Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: VOKKEN Volgend artikel: VOL II
Etymologie: EWN, EWA
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

VOLI

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: vol

VUL —, bnw. en bijw. Mnl. vol; ofri. ful, oeng. full, neng. full, ohd. fol, nhd. voll. Participiumformatie van een idg. wortel *p, met een suffix -no- (idg. *pnos > germ. *fulnaz, got. fulls).
+I.  Gevuld. Als antoniem van leeg.
+II.  Geheel, compleet; volkomen. De bet. 5, 6 en 7) zijn niet altijd duidelijk te scheiden.
+III.  Gevuld, rond, bol. Antoniem van: schraal mager, iel, hol, plat. Sommige verb. (b.v. onder 11, a) kunnen ook onder 1) ondergebracht worden, maar bezitten toch reeds het bet. -aspect ‘rond’.
+IV.  Alleen als bijw.
Afl.Onvol.
Voldertje, vol glas; ook: glaasje. (Veroud.).
Om kunstkundig hier te werken, Laet ons de Herten eerst versterken …. Jy, Maegd! schenk my een voldertje in, Op dat ik maek een goed begin; Dat zal ik eerst na binnen zenden,   SCHAAF en FRESE, Inënting 40 [1768].
Bestig, bestig, (riep Myn Heer) de koop is klaar; Kom, Pieter, daar kan een voldertje op staan, Drink eens voor de Ontsteltenis,   N. Alm. v. Louw en Krelis 1774, Reyze Boeren Knegt 5.
Eerst nog eens in 't rond Een voldertje Geschonken, En lustig uitgedronken,   N. Overt. Markt-schipper 2, 80 [c. 1780].
Verscheidene gezondheden waren … ingesteld geworden en gedronken. … — "Een voldertje!" riep de Heer de N., en stond op. "Mijne Heeren! het welvaaren van Sadras!"   HAAFNER, Madras 51 [1806].
Volheid (zie ald.).
Vollerij, roes, dronkenschap. (Veroud.).
Vollerije, Crapula,   DASYP. [1556].
Vollertje, hetz. als voldertje. (Veroud.).
Door de wydlopigheden der Gezondheden … (word) al menig glaasje te veel gedronken, het welk het geheele zoet van een ordentelyk Gezelschap beneemt. Ik laat staan, wanneer men in 't Hoofd krygt, de Gezondheden met vollertjes ende Pocalen te Drinken,   Ned. Crit. 1, 104 [1761].
Indien het (uw kleinkinderen) slegte knaapen zyn, dan zullen de duiten heel gaauw wandelen, en zy zullen misschien, in hunne brooddronkenheid, nu en dan een vollertje drinken op de wederkomst van den ouwen, om nog eens voor hen een ton twee drie te komen bijeen schraapen,   WOLFF en DEKEN, Blank. 3, 37 [1789].
Vollig.
1°. Volledig. (Veroud.).
Soeveel aengaet wat Casparo voirgestelt is in den Synode aengaende de kerckenordeninge …, dat is suo loco ex actis aengeroert, ende hier ende daer wat daer aff geseeght, maer nyet soe vollich als ghy wel soudt wensschen,   Br. Kerk. Arch. 1, 202 [1582].
Dat de Stoompacket Curaçao eene genoegzame hoeveelheid van steenkolen kan laden, voor de geheele reise naar de West-Indiën is thans bewezen. — Tot Suriname was nog niet vollig de helft der voorraad verbruikt,   bij V. NOUHUYS, E. N. Transatl. Stoomv. 2, 210 [1827].
2°. Volop, ruim. (Gewest.).
Hè hat veùllig et tsient gehat, hij heeft meer dan genoeg gehad,   JONGENEEL 67 [1884].
  DORREN 195 [1918].
  V.D. HEIJDEN [1927].
Ze laote bijj 't maste, de verrekes 'n week vaste en de ander week völlig vrete,   ENDEPOLS [1955].
3°. (Heerlen) Te groot, te wijd, te ruim van inhoud of omvang (OUDEMANS in Dm. Bl. 1918, 42).
4°. (M. betr. t. het gezicht) (Gewest.) Gevuld, rond.
Ze is in häör geziech vólliger gewoorde,   ENDEPOLS [1955].
Dôw bös aan 't diekker waere; dien gezicht zúut t'r tenminste zoë völlig óet,   HOUX e.a. [1968].
Volligheid, hetz. als volheid in de versch. bet. (Nog gewest.).
Doen wij dese collacie ghehoort hadden worden wi alsoe verwermt dat wi met meerrer vuericheyt des ghemoets wt des outs vaders celle ghingen dan ons eer wij daer quamen na vollicheit sijnre leringhen dorste,   CASSIANUS, Der ouder Vad. Coll. 46 a [vert. 1506].
De Wortel van Stinckende Gouwe … opent ende bevrijt de galblase ende de Lever van verstoptheyt oft vollicheyt,   DODON. 71 a [ed. 1608].
Het breedste en opperste gedeelte van de trompetten der lyfmoeder, dewelke om haare volligheid zoo uitgespannen was, dat er omtrent 112 ponden … water is uit voortgekomen,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 6, 2, 582 [1762].
't Is zoo mooi langs zien weg (van de Linge); ter lienker en rechter, bóvenop de vette klei, is 't alles malsigheid en volligheid en frissigheid?   CREMER 12, 169 [1862].
Dat is mie hier volleghaid,   TER LAAN [1929 ].
Vollijk. (Veroud.). 1°. Geheel, volkomen.
Panis speuticus, vel speutitius. Eenen coucke die vullic ghebacken es. vng gasteau qui est bien tost cuit,   PALUDANUS 28 c [1544].
Farcilis, vullijck,   DASYP. F v v° a [1546].
Vollick oft volkomelick yet doen, Faire quelque chose tout à plein. Plenè facere,   PLANT. Rr 2 r° b [1573].
  SASBOUT [1576].
  D'ARSY [1651].
Vollijk …. Ten volle,   WEIL. [1810].
2°. Spoedig, weldra, snel; ook: terstond.
Vollijk …. Terstond,   WEIL. [1810].
— Gaet ende verberghet v inde wijngaerden …. want daer suldi sekerder wandelen. Vredeliker rusten. niet dicwils vallen. haestelicker opstaen. snellicker voorts gaen. betrouwelijcker steruen. volcker ten hemel comen ende volcomelicker inder glorien gheloont worden,   Wijng. v. St. Franc. a iij r° a [1518].
Kent den broeder Timotheum, den welcken wi van ons gelaten hebben, met welcken, ist dat hi vollick comt, wil ic v sien,   Bijbel v. Liesveldt, Hebr. 13 D [1532].
Och ghy goede Catholijcken, het sal nu vulcken met ons ghedaen zijn, ick sien nu wel, wij en sullent niet lange mogen houden: ba, ic sien nu wel, dat wij noch onse Sermoonen, onse Misse … en alle onse Godsdiensten, int heymelick … sullen moeten doen,   Hist. v. Corn. Adr. 1, 61 a  (ed. 1569).
Dese (koperen distilleervaten) en moghen niet veel hitten verdraghen om des Tins wille, dat soude te volleken, ende smelten,   PH. HERMANNI, Distillierb. A v r°  (ed. 1622).
Alzoo vollijk als, zoodra.
De cypier moet den gevangenen, alzoe vollick als hij ontslegen es van crisme, laten gaen ende ontslaen,   WIELANT, Pract. Crim. 26 [1516].
Zo vollijk niet —, ofte —.
(De Bruggenaars), die welcke niet en faylgierden … eene zeer schoone … processie … ten Magdalenen te draghene …, welcke processie ontwijffelicke zo vullick niet weder thuys ghekeert en was, ofte men omthoofdeder … J. d. B.,   DESPARS, Cron. v. Vl. 4, 186 [1592].
Volling(s), spoedig, weldra. (Veroud.) (Nog gewest.).
Een goet peert is so vullins verswijmt. A bon cheual bon gué,   GOEDTHALS, Prov. 102 [1568].
In dien ik niet en mis soo hoor ik hem daer gaen, Koomt tak-oor als ghy wilt ghy sulter vullink aen (Kallijne verwacht haar minnaar, wien zij een poets wil bakken),   V. BRUYNINGEN, Vl. Klucht A 2 v° [1645].
Hij zal vullings komen, wacht nog eene wijl,   DE BO 1359 b [1873 ].
Ik kome vullings. Vullings ben ik daar,   Loquela 14, 8 [1894].
Wacht nog een letseken, 'K zal vollings gaan komen,   Verz. GEZELLE [St. Maria-Leerne, voor 1899].
Volte (zie ald.).
Samenst. en samenst. afl. Als tweede lid o.a. in: boordevol, eivol, handvol, propvol, smaakvol, stampvol, vreugdevol.
Als eerste lid.
Opm. Hieronder zijn niet opgenomen samenst. als volaarde, volambacht, volbak, enz., die niet zijn gevormd met VOL doch met den stam van het ww. VOLLEN. Men zie voor deze samenst. onder dat verbum.
Volbaren, ten volle toonen.
Men vint veel aerden: vrolickaert stueraert Cloyaert … en prollaert …. Wildijer meer hebben, v conste voort volbaert: Die niet en wil horen en dooch geen gabbert,   Ref. v. J. v. Doesb. 247 [ed. 1528].
Alle sondlijckheden … 't Zy off vol-baert, off noch in wil en poogen, Die Vrees of schaemt verschuylt voor menschen-oogen, Staen naeckt en klaer, o Godt, voor uw' gesicht,   CAMPHUYZEN, Ps. 90, 6 [c. 1626].
Volbedig, zie volbodig.
Volbetaling, volledige betaling. (Veroud).
Gegeven den gesellen, die de passie spoelden metten drien coningen …, 8 R. gl., by alsoe, dat zij selver haelen souden ende ontfangen 16 pont paym. aen dese goede stat in afcortinge ende dairmede tevreden zyn selver te vervolgen, zonder den proesten te manen, daeromme alhier in volbetalinge der voirsz. 8 gl. noch gegeven denselven gesellen 48 st.,   in Ts. Muziekgesch. 14, 53 ['s Hertogenbosch, 1503].
