e … nu, we hebben er met z'n vieren, naar ik taxeer, toch zeker een dikke zevenhonderd gevangen … en gróót van stuk … Ik heb nog nooit zulke spiering gezien,   COCHERET, Speeldoos 37 [1929].
”Als je het water daar goed kent … ik heb er wel een dertig op een dag geschaakt …” Visserslatijn? Deze sympathieke, gezellige baas leek me geen opsnijder,   VERDUIN, Hengelaar 36 [1950].
Visschersleven.
  WEIL. 6, 355 [1810].
— Ik (liep) van mijn jonge jaren Bij 't visschersleven af en aan,   V. ZEGGELEN 8, 60 [1857].
De interessantste illustratie van voor-Grieksch visschersleven, de bekende visschersvaas van Phylakopi,   HÖPPENER, Halieutica 11 [1931].
Visscherslicht, in versch. opvatting; zie de aanh.
De vuurtorens worden onderscheiden naar den aard der doeleinden, waarvoor zij dienen … Visscherslichten, branden in den regel alleen, wanneer de visschersvaartuigen buiten zijn,   Onze Vloot Dec. 1911, blz. 14.
De vaartuigen, welke … verplicht zijn de bijzondere visscherslichten te voeren, zijn vrijgesteld van het eventueel voeren der beide roode lichten,   NOORDRAVEN en DE BOER, Scheepvaartw. enz. 530 [1939].
Visscherslied.
  BOMHOFF [1846].
— Op wisselmaat berust … het vlasslijterslied, het visscherslied, het maaierslied enz.,   SCHRIJNEN, Volksk. 2, 210 [1916].
Dat in 1952 enige bandopnamen van Vlaamse vissersliederen werden gemaakt,   Neerl. Volksl. 8, 80 [1958].
Visscherslijn, ongewoon naast vischlijn.
Visschers lijnen, driestrengs wantslag, fijne draden sterk in één geslagen van 12 draden of 12 strepen,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 70 [1858].
Visschersliteratuur.
De uitgebreide Grieksche visscherslitteratuur,   HÖPPENER, Halieutica 113 [1931].
Visschersloon.
Omdat de visschersloonen en dus de levensstandaard er laag zijn,   N. Rott. Cour. 23 Oct. 1937, Avondbl.
Visschersluk (Dl. VIII, 3307).
Visschersmaat.
Een visschersmaat was Roode Ned …; Een vriend van dans en zang en pret,   V. LENNEP, Poët. 13, 79 [1864].
Een verbroedering van tobbende visschersmaats ondereen in de hutten der eilandbewoners,   FILLIAERT, IJslandv. 109 [1937].
Visscher(s)man (zie ald.).
Visschersmand.
  GEZELLE (ed. BAUR) 3, 521 [1898].
Visschersmatroos.
Het lot van den ouden zeerob, die als visschers-matroos op de barre zee den reeder heeft gediend, behoort beter verzekerd te zijn,   Versl. Ver. Ned. Visscherij 1893, 17.
Visschersmeid.
  HUYGENS 1, 443 [1622]  (in woordspeling).
Tjipke Visser, Vissersmeid. Uitgevoerd in Coromandelhout,   Hout i. alle T. 6, 364 [1955].
Visschersmeisje.
Wie zal … De visschersmeisjes nu met keur van strantmuzyk Vermaken?   achter ZEEUS, Overgebl. Ged. XLVI [1718].
Het Visschers Meisje, of de ruïne aan den oever van den Rhijn,   Titel [1811].
Mooi visschersmeisje, roei Uw bootje naar het land, En zet u naast mij neer,   DE GÉNESTET 2, 257 [1851].
Naar Scheveningen gewandeld, en zag daar honderden Tommies, allen met visschersmeisjes aan den arm langs het strand,   GOERÉE D'OVERFL., Dagb. 26 [1918].
Visschersnatie, in de aanh.: visschersgilde.