Dat broot, dat wy breken, is de gemeyntscap des lichaems Cristi, neempt ende eedt …, gedenckt en gelooft, dat het lichaem Cristi eens gebroken is aen de stamme des cruys, tot versoeninghe ende volbetalinghe onser sonden,   V. HAECHT, Kron. 1, 122 [1566].
Volbezigen, ten volle —, volledig gebruiken. (Veroud.).
Als die roede volbezigd is daar ze toe voegde, Waar is ze dan nut toe dan om te verbranden?   bij MAK, Rhetor. Gloss. 506 a [aangeh. woorden 1559].
Volbieden, alle formaliteiten of rechtsvormen genoegzaam bekendmaken (m. betr. t. de vervreemding van een goed), alle afkondigingen doen van. (Veroud.).
Siet, ghy heeren, etc., oft Ulieden kennelick es dat desen grondt gheboden ende vulboden es, zecht daeraf recht over u, etc.,   Cost. Kw. v. Gent 8, 549 [2de h. 16de e.].
Siet, ghy heeren die mannen zyt, ick maene u of ghy kent gheboden ende vulboden alsulck een leen als ghebrocht heeft in commeschap ende voorwaerde N. die hier jeghenwordich staet, ende hoe ghy dat kent ghecommen zynde uuter kercken met calange ofte zonder; zechter recht aff etc.,   8, 552 [2de h. 16de e.].
Volbieding, aanbod. (Veroud.).
Die weert. Wat ist daer ghy v sinnekens me plaghende, sijt deert v yet laetet ons kentlijck, wesen van v te ontlasten van t'selfde ghy claghende, zijt om v conforteren wilt niet schentliick, vresen … Menich mensch. Och heer weert ick danck v met alder eeren, eerlijck van v volbiedinghe tot mijwaert present,   Rott. Sp. 128 b [1561].
Ist dat mijn baet wt dit conuent, went och heer weert van v volbiedinghe want troost ter noot men v pertinent, kent,   Ald.
  [1561].
Volblad(er)ig, vol met bladeren.
Hy (heeft) twee volbladighe tacken gheuonden: Deen was van een wilde Olijfboom, maer dander was tam. Dees waren in een ghewassen, daer tot ghenen stonden De vochticheyt van de ruysschende winden bladt af nam: Daer nemmermeer hagel noch sneeu, noch sonne en quam, Soo dicht wast daer rontsomme bedect met bladen,   COORNHERT, Odyss. 1, 41 b [1561].
Sy (de menschen die den bijbel verkeerd lezen) … zijn so vol woorden als de volbladige Vijgeboom, maar ydel van de soete vruchten des barmhertigen Liefde,   COORNHERT 1, 18 a [1589].
Pluckt … een Pioen …: aen-siet eens haer botte …; en sietmen niet datse een van de grootste, breedtste, ende volbladerighste bloemen voorts-brenght, welcke haer openende door faveur van de Sonne, piafeert boven alle de andere,   SURIUS, Pelgrim 573 [1653].
Een lage divan, overdekt met een perzische stof, was overlommerd door een volbladige aralia,   COUPERUS, E. Vere 1, 39 [1889].
Volbleek.
Lijnwaad, hetwelk geverwd … moet worden, bekomt … niet meer dan driekwart bleek. Zoodanige lijnwaden echter, die als gebleekt in den handel gebracht worden en diensvolgens de gansche of volbleek (gantze Bleiche, Vollbleiche) bekomen moeten, worden na de laatste begieting niet onmiddellijk gevold, maar … aan een zuur-bad … onderworpen enz.,   KUIJPER, Technol. 2, 378 [1862].
Linnenweefsels zijn meestal van gedeeltelijk gebleekt garen gemaakt, z.g. kwart-bleek, welke bleeking kunstmatig gebeurt. Als stukgoed wordt dan tot half, driekwart of volbleek de verdere ontkleuring bewerkstelligd, door grasbleek of met bleekvloeistoffen,   V. HOYTEMA, Garens 108 [1917].
Volbloed (I) en (II), volbloedig, (zie die woorden).
Volbloeien, tot vollen bloei of wasdom komen of ten einde bloeien.
(God) is ghedachtich dat vvy eirde sijn achermen, En dat als hoy sijn des menschen termen, En dat den mensch als een bloeme volbloeyt en ent,   HOUWAERT, Vier Wterste P 2 r° [1583].
Dat hij (de wijngaard), in junio, niet en volbloijt, noch int beginsel vande oostmaent niet rijp en es,   BOONEN, Leuven 202 a [1594].
De vriendlijke Ida … Was 's grijsaards eenge troost …. Dit bloemke, reeds geliefd door elk, Als half volbloeide knop, Hief thans zijn pas ontsloten kelk In pracht van kleuren op,   TER HAAR, Ged. 2, 6 [1825].
Waar … 't bloemperk met zijn heesters lacht, In pas volbloeide zomerpracht,   2, 152 [1865].
De beide salons en de serre geleken bevallige wintertuinen, daar kunstige palmgroepen zich in de hoeken … verhieven, terwijl de roze en witte bloesems der volbloeide azalea's daartusschen hare groote, ronde bouquetten opbeurden,   COUPERUS, E. Vere 2, 223 [1889].
Het is … de jubel om het volbloeien gaan van Verlangen's zoete vervulling, van Liefde's heerlijk heil …: Vondels hartstochtelijkheid op haar schoonst,   DE KLERK, Vaderl. Beschouw. 240 [1917].
Volbodig, bereid, gewillig. Veroud.
Alsoo ick sach den Coninck gaatsch t'onswaers geinclineert te sijne ende volbodich eene plaetse om een fort te bouwen presenteerde,   Bouwst. Mal. Arch. 1, 76 [1614].
Wi zijn voor den naem des Heeren wel volbodig. Te derven alles wes ons leven is onnoodig,   STALPERT V.D. W., Vr. Cieraet 117 [1622].
Den heere Cancelier … heeft mij aengegeven …, dat sijne Majt het mij niet wel derfde vergen ende evenwel geerne sagen, dat ick een reysken op Bremen dede, om daer gelijcke debvoir te doen, als ick in de andere twee Hansesteden gedaen hadde: daertoe mij volbodich hebbe gehouden,   Verbaal Amb. Vosbergen 72 [1625].
Die van den Hoove (van Holland) bedroefden zich ten hooghste in de lasteringen uitgestrooyt teeghens de eere haarder Majesteit …; ende waaren volboodigh, omme, naar eisch van hunnen plicht, de naamroovers, wen men ze hun leeverde, te straffen,   HOOFT, N.H. 1193 [c. 1645].
Volbord, (ook met gerekte vocaal), toestemming, verlof. Vgl. Mnl. W. s.v. volbort. Veroud.
Vul-bord, sax. sicamb. Plena potestas, consensus,   KIL. [1599].
— De twee steden D. en C. (hebben), met volboert en consent van de ridderscap, oick by weten en goetduncken meester H. Hagens, als raedt en beueelsman op dat maell van wegen onses gen. heren van Vtrecht, bynnen C. eenen tractaet noetshaluen metten Gelresschen gemaect,   Kamper Kron. 2, 75 [1522].
Wy Ambt voorsz. (hebben) … v. B. met W. syn huisvrouw en J.'s voorsz. suster den koop overgegeven en gegunt, allet met wille volbort, en consent J.'s syns swagers und wyves voorsz.,   in SCHRASSERT, Cod. Gelro-Zutph. 2, 30 [1544].
Gene Olders moghen oer principael Arve vergeven buten oer Kinder vulboert, dat en sy sake, dattet kint sy wanwittich of ein toebringer des gudes, of die weldige handt geslagen in die Olders,   Landtr. v. Westerw. C 1 r° [1566].
Volbouwen (zie ald.).
Volbrassen, (scheepst.) de brassen aanhalen ten einde de zeilen zoo te stellen dat de van achteren komende wind deze doet volstaan.
Maakten het bram en de leyzeilen gereed, draayden de schepraderen om met de wielpallen, bevanden egter dat de buiten raders balken vooral die aan S. Boords zijde, reeds zoodanig was afgeweken en bij het slingeren doorboog dat het scheprad zoover afweek dat de worm tusschen beide niet meer in het kam of tandrad greep, hetwelk ook ten gevolge had, dat het wiel met geweld terugkeerde, toen er volgebrast wierd en bijna ongelukken veroorzaakt had,   V. NOUHUYS, E. Ned. Transatl. Stoomv. 118 [1827].
Zie, daar komt … een vaartuigje opzeilen! het nadert, en een stevig in het baai zittend … man komt aan boord; de vlag wordt neêrgehaald, er wordt volgebrast, en het gaat de Noordzee in, want "de loods is aan boord",   in Gids 1855, 2, 225.
Als Uw zilver is verdwaald Matroos! … waar vindt ge 't weder? Een béetje pret, ná leed en last, Wie zou U misgunnen? Maar — niet de zeilen vòlgebrast … Toe! leg een reefje, waar het past: Het zou eens stormen kunnen!   HEYE, Volksd. 2, 15 [1870].
De loods, die het schip tot de Cingels zal brengen, laat volbrassen; de zeilen raken slaags, het schip helt bevallig over als een zwevende vogel,   E. Haard 1885, 158 b.
Wordt er gekommandeerd: volbrassen! dan worden de zeilen zoo geplaatst dat de wind er met volle kracht in kan blazen,   KAT, Klank en Symbool 65 [1914].
(Fig.) Ophoepelen, maken dat je wegkomt.
Als wij (zeelieden) iemand tegen komen die ons niet bevalt, zeggen wij niet: "aangenaam kennis te maken", maar: "je kunt wel volbrassen (in 't hollandsch: ophoepelen). Ik zie je tronie liever niet dan wel",   E. Haard 1875, 235 a.
Een bootsmansmaat, die huilt! Donders neen! dat gaat niet, — dacht ik, zette m'n tanden in m'n lippen en draaide me om; 'k wou volbrassen, maar dat had K. gezien. Hij stak zijn hand uit de hangmat naar mij uit. Natuurlijk! toen ik dat zag, veranderde het geval. Ik draaide bij …, en hij drukte m'n harde knuist tusschen z'n dunne vingers,   V. MAURIK, V. all. Sl. 161 [1881].
Volbrengen (zie ald.).
Volbroeden, uitbroeden. (Veroud.).
Alsoo saen als elck ionck volbroet is, ende nu spinnecoppe gheworden, soo beginnet terstont oock te springen, ende garen wt te gheuen,   DAVID, Spinnec. 57 [1596].
M. Bartel (een advocaat). De Vrou die u paerden het, sal ic ooc wel dienen te kennen …. Theeuw. Ja om ons alle bey mit jou spytighe tong te schennen, Of om deselfde Borstel (Heerschap) om te brouwen, En as 't nest volgebroet was, mijn voor de schuldige man te houwen,   COSTER 48 [1612].
'Therte stond gereedt … V, in den uwen, te doen leet, Doch heeft met al sijn moeyt' Het schelm-stuck niet volbroeyt,   CAMPHUYZEN, Ps. 21, 12 [c. 1626].
Door 't behaegen der lauwheyt (van warm in 't nest gelegde eieren) blijft hy (een kapoen) eerst sitten, stracks daer nae door malheyt begint hy te gelooven dat hy de moeder van de eyeren is; hy begint te klocken, hy volbroeyt d'eyeren als een hen, keertse … en picktse open,   V. HELMONT, Dageraad 345 [ed. 1660].
Voldanken, ten volle of naar waarde, naar verdienste, naar behooren danken. (Veroud., nog gewest.).
Van der goeder audientien, den voirseiden meester A., onsen commissaris, op dezelve zyne commissie gegeven ende van der grooter eeren ende benivolentiën, hem dairinne geschiet, wy (het stadsbestuur van Middelburg) uwe conyncklicker majesteyt (Jacobus IV van Schotland) nimmermeer voldancken en mogen,   R.G.P. 86, 143 [1507].
Ghij hebt de doot ende helle verwonnen, Door u stramen geheelt ons wonden versworen, En hebt tegen den viant den strijt begonnen, Dragende op u cruys, met bloede beronnen, Ons boosheyt, die boven alle ponden woech. Wij seggen, die u niet voldancken connen: Lof soetste Lam Gods, dat der werelt sonde droech!   A. BIJNS 221 [ed. 1567].
By mijnen laesten (brief) heb jk U E. bedankt, ende doe 't zelve noch by deezen, zonder daermede te kunnen voldanken, voor de goede geneghenheit t'onswaerts, bewezen in 't onthaelen ende bevrundlijken onzer lieve panden,   HOOFT, Br. 3, 13 [1634].
Ik vertrouwe, myne … waarde Toehoorders, dat gy deze taal van afscheit niet qualyk zult nemen, nadat ik … Godts kerke eenenvyftig jaren achtereen gedient hebbe. Een weldaat van Godts langdurige hulpe, waarvoor ik den groten Godt nooit voldanken kan,   VOLLENHOVE, Heerlykh. d. Rechtv., Slotpred. 14 [1706].
't Zijn daden, die den Heer voldanken, volloven zullen; die zoo zoet een weldaad ons genieten doet,   GEZELLE (ed. BAUR) 3, 714 [1894].
Voldansen, ten einde dansen.
Int leste (gebeurdet), als B. Cornelis deur den dranck wat te seer verheucht … was, dat hy Joncvrou Pr. byder hant nam, om met haer eens te danssen. F. V. … speelde een Galliarde met den monde deur eenen cam. Als B. Cornelis zijn Galliarde voldanst hadde, so custe hy Joncvrou Pr.,   Hist. v. Corn. Adr. 1, 12 b  (ed. 1569).
Voldegen, volgroeid, volwassen. Gewest. in Gron.; inz. m. betr. t. vee.
  MOLEMA [1887 ].
't Is goud voldeeg kaalf,   TER LAAN [1929 ].
Voldeeg lienzoad,   Ald.
Voldekschip, schip met één of meer dekken die over de geheele lengte doorloopen.
Voldekschepen zijn gebouwd volgens de hoogste eischen en dus het sterkste. Zij worden beschouwd in staat te zijn alle soorten van lading te kunnen vervoeren naar alle deelen der aarde op een grooteren diepgang dan eenig ander type van schip van gelijke afmetingen,   NOORDRAVEN, Beladen 476  (ed. 1920).
Lloyd's tabellen onderscheiden alleen nog het voldekschip (full scantling vessel) en een schip, dat wat lichter geconstrueerd is, het shelterdekschip,   KNOP, Handelstechn. 1, 245 [1921].
Voldenken, ten volle bedenken, doorgronden. (Veroud.).
Sijn bermherticheit is so groot datse nyement en can voldencken,   Der Sielen Troost 36 a [1484].
Pisistrate siet doch eens aen Hoe alle dinghen hier van siluer en goude blincken. Ick denck dattet in Iupiters hof dus te werck sal gaen Tschijnt hier ooc een hemel, hoort al thuys van snaerspel clincken. Tis hier also vol, ken cant verwondert niet voldincken,   COORNHERT, Odyss. 1, 23 b [1561].
Voldienen, ten volle dienen; zoowel in den zin van: tot het einde (van zekeren termijn) in een dienst(betrekking) blijven, zijn tijd uitdienen, als: naar genoegen (be)dienen. (Nog gewest.).
Diezelve en zal yerst tvoors. ambacht van den teengieters geleert hebben by eenen meester den tijt van drye jaeren ende synen meester voldaen ende voldijnt, van denwelcken hy schuldich sall syne goet bethoen te brengen, eer hy sal moegen meester wordden,   in Ambachtsg. v. 's-Hert. 1, 396 [1503].
Naer dat ick mijnen tijdt t'Amstelredam … voldient hadde, resolveerde ick, overmits d'occasie sich presenteerde, ende ben voor Onder-commis met het eerste Schip gevaren, van Dordrecht nae Cabo Verde,   V.D. BROECKE, Korte Historiael 1 a [1634].
Ende werd alsoo … in Regten geconcludeert, dat is, het gantse proces ofte geding voldiend, ende by goeden Inventaris in de Griffie over gebragt, ende sententie versogt,   V. LEEUWEN, R.-Holl.-R. 539 [ed. 1664].
Dat de Knegts die hunne leertyd voldient hebben, gehouden zullen zyn hunne Leerbrief te halen binnen de tyd van een Maant, na dat zy hunne leertyd voldient hebben,   Handv. v. Amst., 1ste Verv. 94 a [1749].
Noch Bruigom Hiawadha, noch z'ne Bruid …, verre van zelve eerst te nutten, dienden heel beleefd al de anderen, hielpen rond en dienden spraakloos. Als nu elke ende een voldaan was en voldiend, zoo stak Nokomis vlugs de roode steenen pijpen vol gekruiden zuidertabak,   GEZELLE (ed. BAUR) 1, 753 [1886].
Voldingen, voldoen (zie die woorden).
Voldoopen, volledig doopen. (Veroud.).
Om datse (de papen) de Geusen kinderen, die vande Haegpredicanten qualijck gedoopt zyn, in de Catholijke Kerken der H. Vonten doen brengen, om daer de selve te belesen, te salven met de H. olie, en met 't gewiede sout, met speugsel en alle ander ceremonien … Catholijkelijk te voldoopen, ofse al schoon vande Haeg-predicanten voldoopt zyn gedoopt,   Hist. v. Corn. Adr. 1, 298 [1569].
Voldragen (zie ald.).
Voldrukken, ten einde drukken. (Veroud.)
Ick hadder … gherne den intre oft incomste met figueren inne ghebrocht …, maer siende dat sulcx … noch seer vele tijts soude hebben ghenomen, hebbe ickt veur goet aenghesien veur desen teghenwoordighen tijt daer vvt te laten. Op dat dit immers voldruckt … mochte vverden veur de Rhetorijck feest die S. Jans dach … sal begost … worden,   Rotterd. Sp. 3 a [1561].
Lieve frater, wy sijn seer neerstich om d'werck te absolveren; dese weken sullen J ende K voldruct ende de twee volgende letteren over den sijde gedruct sijn,   Br. Kerk. Arch. 1, 204 [1582].
Dat D. Vossius een bouck onder den druck hadde de historicis latinis, nu alrede voldruckt, waerinne hij … verhaelt twederley gevoelen Divi Augustini aengaende de praedestinatie,   Acta Synod. v. Z.-Holl. 1, 205 [1627].
Ick sal van daegh voldruct hebben alle de Iournaulx des scavans tot Anno 1677 inclusive, met een Catalogue achteraen van alle nieuwe boecken sedert 1665 gedruckt,   ELSEVIER, Br. 62 [1678].
De overzieners kregen eerst, in … 1634, de afgedrukte stukken, tot aen den brief aen de Kolossers, volgens bericht by de Synode van Utrecht ingekomen: en op de Noordhollandsche Synode verklaerden de Gemagtigden, dat het tot den brief van Jacobus voldrukt was,   HINLOPEN, Hist. Overz. d. Bybels 136 [1777].
Volduren, tot het einde toe "duren", volharden, standvastig blijven. (Veroud.).
Salich zijn sij die altijt volduren In danckbaerheyt,   Antw. Sp. g iiij r° [1562].
Daer goet begin geeft blick van Loon, Maer trou vol-duyren eerst de Kroon,   CAMPHUYZEN, St.R. *** 5 v° a [1624].
's Werelts heilant vint zich hier (aan het kruis) … van Godt, zyn' Godt, verlaten. 's Werelts nacht bleef niet volduren Op den middag,   VOLLENHOVE, Poëzy 69 [1686].
(De ridder v.d. Capellen) verzogt …, en wel inzonderheid aan de Heeren van de Ridderschap, die hy, uit hoofde van hunne volduurende aankanting tegen het aanstellen van Persoonen, om zyne zaak minnelyk af te doen, als zyne voornaame Party in deezen wel mogt … aanmerken, dat zy zyne wedertoelaating tot de Hooge Vergaderingen niet langer geliefden te weigeren,   Verv. op WAGEN. 2, 209 [1789].