Eenen aenzienlyken tak der brusselsche burgery …, namelyk de visschersnatie,   STALLAERT in Volksalm. Ned. Kath. 1856, 129.
Visschersnederzetting.
Iedere vissersnederzetting rondom de Kom achtte enz.   YPMA, Z.-Zeeviss. 45 [1962].
Visschersnet.
Vischers nette, Sagena, Sagenula, Tragula,   BERCKELAER O v° b [1556].
— Bretaens, bourgoens ofte andre garens daer men visschersnetten af maect,   bij ALLAN, Haarlem 2, 35 a [± 1515].
Eenen anderen, de welcke ghenamet was Retiarius, om dat hi een visschers net onder den schilt droech, met den welcken hy Mirmillonem bestricte,   SERVILIUS, Dict. Trigl. HH v° b [1552].
Ze (deGenâ”) is niet altijd dat fel en dadelijk gezach, Dat … Petrus 't visschersnet … En Magdaleen 't genot der weelde ontvlieden doet,   V. LENNEP, Poët. 7, 107 [1827].
Op een munt van deze plaats wordt Auge in een visschersnet opgehaald,   HÖPPENER, Halieutica 31 [1931].
Visschersoog.
Ik merkte zoo wat; een echt visschersoog kan 't maar alleen; mijn aas was gezien,   SCHIMMEL 1, 457 b [1855].
  FILLIAERT, IJslandv. 97 [1937].
Visschersorganisatie.
  LAST, Zuiderzee 281 [1934].
Visscherspaard; zie de aanh.
Hassi, Visscherspaard, modderpaard; een plank van een voet of 10, 12 en daarop een kist zonder deksel. De visschers gebruiken de hassi om over den modder te glijden,   Encyclop. v. Ned. W.-I. 356 b [1917].
De visschers gaan dan op z.g. visschers- of modderpaarden het net langs en slaan de visschen met stok of houwer, zoodat deze zich gemakkelijk laten vangen,   715 a.
Visscherspad, vooral als toponiem.
Het Visscherspad tusschen Zandvoort en Kraantjelek zag in lang vervlogen jaren de Zandvoortsche vrouwen elken morgen naar de stad gaan met een breede platte mand met visch op het hoofd,   Tijdschr. De Visscherij 6, 59 a [1926].
Visscherspatroon.
De visscherspatroon blijkt meer verlegen te zijn om werkkrachten dan zij om hem,   HÖPPENER, Halieutica 116 [1931].
Visscherspij.
Een … karakteristiek stuk is de ”visscherspij”: een ongetailleerd, klokvormig kleedingstuk, dat over het hoofd wordt aangetrokken en meestal voorzien is van een opstaanden kraag,   V. THIENEN in Oudheidk. Jaarb. 1932, 147.
Visscherspink: zie Dl. XII, 1895, en nog de volg. voorb.
Het scheepryk Y, dat … in zyn engen vliet voor deezen wierdt bevaaren Van visscherspinkjes,   SCHERMER 195 [c. 1710].
Wie den brief leest, door den Prins den 18den Januari 1795 in de visscherspink voor Scheveningen aan Van der Spiegel geschreven, zal een gevoel van … ergernis niet kunnen onderdrukken,   DE BEAUFORT, Geschiedk. Opst. 2, 24 [1875].
Visschersplaats, plaats (dorp of stadje), hoofdzakelijk door visschers bewoond.
Het getal weduwen is … hier, even als op de visschersplaatsen in het algemeen, ontzettend groot,   VISSERING, Herinn. 3, 423 [1865].
In het Zuiden van Hermione's gebied lag de visschersplaats λιες,   HÖPPENER, Halieutica 19 [1931].
Men kan … overwegen, de zeilen te tanen … In een visschersplaats zal men … wel iemand vinden, die dit werkje wil verrichten,   V. KAMPEN, Zeilsp. 283 [1947].
Visschersplunje.
Toen K. in zijn visschersplunje bovenkwam, passeerden ze juist het fort aan den Hoek,   HASPELS, Brandaris 26 [1908].
Visschersprauw (zie ald.).
Visschersramp.
De Vissersramp van 18 juli 1924,   Neerl. Volksl. 8, 80 (opschrift) [1958].
Visschersras.
Onze zeedorpen …, alleen bewoond door het oorspronkelijke visschersras- de visscherskaste had ik bijna gezegd,   Eigen Haard 1880, 254 b.
Visschersree(de).
Een schipper van fatsoen, die op de groote zee De Schipvaert hadd' geleerd: maer op de visschers ree De gronden niet en wist,   HERCKMANS, Zeev. 142 [1634].
Visschersrijmpje.
Vissersrijmpjes uit Friesland,   Neerl. Volksl. 6, 50 [1956].
Visschersring (zie ald.).
Visschersroede, alleen in enkele oude wdb. vermeld (MELLEMA [1618]; HEXHAM [1658])).
Visschersroman.
”Bella Stock”, heldin uit Conscience's gelijknamige vissersroman,   Neerl. Volksl. 4, 13 [1954].
Visschersromantiek.
De Zuiderzeevisscherij verdwijnt … De visschersromantiek sterft,   V. HINTE in N. Rott. Cour. 23 Oct. 1937, Avondbl.
Visschersrot (Dl. XVII, 1423).
Visschersruis, in enkele oude wdb. vermeld voor vischkorf of kaar.
Nassa … een visschers ruysse,   DASYP. [1546].
Vischkorf oft Visschers ruyssche, Vne nasse,   MELLEMA [1618].
Visscherssampan.
Een visschers-champan mett 5 Chynesen,   BONTEKOE, Journ. (ed. HOOGEWERFF) 121 [1646].
Visschersscène.
Een schildering, die mogelijk een visschersscène in beeld brengt,   HÖPPENER, Halieutica 12 [1931].
Visschersschaar.
Blijde visschersscharen, Het heldervlietend nat al zingend opgevaren,   V. LENNEP, Poët. 1, 45 [1828].
  TAEL, Dial. Schev. [hs. ± 1945].
Visschersschip (zie ald.).
Visschersschool.
Visschersschool. Onder leiding van een oud-koopvaardijkapitein wordt des winters … les gegeven in de practische zeevaartkunde, speciaal voor visschers,   HOOGENDIJK. Grootvissch. 106 [1893].
Visschersschouw.
18 September strandde een visschersschouw op den westelijken geleidedam van het Krabbersgat,   Reddingboot 2043 [1945].
Visschersschuit (zie ald.).
Visscherssloep.
De visscherssloepen die men te Blankenberghe, te Oostende, en te Niepoort hedendaags ziet ter vischvangst varen,   DUCLOS, Tillo 23 [1870].
P.C.V. had zoo pas een nieuwe visschsersloep in de vaart gestuurd,   FILLIAERT, Comp. v. Vischv. 41 [1939].
De mrb. ”Dorus Rijkers” (voer) … uit op het bericht, dat nabij Texel een visscherssloep met twee man aan boord in nood verkeerde,   Reddingboot 2144 [1946].
Visscherssnik: zie Dl. XIV, 2358, en nog het volg. voorb.
De Engelsen (haalden) het stoute stukje uit om met veertig man in een visserssnik naar het prijsschip te varen en de kleine bemanning te vermeesteren,   Ons Zeew. 1962, 4, 54 b.
Visschersstad.
Dat In zulck een' korten tijt heer Gijsbreghts visschersstadt, Uit asch en puin hersticht, ter weerelt uit komt straelen,   VONDEL 8, 132 [1660].
Dat Tarente een der belangrijkste Grieksche visscherssteden was,   HÖPPENER, Halieutica 47 [1931].
Visschersstand.