Moet de wreede nacht van diepe duisterheid, Op Volk en Vaderland zoo schrikbaar uitgebreid, Volduren; mag geen licht nog scheemren aan de kimmen, En moet nog 't werk der Hel tot hooger toppunt klimmen Eer de afgeperkte maat der boosheid wordt vervuld,   BILD. 5, 330 [1824].
Vandaar: voldurig.
Consteren, ghestaen, volduerigh wesen, oft blijcken,   V.D. WERVE B 5 r° b [1614].
— Comt spoedich lindtwoormen en draken vierich, comt padden, spinnen, eggelen bloedich, fenijn weest gloedich en blijft volduerich en acht niet al sidi mijnder herten stuerich, mer blijft natuerich, fenijnich bloot, comt haestich en maect mi slijfs besuerich, want sonder hem prijsic die doot,   Ref. v. J. v. Doesb. 57 [ed. 1528].
Voldwingen, bedwingen, overwinnen. (Veroud.).
(Caesars brieven), by dewelke hy verklaarde, niet zoo ongestoffeert van gloorie te weezen, dat hy, naa 't voldwinghen van zoo forsse volken, 't aanneemen oft versmaaden van zoo veel triomfen in zyn jeughdt, nu … naa 't ydele loon van een' reize effen buiten der stadt behoefde te staan,   HOOFT, Tac. 90 [c. 1635].
Voledel, in hooge mate edel.
Oranjebloessems … Gy gaaft aan 't hart steeds ademtocht, Dat in de leliereuk verstikkend Uw artseny met tranen zocht. Voleedle plant, door God geschonken; In schel en sap en bloem en blad Der Hoven ongelijkbre schat, Die … kracht met lieflijkheid omvat! ô Sterk ons!   BILD. 9, 298 [1824].
Wie schonk u ("Gods heilige tempel") dat kleedsel van vroegere dagen terug, waar de regenboge in uwen schoot door keurig geschilderde ramen gedragen, zijn vonkelend edelgesteente over goot! Uit louteren goude en vol sterren gesmeden, voledel geschenk van 't milddadig verleden, dat God in Zijn opperste Liefde bevat, wie heeft u geborgen, hoogweerdige schat?   GEZELLE (ed. BAUR) 1, 534 [1855].
Voleeren, naar waarde of verdienste eeren, ten volle eeren. (Nog gewest.).
O Maria wye zalhu, claerheyt naer weerden Vul eeren vul prysen, vul dancken, vul louen? Want ghy als claerheyt ghaet te bouen,   EVERAERT 399 [1511].
Het wonder Dat niet kan zijn vol-eert, Dat is dat ghy (God) een Sonder Soo saligh hebt bekeert,   BREDERO 3, 561 [161.].
Werdende Titius S. … naa de gevankenis gesleept, om de vriendtschap van Germanicus. Want hy en hadt niet naagelaaten zyn huisvrouw en kinderen te voleeren, hen t'huis aanhangende, hen op straat verzelschappende,   HOOFT, Tac. 132 [c. 1635].
Voleinden, voleindigen (zie die woorden).
Volgaan.
1°. Voltooien. (Veroud.).
Als den hane an de hinne bluscht zyn verlanghen Ende de natuere vulgaed haer ghanghen, (Zoo wy sulck spel zelden sien vernoeien) Beseffen wy dat de hinnen, duer sulck verstranghen Eyers van haers selfs zaed ontfanghen,   DE CASTELEIN, Const v. Rhetor. 211 [1548].
2°. (M. betr. t. dieren) Drachtig worden. (Nog gewest.).
Onze koe wil niet volgaan,   RUTTEN [1890].
Volgaand.
1°. Zwanger, bevrucht, drachtig. (Nog gewest.).
  SCHUERM. [1865-1870].
2°. Volwassen, (Nog gewest.).
Overjaar waren de vruchten al volgaande eer 't begoste te drogen,   Loquela 8, 16 [1888].
Volgaarne, zeer gaarne, met veel genoegen.
Ik (beken) volgaerne dat enkelijk nog somtijds eene herinnering mijnen moed belet te bezwijken: Ik bewoon het huis …, waer de deugdzame … Willems schier alleen streed voor zijn Vlaemsch vaderland! Deze overweging zult gij beseffen; ik hoop dat zij mij ten borstharnas zal dienen!   Briefw. Consc. 2, 229 [1848].
Toen Uwe Excellentie … mij den vereerenden last opdroeg, om van de gelegenheid, door de … verbouwing van de … hofkapel … geboren, gebruik te maken tot het doen van een onderzoek naar het aanwezig zijn van … historische merkwaardigheden in dat gebouw, nam ik wel volgaarne die taak op mij, maar gevoelde ik toch levendig, hoeveel mij ontbrak om die naar eisch te volvoeren,   VEEGENS, Hist. Stud. 1, 70 [1879].
De Kerk moet den Staat de behulpzame hand bieden. De Kerk erkent volgaarne dien plicht en heeft er zich nooit aan onttrokken,   POTTERS, Katech. 3, 229 [1913].
Volgebouwd, rondgebouwd (i.t.t. scherpgebouwd). Alleen in de verb. — schip.
Vollgebauetes Schiff. Volgebouwd schip …. Steht im Gegensatz von scharf gebauet, und bedeutet ein Schiff dass nicht allein einen vollen Bug und ein volles Hintertheil hat, sondern auch unten im Boden flach und rund gebauet ist,   RÖDING 2, 849 a [1796].
Volgebouwd schip noemt men een schip, dat niet alleen een vollen boeg en achterdeel heeft, maar ook van onderen vlakker en ronder gebouwd is. Zoodanige schepen zijn de fluiten, katten, galjoten … en andere; zij staan tegen de fregatten en andere scherp gebouwde schepen over, die op het snel en digt aan den wind zeilen ingerigt zijn,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1856].
Volgeestig, vol van resp. rijk aan geest; vernuftig, scherpzinnig en ook: grappig. (Veroud.).
D'oogen … hebben dit byzonder voorrecht, datze verkondigers der menschelike genegentheden zijn …. Het geschiet om dat al onz' hartstoghten volgeestigh zijn, dat is, door de beweeghenis der geesten veroorzaakt, de welke na 't indrukzel van ons gemoed …, deur al de leden, tot hun opgeleide plichten loopen; en om dat het oogh meer geesten heeft als eenigh ander deel van 't lichaam, daar van daan komt het, dat'er grooter … teikenen van yemands gestaltenis uit te halen zijn,   DE BRUNE, Wetst. 1, 208 [1644].
d'Italjaanen volgeestig van aard, en tot spotternijen genegen, schertsten geweldig met dezen handel (t.w. een gevecht dat ontstaan was tusschen twee processies die weigerden voor elkaar uit den weg te gaan),   DE BRUYN, Reizen 1, 7 a [1698].
(Plinius) handelt van de volgeestige wynen, van de ziltige wynen der Grieken, van veertien soorten van zoete wynen, van de waarneming der wyn, en van de wynen der ouden en derzelver gebruik: van de nagemaakte wynen door konst uit zaad, appelen, peeren …; van 't honing-water en de mêe,   V. RANOUW, Kab. 1, 32 [1719].
Indien in het Blyspel, geen goede zedekunde, en volgeestige zeggingen voorkomen, zo zullen de verstandigen daar een afkeer van hebben,   Alg. Spect. 2, 103 [1742].
Kant stelde haar (de "Bovennatuurkunde"), in alle hare zwakheid, openlijk, ten toon, en schertste, op de volgeestigste wijze, met alle de luchtsprongen, en donquichotterijen der Philosophen,   Mag. Crit. Wijsg. 1, 9 [1799].
Volgekropt, zeer vol, overvol. (Veroud.).
Voor u (t.w. het vaderland) ontspringt dees stomme zucht, Die 't volgekropte hart ontvlucht, En smoort zich op den boord der lippen,   BILD. 8, 343 [1781].
Niets vermocht in 't minste deel Op 's vreemdlings blijkbre smart. Zijn tranen vloten tegens dank Van 't volgekropte hart,   1, 144 [1796].
Geen pen beschreef het ooit, geen brein kon ooit het schatten; De vol gekropte borst kan naauwelijks 't omvatten; Elk ander zoet gevoel, waarvoor een naam bestaat, Valt weg bij dit genot, dat zich niet schetsen laat … Het is de moedervreugd, het is de rang van Vader!   TOLLENS 3, 89 [1815].
Volgelding, volledige betaling, vergoeding. (Veroud.).
Wy (zullen) … geoersaect wesen, de volgeldinghe der schaede te doen verhaelen opte goederen ende bosschen van Uwe L. huys,   J. V. OLDENBARNEVELT 1, 301 [1595].
Volgeraken (gewest. in Vl.-België). 1°. (Ten slotte) vol worden.
De zak geraakte nie' vol,   CORN., Bijv. 199 a [1938].
Mijn boekske zal nog volgeraken,   LIEV.-COOPM. 1647 b [1954].
2°. Dronken worden.
Als hij zoo zeere blijft drinken, zalt hij gauwe volgeraken,   LIEV.-COOPM. 1647 b [1954].
Volgewaard, ten volle mark- of weidegerechtigheid hebbend.
(De uitgestrekte buurschap de Lutte), oudtijds de eerste onder de Twenthsche marken, bij wie de andere marken in geval van verschil appelleerden, toen de belangrijkste, met haar tachtig volgewaarde erven,   CRAANDIJK, Wand. 6, 290 [1885].
Volgooien, (bouwk.) het ruw bestrijken van niet in 't gezicht blijvend metselwerk, zooals fundeeringsmuren of de achterzijde van bekleedingsmuren, met de specie, waarmede het gemetseld is (ZWIERS [1920]).
Zal den aannemer het nieuwe gedeelte van de gaanderij … met riet beleggen …; het riet wel vast gespikert zijnde, zal hij hetzelve met niwe kalkmoortel met zijn benodigde pleyster van dege vol goyen; volgegoyt zijnde, zal hij hetzelve met gezifte kalkmoortel en playster na der haart zooals het verlijst regt en glad volraapen,   in Oudh. Jaarb. 1932, 19 [Middelburg, c. 1782].
De werkwoorden …, waar het (voorvoegsel "ver") een overdekken of overpleisteren met zekere stof (hetgeen de metselaars volgooijen noemen) beteekent,   BRILL, Holl. Spraakl. 537 [1846].