Dat de eigenlijke visschersstand (in Vollenhove) eene bevolking uitmaakt van nagenoeg 300 zielen,   in SLOET TOT OLDH., Tijdschr. v. Staath. 7, 373 [1852].
De in sommige strafzaken aan getuigen behoorende tot den visschersstand te verleenen schadeloosstelling,   Besl. v. 2 Juni 1903  (Stbl. 146).
Visscherssteek, zekere soort van zeemansknoop.
Tot den visscherssteek legt men het end twee ronde slagen om eene spar, neemt het voorts met een' halven steek rondom de staande part door de beide slagen heen, en vervolgens nog eenen halven steek om de staande part alleen,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 142 [1858].
Werpankersteek of visscherssteek, die bijv. gebruikt wordt om een ankertros op den roering van een anker te bevestigen,   V. KAMPEN, Zeilsp. 115 [1947].
Visschersstulp.
Cabane, … een hutje, een visschers stulp,   HALMA [1708].
— Noch regts noch links daagt heul noch hulp Uit boerenkluis of visschersstulp,   V. ZEGGELEN 5, 124 [1846].
Het geschiedde … dat St. Maarten, ergens aan de zeekust komende om het evangelie te verkondigen, zijn intrek nam in een visschersstulp,   DRIJVER, Mozaïek 132 [1906].
Visschersstuurman.
Dat de vissers stuerluijden van tijt tot tijt weer en windt dienende gedurende den herfst hare gevange vis aan het hooft alhier sullen moeten aanbrengen,   bij MIJS, Vischafslag Middelharnis 175 [1724].
Ieder visschersstuurman of zijn plaatsvervanger zal vermogen zijn visch zelf af te slaan,   als voren 235 [1810].
Visscherstaal.
Thetis doet my lang verhael, Al in ronde visschers tael, Hoe men haring-netten breyt, En dan op de duynen spreyt, Hoe men bot, en scharren vangt,   CATS 1, 503 b [1632].
Het Katwijksch is niet enkel een Hollandsche dorpstaal, het is tevens een visscherstaal, dat is een in ”sociologisch” opzicht bijzondere ”vaktaal”, even bijzonder als bijvoorbeeld de jagerstaal,   OVERDIEP, Volkst. Katw. 7 [1940].
In sommige gevallen kunnen taboe-verschijnselen aan het ontstaan van een eigen woordenschat meegewerkt hebben, zoals bijv. in de jagers- en visserstalen,   V. D. BERG in W.P. Encyclop. 10, 20 b [1951].
Visscherstenue.
's Avonds prompt zeven uur waren we aan de haven aanwezig, gekleed in visschers-tenu,   Tijdschr. De Visscherij 1, 31 b [1920].
”Schiet … subiet hoge gummilaarzen aan, trek een oliejas aan en zet u een zuidwester op de kop …”. Een half uur later stond ik in visserstenue op het dek,   MEIJER, Zeeviss. 87 [1949].
Visschersterm.
Op visite zijn of gaan heet in Katwijk … met een visschersterm ”verkenne” (dat doet men op zee nl. ook, bij het binnenvallen van een buitenlandsche haven bijv.),   OVERDIEP, Volkst. Katw. 11 [1940].
Visscherstocht.
In de meeste gevallen is er geen bijzonder gevaar bij de … door ons geschetste visscherstogten,   Boek d. Uitv. 3, 96 [1867].
”Kapitein J., je vergeet je vrouw een afscheidszoen te geven”, waarop deze … antwoordde: ”Dat dondert niet, zoo'n visscherstochtje duurt toch nooit langer dan zes maanden,   PALM, Walvisschen 101 [1946].
Visscherston.
Wie alleen Sout in Visscherstonnen mag stooten,   Handv. v. Amst. 1339 a [1748].
Visscherstraditie.
Die aanverwanten zetten … de visscherstraditie voort, wanneer ze op een klein ”hovenierspostje” hun eigen wegen gingen. Ze bleven visschers,   FILLIAERT, IJslandv. 19 [1937].