Het berapen of volgooijen van buitenmuren van gebouwen geschiedt door twee lagen, die te zamen eene dikte van 1,50 duim à 1,75 duim verkrijgen,   PIJTAK 26 [1848].
De wanden waar die zijn volgegooid te berapen en overpleisteren,   Wees- en Kinderhuis Leiden 34 [1882].
Volgroeien, tot vollen wasdom komen, volwassen worden, rijp worden.
Van deerdsche deel (van het ei), sietmen den doer vul groeien,   DE CASTELEIN, Const v. Rhetor. 211 [1548].
Met tastlyk vertoogh van oovermaght, de weederspannighen (t.w. in de Nederlanden) tot grondigh beken hunner geringheit te brenghen, om de gemoeden zoo dweegh te maaken, datze zich tot rechte stilte gaaven, en de rust volgroeyen moghte,   HOOFT, N.H. 138 [ed. 1642].
Gy, dierbre Vryheid! … hebt al vroeg, in myn gemoed, Een zugt voor 't Vaderland gevoed, Zyne orde en vrydom vroeg doen minnen …. Aldus geleerd, en opgetoogen, Zong ik uw' invloed en vermogen: En, thans in deeze les volgroeid, Blyft zulk een toon myn lippen roeren,   HUISINGA BAKKER, Poëzy 1, 11 [1773].
Op zijn zestiende jaar was Edgard volgroeid, volmaakt volleerd,   BERGMANN, Nov. 358 [1874].
De winterandijvie was … niet zoo goed, doordat in enkele tuinen de kroppen begonnen te rotten, nog voordat zij half volgroeid waren,   Versl. Landb. 1921, 1, 148.
Vandaar: volgroeidheid.
Het lichte geklank van de wijde, witte klokken maakte ik tot de schuchtere tonen van wat jong was …; en 't gebeier van de rozeroode, de lila, de blauwe kelken zou het wordende leven vertolken, dat heel krachtig was en schoon in volgroeidheid,   HILLE-GAERTHÉ, Tuintjes 10 [1921].
Volgronden, ten volle doorgronden.
Speciale saluinge. Houdt uwen troost, dies ben ick dijns radere, Een vast betrouwen tuwer voorspoetheyt, Dat v God Christum gaf doer zijn soetheyt, So beuint ghi tuwaert de liefde diuyne. Scriftuerlic troost. Merct de scriftuere aen de gordyne, Daer by blijct gods liefde niet om volgronden, Dat v God heeft synen sone ghesonden, Op dat wij doer hem, al leuen souden,   Gentsche Sp. c i r° [1539].
O Heere wie soud' v minne volgronden, Ick bidde door v vijf bloedighe wonden Dat ghy van my wilt weeren Al 't ghene dat v in my mishaeght: Och dat is al mijn begheeren,   Gheest. Vryagie 1, 335 [1624].
Vollegronds-, op den vollen grond, in de open lucht (niet in een kas).
Verzameling van 24 Vollegrondsplanten, met bont, gekleurd, gemarmerd en gestreept blad (op een tentoonstellingslijst),   Volksvlijt 1877, 39.
Het verschil in uitkomsten der glascultuur en die van den vollen grond komt … uit in de bedragen waarvoor op de veilingen … is verkocht. Hieruit blijkt, dat in Noordholland, waar meest vollegrondsproducten worden geveild, voor een kleiner bedrag is verkocht dan in 1908, terwijl in Zuidholland met hare uitgebreide glascultuur de omzet.. is toegenomen,   Versl. Landb. 1910, 4, XLI.
De groenteteelt vindt in ons land twee bedrijfsvormen: de extensieve teelt, die uitsluitend volle-grondsteelt is en in hoofdzaak grove tuinbouwgewassen omvat … en ten tweede de intensieve teelt,   Rapport Land- en Tuinb. 1921, 1, 31.
Vollerhand, met volle handen. (Veroud.).
't Gedacht wert door gedacht verdreven. Gheen twe beelds t'seffens vats': en storty vollerhand Iet ghoeds: zy vint gheen wyl, om ydelheyt ter hand Te nemen,   SPIEGHEL 16 [c. 1610].
Zomen u veel van wijn, brood, ghoude berghen rijk, Toekalde, zou die praat uw hongher iet vernoeghen? Of zóze vollerhand vast schilder-spijs toe-droeghen? Uw kunst-ghier óógh raapt lust: maer boetse honger-nood?   23 [c. 1610].
Volhandig, volharden (zie die woorden).
Volharnast, geheel in harnas zijnde. (Veroud.).
In 't Graafschap van Bargonje, hadden de Baroen van V., ondersteedehouder aldaar, de Baroen van C., de Heer van C., en die van M., driehondert speeren, en hondert volharnasde ruiters, te werven,   HOOFT, N.H. 138 [ed. 1642].
'T voorhooft vormden de roerruyters, gevolght, met yetwat tussenscheyds, van de speerelingen en thans van de volharnasden, altzaamen gestiert by O.G. ooverste der lichte paarden,   548.
Een schildt in vier deelen verdeelt, hebbende aan de rechter zyde, in 't bovenste vierendeel, een volharnast ruiter, met opgeheven rechter arm en uitgetoogen zwaarde dreigende te slaan,   BRANDT, De Ruiter 215 [ed. 1687].
Volhartelijk, in hooge mate hartelijk. (Veroud.).
O alre liefste drincket ende werdet droncken want die duerbaer goten des ouersten conincs vloeyen. si gheuen volhertelijcke blijscap inder sielen. ende onghemeten soeticheit inder herten,   Neghen couden enz. I iv r° [Antw., c. 1505].
Looft den Heere, blixem en dondere, Boomen ghebladert, bloemen en vruchten, Met volhertelijcker blijschap sonder duchten, Met vreuchden, met singhen, met soeten geschreye,   A. BIJNS 439 [ed. 1567].
Volheerlijk, in hooge mate heerlijk.
Laat ons … hier af klimmen … om Huis en Hof van den Ambachts-Heer deezer Heerlijkheid, Oostkapelle … eens te bezien: dit zeggende, beval hy den Voerman stil te houden voor de lange groene Dreef, die aan het einde een volheerlijk gebouw vertoonde,   GARGON, Walch. Ark. 1, 107 [1715].
Slaat hy (de mensch) zyne oogen op God, dat volheerlyk Opperwezen, het moet hem ernstig maaken,   Alg. Spect. 2, 54 [1742].
Volheerlijk was de dag toen 't eerste daglicht wierd; Volheerlijk, toen onze aard met Kruiden stond versierd; Toen 's hemels lichten door het lichtuitspansel blonken, 't Azuur een akker scheen met verschgezaaide vonken, En aarde en waterstroom met leven werd vervuld,   BILD. 6, 20 [1827].
Wij stijgen en dalen, wij wiegelen stil En volgen der bochtige wateren gril, Totdat we vernoegd om het sterkende bad Den boezem herwenschen der Scheldestad: En verlaten wij 't oord, dan verzelt ons in droom Die volheerlike stroom,   DAUTZENBERG, Verspr. en Nag. Ged. 246 [c. 1860].
Ik (Paulus) (houd) niet op in mijn gebeden dankend van u gewag te maken; opdat de God van onzen Heer Jezus Christus, de volheerlijke vader, u geve den geest van wijsheid en openbaring door volkomen kennis van Hem,   Leidsche Vert., Eph. 1, 17 [1912].
Volheil, volkomen heil. (Veroud.).
In zijn graads ommetrek moet ellik blyven stip. De blind weet van geen zien …: Ghi van gheen zeilsteens kracht …: Noch u vijf sinnen kracht, of werking zelf behend. Ist vreemd dan dat ghy God, na zijn is, niet en kent? Doch vint ghy in u graad volheil, wildy te deghen. Volheil is neighing-boet: dus hoe ghy zijt geneghen Grondeert voor alle dingh. dats u natuurs behoeft,   SPIEGHEL 97 [c. 1610].
Volheilig, in hooge mate heilig. (Veroud.).
Groot in Sion d'Heer, En verheven veer Boven alle volck Onder het gewolck. (Loff sal uwen naem, Groot en schricklijck t'saem, Van elcks lippen strijcken, En vol-heiligh blijcken),   CAMPHUYZEN, Ps. 99, 2 [c. 1626].
Volhoef.
1°. Paardenhoef, waarvan de zool naar onderen gewelfd is en onder den draagrand uitsteekt.
Bij beginnende vol-hoeven is de vleesch-wand het eerst ziekelijk aangedaan; de afscheiding der hoorn-zelfstandigheid uit de vaten van dit deel wordt vermeerderd en meermalen zoo sterk, dat de eigenlijke hoornd-wand dikwijls naar binnen toe, ongeveer zes malen dikker wordt, dan dezelve in den natuurlijken toestand was, Daardoor wordt de hoorn-wand van het hoefbeen afgedrukt … en neemt dus eene neiging tot eene horizontale rigting aan,   DIETERICHS-HART, Hoefbeslag 178 [1830].
Een hoef, die geene uitgeholde zolen heeft wordt plathoef, is de zool nog meer doorgezakt, volhoef genoemd,   LANDOLT 1, 240 [1861].
De volhoef komt slechts aan de voorvoeten voor; hij ontstaat door slecht beslag zeer gemakkelijk uit den plathoef,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 228 [1871].
Paarden met volhoeven zijn slechts voorwaardelijke bruikbaar, vooral op harden grond,   RIJNENBERG, Paardenk. 133 [1902].
Vandaar: volhoevig.
Plaatselijke aderlatingen en koude omslagen … om den hoef … hebben … de ontsteking van den hoef … weggenomen en … veroorzaakt, dat de hoef, in plaats van vol-hoevig te worden, slechts in een' plathoef veranderd,   DIETERICHS-HART, Hoefbeslag 181 [1830].
2°. Paard met zulke hoeven (PIPERS, Landbouwwdb. [1911]).
Volhooren, ten einde toe hooren, ten einde toe, geheel en al luisteren. (Veroud.).