Visscherstrant.
Betreffende de Kleeding der Mannen (op Marken); deeze is … nog in alle deelen op den ouden Visscherstrant,   BERKHEY, N.H. 3, 1022 [1773].
Visscherstuig.
Visschers-sero's, palen, staken en ander visscherstuig,   Stbl. v. N.-I. 1877, n° 107.
Visscherstype.
Het litteraire visscherstype,   HÖPPENER, Halieutica 114 [1931].
Visschersvaartuig (zie ald.).
Visschersvak.
De technische zijde van het visschersvak,   HÖPPENER, Halieutica 3 [1931].
Visschersvakschool.
De … te IJmuiden opgerichte visschersvakschool,   Hand. St. Gener. 1905'06, Tw.K., 767 a.
Visschersval, val van den vischtakel.
Vissersval (scheepst.). — fish-fall — garant de traversière. — Fischfall,   TEN BOSCH, Viert. Techn. Wdb. [1911].
Visschersvereeniging.
Visschersvereeniging onder de zinspreuk ”Helpt elkander”, gevestigd te Tholen,   Ned. Staatscour. 18/19 Juni 1926, blz. 4 b.
Plaatselijke of gewestelijke visschersverenigingen (in België),   SCHREINER, Encyclop. Sportvisserij 40 [1960].
Visschersvlet.
Den Helder: Visschersvletten in gevaar,   De Reddingboot 2036 [1945].
Hierbij: motorvisschersvlet.
Visschersvloot.
Dat de visscher vloot haer Admiraelschap maeckten In 's Hopmans by-zijn, die (indien der yemand raeckten Van visschers vloote vast, of in qua gaten stoot) Ghehouden soude zijn, te redden uyt den noot),   HERCKMANS, Zeev. 136 [1634].
Met alle koopvaardij- en visschersvloten werd … een zeker getal oorlogsschepen in zee gezonden,   DE JONGE, Zeew. 1, 227 [1833].
Met den winter (ligt) in de smalle haven De visschersvloot onttakeld opgelegd,   JAN PRINS 1, 59 [1911].
De neutrale scheepvaart was gekneveld, de visschersvloot bleef onder 't walletje,   VERHOOG, Hav. en Z. 51 [1932].
Visschersvolk, 1°. volksklasse, stand der visschers.
De nieuwsgierige, die den voet onder dit eenvoudig visscher volk (van Marken) zet, vindt er de huizen, de gewoonten, de zeden, de begrippen van voor twee eeuwen,   BEETS, C.O. 339 [1841].
De godsdienstzin bij het Vlaamsche visschersvolk is van oudsher spreekwoordelijk geweest,   FILLIAERT, IJslandv. 135 [1937].
Iets meedelen over ”Visschersvolk rond de Zuiderzee” sluit in, dat we vooraf moeten vertellen over de geschiedenis van de Zuiderzee,   Neerl. Volksl. 4, 34 [1954].
2°. Volk dat, volksstam die in hoofdzaak van visscherij leeft.
Bij jagers- en visschersvolken worden de jacht- en visscherijgebieden als stambezit aangezien,   OLBRECHTS, Ethnol. 211 [1936].
Visschersvork, harpoen of elger; alleen in eenige oude wdb. vermeld.
Visschers vorck met dry tanden. Vne fourche de pescheur à trois poinctes. Fuscina. fuscinula,   PLANT. [1573].
  MELLEMA [1618].
  HEXHAM [1658].
Visschersvrouw.
  BOMHOFF [1857].
— De visschersvrouw is thuis, waar zij het aas bereidt, 'tGescheurde zeilwerk lapt, de netten maast en breidt,   DE GÉNESTET 2, 187 [1860].
Hier (aan het strand) is van allerlei, heeren en tengere dametjes …, visschersvrouwen en roeiers,   GORTER, Lett. Stud. 1, 56 [1866].