L. Ghy (moet) derwaerts rechtevoort. B. Wat zullen wy daer maken? L. Hoort ende volhoort. Ghy vreese voor schande, vaet die practijcken enz.,   C. V. RIJSSELE, Sp. d. M. T 7 v° [begin 16de e.]
] Wy (zijn) tot twee maelen geweest by mynen heere den president … ende hebben … denselven onsen last te kennen gegeven. Ende eyndelycken nairdien hy ons volhoirt hadde, gaf ons voir antwoerde, indien … hem onse zake voirseit belast wierde, dat hy alsdan deselve … nair zijn uyterste vermogen benerstigen zoude,   R.G.P. 86, 331 [Middelburg, 1525].
Datter tot verscheyden plaetsen tusschen den Doopsghezinden ende anderen om ghedisputeert is, en machmen niet ontkennen, maer dat zy teghen alle heure partyen voor wettighe rechters, elck eerst volhoordt zijnde, alleen de ware Kercke gheoordeelt sijn gheweest: en soude ick niet derren segghen,   COORNHERT 1, 431 a [c. 1583].
Zyn schoonvaader … en andre zyne naaste maaghen … deeden … verzoeken, dat den Wethoudren van M., naa spoedigh volhooren des gevangens (W. v. Blois v. Treslong) en 't brengen der zaake in staat van wyzen, geliefde de zelve … te doen doorzien by betaamelyk getal van onpartighe rechtsgeleerden,   HOOFT, N.H. 995 [c. 1645].
De ouders … sonden hem naer d'Universiteyt van Parijs, alwaer hy in het Collegie van S. Barbara ghestudeert heeft, ende sijne Philosophie volhoort met sulck eene voldoeninghe van een ieghelijck, dat enz.,   ROSWEYDE, Gen. Legende 2, 542 a (ed. 1665).
Volhouden (zie ald.).
Volijverig, in hooge mate ijverig.
Moet Floris dan eeuwig klagen? Zal hy noit gunst verwerven? noit uw hert vermurwen? Ik dachte niet, schoot 'er Izabelle volyverig op uit, dat Floris zo goeden voorspraak had,   GARGON, Walch. Ark. 1, 155 [1715].
Dat Zijn W. Eerw. zig … betoond heeft … doorkundig, geoefend en magtig in de h. schriften, zuiver en onvervalscht in de lere, gereedt en volieverig, om elk te dienen met de gaven, welke Hem de Heer zo mild en overvloedig bedeeld heeft,   in Gron. Volksalm. 1910, 28 [1769].
Bilderdijk zeide mij eens van hem (van een zekeren heer v. W.) dat hij een volijverig man was, en zijn leven door geweest was, doch die steeds op eigen wieken had gedreven zonder eenige verstandige leiding, en dat hij tengevolge daarvan menigmaal na lang zwoegen groote ontdekkingen meende gemaakt te hebben van dingen die intusschen lang bekend waren,   R.G.P. 30, 414 [1822].
Om zich te beter bij den kerkschen Leicester in te dringen, werd hij van onverschillig Katholiek volijverig protestant; — toen hem later de katholieke belijdenis weer beter te pas kwam, bekeerde hij zich weer even vaardig,   FRUIN, Geschr. 3, 168 [1862].
De volijverige predikant, F. Fletcher, die de lotgevallen van den tocht beschreef, komt op het zonderlinge idee, dat de Spanjaarden de kaarten opzettelijk vervalscht hadden, om den vreemdeling de vaart onmogelijk te maken,   IJZERMAN, Dirck Gerritsz Pomp 166 [1915].
Voljaard, tot zijn volle jaren gekomen, mondig. (Veroud.)
Om suspitie te weerne Van zulcke, die in een nijdich exces Quaet mercken, daer niet dan deucht en es, Zoo wil ick dat Thisbe zy de bewaerde. S'is groot van wasse als de vuljaerde, Zinnelick van aerde, en fier van moede,   DE CASTELEIN, Pyram. B ij r° [c. 1530].
Al est dat die weeskinderen thueren XVI jaren geacht … mogen werden ende geweest zijn als voljaert, niettemin enz.,   in Versl. Vereen. O.-Vad. Recht 11, 356 [Tholen, 1565].
Mr. F. P. de G., ende C. P. de G., beijde voljaerde kinderen van zalr P. M.,   BREDIUS, Künstler-Invent. 783 [1619].
Clit. Ey wilt de zaeck eens wicken, Droegt ghy hem immer-gunst? Arbarm u dan sijn pijn. Brand. Mijn harten-leet en is niet minder als het zijn. Clit. Ghy zyt by na voljaert, dan kunt ghy 't met hem wagen,   V. STEYN, Volst. Minnaer 12 [1662].
Vandaar: voljaardheid.
By dit selve Collegie ("vande Gerechte") werden verhandelt alle saecken de Politijcque Regeeringe aengaende …. Item te Disponeren ende resolveren op alle Requesten. De minderjarighe Weeskinderen te verleenen voljaertheydt, ende de macht omme haere eygene goederen te mogen regeren ende gebruycken,   ORLERS, Beschr. v. Leyden 641 [1641].
Voljarig.
1°. Zijn jaren volop hebbend, niet jong meer, bejaard. (Veroud.).
Oude-man. … rijpen, ervarenen, experten, ghewelfden, voljarighen, oudt van jaren enz.,   SMYTERS, Epith. P 6 v° [1620].
Als hy (Abraham) oudt ende vol-jarig was, wort hem bevolen dat hy sy-selven benijden soude,   DE SMIDT, Sonnebl. 294 [1638].
2°. Zijn volle jaren hebbend, meerderjarig. (I.v.m. de woordspeling kan de 3de aanh. ook onder 1° geplaatst worden).
Tis een seecker Recht, dat de restitutie welcke een min-derjarighe toeghelaten is, een majori, dat is, eender die over de 25. jaren out is, niet vorndelijck can wesen, alhoewel hy des minder-jarighen maet, ofte socius zy. Ten waer de restitutie in een ondeylbaer dinck een min-derjarighe toeghelaten worde want dan gheniet oock een vol-jarige wesende consors litis t' profijt van de herstellinghe des minder-jarighen,   V.D. SANDE, Gew. Saecken 1, 69 [1638].
("Aen bejaerde Kinderen".) De Moeder die u langh gesooght heeft en gedragen, Gaet rusten, oud en grijs: hoe voeght u dit gekarm? U, die voljarigh zijt? om Gods wil, laet ik vragen, Wilt gh' altoos aen de mem, of altoos op den arm?   HUYGENS 2, 439 [1667].
Voljarig of meerderjarig wordt degeen genoemd, die de ouderdom bereikt heeft, op welken hij volgens de wet niet meer onder voogdij staat. Deze ouderdom is naar ons tegenwoordig burgerlijk wetboek die van volle 23 jaren,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1856].
3°. Van een vol jaar, van één jaar. (Veroud.).
Wij Scholtis, Borgermeesteren ende Schepenen doen kont hiermede, alsoo wij uyt cracht van voliarich verwin ende de conditien opt vercoopen der gedecreteerde goederen beraemt naer voorgaende affcundinge van den Stadthuyse lick … hadden doen insetten ende vercopen … toebehoort hebbende … ende na voorgaende ophanginge ende affslach den coep van 't voorschreven lant was gebleven aen …, soo ist dat wij aen welgemelte cooper den coop willen bevestigen,   in Versl. Vereen. O.-Vad. Recht 12, 111 [Tiel, 1653].
Dat hy nam een voljaerige padde in de Hoymaent, met de afgaende maen, wiens hooft en oogen waeren vol wormen; en dese hing hy boven de wassen schotel …: de welcke, stervende, de voorseyde aerde uytbraeckte, en alle wormen uyt de oogen vielen: d'eene en het ander brack hy, en vermengden met het was: mitsgaders het lijf der padde gedrooght, en gepulvert daer onder, en maeckte veertigh … koecxkens (middel tegen de pest),   V. HELMONT, Dageraad 401 [ed. 1660].
Er zijn vakken, waarin het noodige binnen den tijd van een halfjaar gezegd kan worden, en voor deze wordt het uitrekken van het college, opdat het den voljarigen cursus vulle, een verspillen van tijd en krachten,   VISSERING, Herinn. 3, 367 [1868].
4°. "Vol" jaren, veel jaren tellend, groot. (Veroud.).
De kleinste knaap schijnt soms voljarig. Wie staat niet over hem versteld? Hij haalt zin schouders op, meêwarig, Als bestevaar hem iets vertelt. Hij kent en starren en planeten Bij name …. Ook Wijst hij op de kaart de landen, Rivieren, zeeën, bergen, stranden, Met zijne kleine vingren aan,   SPANDAW 2, 12 [1837].
5°. Driejarig (alleen gebezigd m. betr. t. vee, dat op dezen leeftijd het volle gebit heeft). (Nog gewest.).
Bij deze (kunstkwenen) … ziet men gewoonlijk … sterker ontwikkelde horens … dan bij die vaarzen, welke als enters of voljarige, reeds door den stier worden besprongen, houdende de voortteling den hoorngroei tegen,   Boeren-Goudmijn 1856, 132.
Voljoarege kòien, òzzen,   TER LAAN [1929 ].
Volkaaks, volmondig.
Daer synder … die niet en weten … wat sy biddende al seggen souden tot God. Dan alleen ontbreeckt het haer aen stof …. Willen sy lieghen, dat weten sy rijckelick te stofferen. Willen sy tegen yemandt kijven, 'tis wonder waer van daen dat sy alle de scheltwoorden haelen, die sy so gereet ende vol kaecks uitgieten,   SPRANKHUISEN, Roepende Stemme † 7 r° [1630].
Volkakelijk, volmondig.
Jan (de "Misbouwer") seght vol-kakelick, men heeft voortaen in Boecken Geen' goe Patroonen van wel timmeren te soecken, Men sie sijn niew Gebouw, en nemer dat voor aen,   HUYGENS 2, 455 [1671].
Volkalfd, gezegd van een koe: drachtig.
  W.B.D. 1, 3, 429 b [Asse, Mollem, 1976].
Volskeels, luidkeels.
De weder-stuyt van mijne liefde … Was quaedt en haet. o Godt de sake … roept vols-keels om wrake, Om wrake, die ghy senden moet Op een soo goddeloos gebroedt,   CAMPHUYZEN, Ps. 109, 4 [c. 1626].
Volkeerig, met veel bochten en kronkelpaden.
Dat de menschelicke ziele zoo bedeckt, en on-uyt-leggelick is, als die vol-keerigen hof (de "Doolhof van Dœdalus"), zijnde daer in zoo veel spanveren, die haer werck doen moeten, eer zy kan geopent worden; zoo veel hoecken en winckels; zoo veel weghen en by-paden, ter in-ganghs en ter uyt-ganghs,   DE BRUNE, Embl. 60 [ed. 1624].
Volkennen, geheel en al kennen, doorgronden.
Alle ghi amoreuse sinnen, Als ghi wilt minnen, mint al met mate Ende laet u liefde aldus niet volkinnen. Ic hebber bi gheleden grote achterbate,   Tghevecht v. Minnen 73 [1516].
De rijckste in 't vinden, en de wijste in 't ordineeren, De maghtighste om zijn werck tot d'allerjongste streeck Te voeren, dat'er niets volkomens aen ontbreeck', Is Godt alleen, waerin (ô die hem moght volkennen!) De wijsheit en de maght, als in een renbaen, rennen,   VONDEL 9, 461 [1662].
Den sterfelijcken is een perck en maet gestelt, Waerop hun kennis stuit, die van verlangen smelt, Om eenmael Godt te zien, in zijn volkomen wezen, Van geen begrijp volkent, van geene tong volprezen,   VONDEL 9, 473 [1662].
Volkipt, uitsl. praed. gebr., van een kalf: geheel en al uit het lijf van de koe, op eigen beenen staande.
Alsoo zietmen de Kettersche spinnencoppen, besonder de Caluinisten, als versch gheworpen dertel calueren met dat sy volkipt zijn, ende haer nieu wesen aengenomen hebben, terstont … beghinnen sy te huppelen en te springen, als oft sy van de hurselen ghesteken waren,   DAVID, Spinnec. 57 [1596].
Volkladden, met verf- of inktvlekken vullen; in de aanh. bep.: met weinig- of nietszeggenden inhoud vullen.
Ik zal … u aantoonen dat ik in het volst bezit van mijn hoogste goed ben …: hoogste goed, Heintje, waar over zo wel de weelderige zoonen van Epicurus als het overige Legio van wijzen, en geleerden, geheele boeken volgeklad hebben,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 1, 41 [1793].
Volkladderen, (gewest. in Vl.-België) met verf- of inktvlekken vullen; in de aanh. mogelijk ook: in een leelijk handschrift volschrijven.
Heel z'ne schrijfboek is volgekladderd,   CORN., Bijv. 173 [1938].
Volklassen, (gewest. in Vl.-België) volstorten.
Wie heet de vloer hier volgeklast?   CORN., Bijv. 173 [1938].
Volkleeden, tijdens een ritueele zitting (in de aanh. bep.: installatie) van de kleedingstukken voorzien die bij een bep. functie of lidmaatschap behooren.
Datter anders nyet eenighe gewoonelijcke observantiën ende ceremoniën gedaen en souden werden, die nochte beloften nochte eenighen eedt en souden medebringhen dan observantiën … van de cleedinghen t'ontfangen, ende eerst in seecker cappelle twee mijlen van Winsor te gaene ende aldaer eenighe … ceremoniën ende offerande te doene …, ende darnaer in de cappelle tot Winsor volcleet te werden,   R.G.P. 108, 536 [1613].
Volklinkend, sonoor, harmonieus, welluidend (KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862]. KUIPERS [1901]. V. GELDEREN [1909 ]).
Hierbij: volklinkendheid, sonoriteit, harmonie, welluidendheid (KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862]. KUIPERS [1901]).
Volknabbelen, m. betr. t. buik of maag: vullen door van een bep. stuk voedsel kleine hapjes af te bijten of af te knagen.
Blijf liever bij uwe moeder. Daar is eene malsche raap: knabbel uw buiksken vol. Gy hebt immers al wat uw hartje lust (Moederrat tot haar jong),   CONSC., Grootm. 60 [1858].
Volkogel.
Volkogels, hetzelfde als kanonkogels,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1856].
— Het hagelschot en zijne werking berust op dezelfde hoofdbeginselen als het schot met volkogels,   Boek d. Uitv. 6, 401 [1869].
A. vond … de segmentgranaten uit, welke de drie gewone vormen van projectielen: volkogel, kartetsgranaat en kartets moesten vervangen,   KUYPERS, Art. 4, 224 [1874].
Volkoken, geheel en al tot het kookpunt verhitten.
De hitte vande dichte partyen hares lichaems (dat van iemand met een "drooge ende Cholerijc" lichaam) die seer scherp is, vereyschet alsulcken materie, die noch niet gantschelic volcooct en is, waer mede datse anders met de selve te verbacken, gheen profijt doen en soude,   PARÉ-BATTUS, Chirurgie 26 b [1604].
Volkomen (zie ald.).
Volkonden, in vollen omvang, d.i. zonder weglating van iets, bekend maken, verkondigen.
'k Bid verlof, vermaerde Stichter, Van dit aertsche zielen-hof (Zorgvliet), Dat ick, al t'onweerdig dichter, Heb verkleynt uw weerd'en lof. Doch wie is'er oyt gevonden, Soo uytnemende bespraeckt, Die uw deugden sou volkonden, Of in 't minst uw weerde naeckt?   CATS 2, 278 c [1655].
Wie is 't die ooit, 't zij vrouwe of man, Gods heerlijkheid volkonden kan?   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 335 [1896].
Volkorend, van koren: volgroeid.
Der hooffmeester van myn heer v. S. heeft gecocht … voer myns heeren peerden het coern van twee vaet, wellich coern noch nyet volpypt noch volcoernt en was,   MUNTERS, Dagb. (ed. GRAUWELS) 79 [1538].
Volkrabbelen, in de aanh. bep.: met teekeningen vullen.
Hij zit heel dagen te droomen; en, vindt hij Ergens een stuksken papier, krek! valt hij aan 't mannekens teeknen …! 'k Wou dat ge eens zaagt, hoe de stal, en de schuur, hoe alles ten ontzent Vol is gekrabbeld van paerden, en koeien, en vreemde figuren!   V. BEERS 2, 73 [1858].
Volkrachtig, door en door krachtig.
Vrage. Gelijk hier 't lighaam is sal 't ook soo zijn aldaar? Antvv. Neen: maar onsterffelijk, volkraghtigh, hemelsch, klaar,   DE GROOT, Bewys enz. 159 (ed. 1683) [1618].
Volkrijgen (I), (onscheidb. ww.) 1°. Vervullen.
"Ick ben een vremdelynck alhier, die 't volck niet en kent, ende zoo wanneer ick eenighe borghers ontbiede, omme informatie precedente te hebben, gheven zy voor antwoorde, dat zy staen onder den burgmeesteren ende niet onder den baillyn ofte officier"; ter welcker oorsaecke hy zijn officie niet en heeft connen volkrijghen, daertoe hy nochtans … wel gheneghen heeft gheweest,   Ond. Middelb. Ber. 233 [1567].
2°. Geheel en al verkrijgen.
Terwijl de liefd' is nieuw, so isse naeuw te wachten; Allenxkens door 't gevry vol-krijghtse hare krachten, So ghyse, na haer eysch, wel koestert en wel voed, So salse metter tijd haer hechten in 't gemoed,   V. HEEMSKERK, Minnek. 70 [1622].
Ghy (Dido) kost, ô slechte Sloofs, u min niet wel beleggen: De kunst ontbrack u noch: door kunst so word de Min Bestendigh, en vol-krijght een rechten aert en sin,   94 [1622].
Volkrijgen (II), (scheidb. ww.) 1°. Gevuld krijgen.
Ik krijg de fles nie' vol,   CORN., Bijv. [1938].
2°. In specifieken zin gebezigd: koe die men niet meer volkrijgt, koe die niet meer bevrucht wordt of kan worden (W.B.D. 1, 3, 418 b [Lier, 1976]).
Volkuischen, (gewest. in Vl.-België) heelemaal, ten einde toe schoonmaken.
Mag ik eerst mijnen vloer volkuischen, de schoen volkuischen, eer ik die boodschap doe?   Loquela 14, 48 [Kortrijk, 1894].
Volkunnen, volbrengen, voleindigen.
De principaelste van desen verbondt (dat van knechten om hun kapitein te dooden) zijnde, eenen genaemt P.d.V. …, die om tselve te volbrengen, aen L.d.M. eenen Indiaen … ghesonden heeft geuende hem te kennen, tverbont dwelck onder henlieden ghesloten was ten eynde dat hy … met zijnen volcke zoude aencomen, om bequamelijck tselve te volconnen,   DE ZARATE, Hist. v. Peru 110 b  (ed. 1598).
Volkunstelijk, zeer kunstig.
Ontzachchelyke God, onzichtb're Majesteit …! Hoe word uw Wezen zelf gevoelt … Uit aller dingen stand, zoo louter, en zoo vast; Uit dit volkonstelyk en wonderlyk Gesticht, Daar d'evenredenheid van maat, en van gewicht, En d'ondoorgrond'lykheid van 't talleloos getal, De schoone schets volmaakt van 't heerelyk Heel-al,   OUDAAN, Poëzy 1, 4 [1675].
Volkweeken, tot vollen wasdom brengen.
Het koren op het velt, de kruyden in de weyden, De boomen in het bosch, de bloemen in den hof, Vol-queecken haer gewas tot haren grooten lof: Siet hoe de boomgert-man verfoeyt de snoode tacken Die haer gewaasen fruyt ter aerden laten sacken, Eer dat'et is gespeent: geen boom en is'er goet Die niet sijn teere vrucht tot volle rijpte voedt,   CATS 1, 391 b [1625].
D'eerbiedenis aen 's Prinssen brief was zoo volslaghen als ze behoorde, en de plichtspleeghing daerop gevolght zoo vierigh, als men ze wenschen mocht. Oft zy krachts genoegh hebben zal om de speen te doen zetten, ende die te volqueeken tot een' rijpe vrucht, de tijdt moet ons deswijs maeken,   HOOFT, Br. 3, 16 [1634].