Dat de tegenwoordige visschersvrouwen hun typische kleederdracht langzamerhand gaan afleggen.   Tijdschr. De Visscherij 1, 131 a [1921].
Hoeveel visschersvrouwen heb ik jaarlijks niet zien beêwegen naar Lombartzijde,   FILLIAERT, IJslandv. 144 [1937].
Visschersvuur, lichtbaken voor visschers.
Visschersvuur, licht of vuur slechts op korten afstand in zee zigtbaar en hoofdzakelijk dienende voor de visschers,   aant. v. L. A. F. H. V. HEECKEREN [± 1860].
Visscherswant, vischnet. Eenmaal aangetroffen.
't (Is) gebeurd dat'er … in de Golf van Venetie een overgroote tarbot in 't visschers wand geraeckt is, en 't selve vervulde,   VALENTIJN Juven. 47 [1682].
Visscherswapen.
Aeschylus beschouwde Poseidons oude attribuut als visscherswapen,   HÖPPENER, Halieutica 99 [1931].
Visscherswater, te Katwijk voor: goed vischwater.
  OVERDIEP, Volkst. Katw. 62 [1940].
Visserswaeter, water, waarin met succes wordt gevischt,   OVERDIEP, Wdb. Katw. [1949].
Visschersweduwe.
  BOMHOFF [1857].
Daarmede (met zekere regeling) zou … geheel worden voorzien in de behoeften der visschers-weduwen en weezen,   Versl. VisscherijCongres Utr. 62 [1899].
Hierbij: visschersweduwen- en weezenfonds (HOOGENDIJK, Grootvissch. 276 [1893])).
Visschersweer, goed weer om te visschen. In de Holl. visscherstaal.
Nog al bekwaam vissers weer,   in Leidsch Jaarb. 21, 22 [Katwijk, ± 1790].
  OVERDIEP, Volkst. Katw. 62 [1940].
  TAEL, Dial. Schev. [hs. ± 1945].
Visscherswereld.
De ”trekzegen” en haar gebruik, waarover in de visscherswereld al meer van gevoelen gewisseld is,   Verslag VisscherijCongres Utr. 130 [1899].
In deze visscherswereld heeft de propaganda der geheelonthouding wel haar nut gesticht,   Tijdschr. De Visscherij 6, 123 a [1926].
Visscherswijf,
  TEIRL. [1922].
Visscherswijk.
  TEIRL. [1922].
— Het moet niemand verwonderen dat, na de terugkomst der schepen, het er bont toeging in de visscherswijken,   FILLIAERT, IJslandv. 121 [1937].
Visscherswoning.
Het opbouwen van veertig visschers-wooningen van steen met pannen gedekt,   N.-I. Plakaatb. 14, 240 [1805].
Den volgenden morgen reeds vroegtijdig trad de geneesheer weer de visscherswoning binnen,   CREMER 13, 27 [1857].
De eerste echte visscherswoning, die het Openluchtmuseum in 1931 verwierf, het laatste rookhuis van Marken,   Neerl. Volksl. 3, 2, 26 [1953].
Visscherswoord.
In de t-groep heb ik geen typische visserswoorden gevonden,   HEEROMA in Ts. 61, 52 [1942].
Visscherszang.
Doris, Visscherszang, ter bruilofte van den Eerwaarden Heere J. H., en de Juffrouwe D. v. d. S.,   SCHERMER 231 [c. 1710].
't Zy hy my een Helden-dicht …, Herders-zang, Visschers-Zang … of eenige andere Zang … wil opgeeven om te maaken,   Philanthrope 5, 140 [1761].
Visschersziel.
Belangwekkend is het (zeker woord) zeker, om zijn taaie leven in het diepste en dierbaarste hoekje van de visschersziel,   OVERDIEP, Volkst. Katw. 82 [1940].
Visscherszoon.
  BOMHOFF [1857].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1963.