Volkwijten, ten einde toe, heelemaal voldoen, kwijten.
Brengt hun (uw ouders) nu weêr die trouwbewijzen, Aan u, als kind, door hen gespild! Volkwijt uw schuld! — neen, brave telgen, Geen schat die ooit ze kwijten kan; Doch, is de hoofdsom niet te delgen, Betaalt er hooge renten van!   BOGAERS 2, 55 [1859].
'k Heb altijd, tot nu toe, mijn' plichten volkweten, als vader des huisgezins,   Loquela 12, 16 [Kortrijk, 1892].
Vollabeuren, (gew. in Vl.-Belgie) het land zijn laatste bewerking geven, t.w. het trekken van de zaadvoor, d.i. de laatste ploegvoor, om daarin het wintergraan te zaaien.
De afgaande pachter moet gedogen dat de aankomende "in September voor d'expiratie van den lesten jaere sal moghen vollabeuren ende besayen met wintergraen",   bij LINDEMANS, Landb. 1, 142 [Pamel, aangeh. woorden 1589].
Volladen (zie ald.).
Vollast.
Belasting te onderscheiden in: 1. Nulbelasting of nullast. 2. Halve belasting. 3. Volle belasting of vollast. 4. Overbelasting. 5, Onderbelasting,   Electrotechn. Wdl. 36 [1907].
Vollasteren, ten eenenmale veroordeelen.
By de nevensgaende tijdinge zal Duc d'Alva weder voorhouden, ende bedilt worden zijn werk dat swaer om vollastren waer. Deze spiegelinghen, alhoewel ze noch de mijne niet ontdekken die hem den sprongh te grondewaert deedt doen, zijn echter niet ydel oft nutteloos voor de geene, die de bronkraenen naevorssen, daer onze opgangh ujt de ellenden, ende 't verloop der Spaensche zaeken in Nederlandt, ujt gestraelt zijn,   HOOFT, Br. 1, 348 [1629].
Volledig, volleeren, volleest(e), volleesten (zie die woorden).
Volleggen.
1°. Molenaarsterm (gewest. in Vl.-België).
Volleggen, Bij mulders. De(n) meulen vol leggen, de vier zeilen heel en gansch op de roeden openspreiden,   CORN.-VERVL. [1903].
  TEIRL. [1922].
— We gaan werken van den achternoen; ge moogt den meulen volleggen,   in Volk en T. 3, 244 [Z.-Vl., 1891].
2°. Geheel en al bedekken.
Da'k hem liet gewerden, hij zou de tafel volleggen mee zijn boeken,   LIEV.-COOPM. 1649 b [1954].
Vollemaan (zie ald.).
Vollemelksch, van volle melk gemaakt.
Het resultaat (van zeker onderzoek) was: "dat de vollemelksche kaas geen hoogere marktwaarde bezat dan de gedeeltelijk geroomde",   Versl. Rijkslandbouwproefst. 10, 46 [aangeh. woorden 1902].
Vollendammer.
Vollendammer, hij is een —, hij houdt veel van volle flesschen (met wijn of sterken drank),   V. DALE [1872 1898].
Vollendammer, iem., die van een volle flesch houdt,   KUIPERS [1893].
— Het is een vollendammer. (Men zinspeelt hier op de volle wijnflesch),   HARREB. 2, 403 a [1861].
Vollenhove.
Van een royaal huisgezin zegt men wel 't is daar Vollenhove,   STOETT 1104 [1915].
Volleven (I), (ww.). (Het leven) ten einde leven. Soms zooveel als: beleven. In de verb. "den … ouderdom volleven": den … leeftijd bereiken.
Hoort nu noch een meerder vvondere Hoe dese schoon vrouwe creegh een nieu verdriet. Die niet volleeft, en heeft en is niet volschiet,   HOUWAERT, Lusth. d. M. 1, 368 [1582].
Alsulcken straffen leuen als ic hebbe besuert Tot noch toe, schier volleeft, ic nv laten ” wille En alsulcke onruste voortane haten ” wille,   V. GHISTELE, Terent., Adelph. F v r° [1555].
Ach! mijn ghetrouwe, set; en draecht my verder niet: Mijn swackheyt is te groot. Een beeck van bloede vliet My door de wonden af …. Ick heb volleeft, en ben ten eynde mynen pat. Van dese wereldt heb ick wel mijn deel ghehadt,   HOOFT, Ged. 2, 257 [1613].
Noron. Ach ondraagelyke pyn! O wee! Ik sterf. wat raadt? ik moet. en hoe kan 't zyn? Ay goo'n, hoe parst gy my! ik klaag 't myn ziel en oogen. Ach! ach! ik heb volleeft, en ben op 't lest bedroogen! Juliane. Ik ben gewrooken. hy is doodt,   G. BRANDT, Veinz. Torq. 75 [1644].
Dat ghy soo menig jaer volleven meugt en tellen Als Nestor heeft volleeft, wenscht u der vromen schaer Met monde toe en hert: soo wenschen iet mag gellen; Ick wensch'er u slechts een, maer een Platonisch jaer,   DE DECKER 2, 136 (ed. 1659) [1656].
Een Weduwenaer, Lid dezer Societeit stervende, en wettige Kind, of Kinderen nalatende, die beneden de 25 Jaren zyn, zal of zullen dezelve … uit deze Beurze genieten (den voorsz. ouderdom volleefd hebbende, en zulks door hunne Doop Cedullen gebleken zynde) …, een somma van 25 Guldens,   Ned. Jaerb. 1749, 733 [1749].
Gij (zijt) den langen vollen tijd. Van dees vijf en twintig jaren, om den throon van God gevaren, weg van Hem, naar Hem weerom, en den zieken wellekom, met de kracht der apotheken die uit Jezus' herte leken …; schaars bedankt van menschenmonden …; daaglijks met verdriet beloond …; afgemat …, mede aan 't kruis en moegedregen …. ach, hoe is zulk doodgevrocht leven half volleefd gerocht?   GEZELLE (ed. BAUR) 3, 801 [1891].
(Zegsw.).
Zoolang ge niet volleefd zijt, zijt ge niet volleerd, men leert zoolang men leeft,   JOOS 722 b [1900-1904].
  TEIRL. 3, 278 a [1922].
Volleven (II), (znw.) Intens, krachtig en ongerept leven.
Het was een tijd van geestelijke kwijning; van geloof verstoken en voor twijfelen bang geworden; een tijd onder nieuwe en zonderlinge omstandigheden tot een gedwongen halfleven veroordeeld. En wat de ader van dezen dichter (Walter Scott) uitstortte mocht metterdaad een krachtig volleven heeten. De lezer werd naar ruwe, forsche tijden teruggevoerd, waarin de ziekelijkheden van het heden onbekend waren geweest,   BEETS, Versch. 3, 102 [1867].
Volleveren, ten volle leveren, (geheel en al) afleveren.
Bynnen eenen halve jaere …, als hy merckelicken int werck doende is, hondert Philippus gulden; ende nae een halff jaer daernae als twerck over die helfft gewrocht zal zyn, noch hondert Philippus gulden; ende die ander drie hondert Philippus gulden zal hy ontfangen, als hy eerstwerff dat voirscreven gesneden werck geheel ende all vollevert sal hebben,   in Arch. Ned. Kunstgesch. 4, 256 [1519].
Betaelt den 29 Juni aen den orgelmaker 25.0.0. noch betaelt aen den orgelmaker als het werck vollevert was met 50.0.0.,   bij VENTE, Orgel 160 [1587].
Dat … deselve gereconvenieerde gehouden soude sijn te leveren den voorschreven altaer ende twee pilernen … volghens het voorschreven contract ende tot dyen ter saeke van allen de voorgeruerde andere ontbreckende ende nyet volleverde wercken, omissien ende faulten schaden ende interesten daaraff dependerende op te legghen ende te betaelen alsulcke somme van penainghen als deselve … bevonden soude wordden te bedraghen,   in Onze Kunst 1918, 2, 35 [1616].
Seggen … de voornoemde heeren eerst by forma van contra-protest, dat de voornoemde contractanten op veel nae niet en hebben vollevert 'tgetal van de laeckenen, die sy volgens 't voors. contract verbonden waeren te leveren,   in Econ.-Hist. Jaerb. 22, 64 [1637].
Vollezen, ten einde lezen.
Als ick desen brieff (van Hermione aan Orestes) hadde vol-lesen, Hebben dees vier dochters die by my vvaren, My ghevraeght, hoe Hermione met desen Wreeden Pyrrho in 't leste heeft gheuaren,   HOUWAERT, Lusth. d. M. 2, 109 [1582].
Dat den Abt lese uyt den Euangelie de lesse, alle de Broederen middeler tijdt staende met eere, ende vreese, welcke vollesen wesende, dat sy alle antwoorden, Amen,   Reghel v. Bened. 57 [1629].
Zoodra deze Publikatie vollezen was werd ze dadelyk door het Gemeen met een Vivat Oranje! toegejuicht,   Ned. Jaerb. 1748, 618 [1748].
Volliggen.
1°. (Bierbr.) (Gewest. in het L. van Waas en te Gent) Gezegd van bier of vaten, wanneer bij 't eindigen van de gisting de kap zich op den bodem neerzet.
  QUICKE, Brouwersv. [1926].
  LIEV.-COOPM. [1954].
2°. Heelemaal bedekt zijn.
De tafel lee' vol,   CORN., Bijv. 173 [1938].
De tafel ligt vol mee zijn boeken,   LIEV.-COOPM. 1649 b [1954].
Vollijden, bij HOOFT aangetroffen in de bet. ten einde toe dulden, standvastig doorstaan, in de aanh. bep. als vertaling van lat. in perpetiendis suppliciis.
Niemandt … van d'andere Hondertmans en heeft zich in 't vollyden der straffen, lafhartigh gedraagen. Dan F. Rufus en hadt den zelven moedt niet, maar heeft ook zijn kermen in zyn' uiterste wille gestelt,   HOOFT, Tac. 285 [c. 1635].
Vollijvig.
1°. Van menschen, dieren en vruchten of gewassen: goed in het vleesch zittend.
  PLANT. [1573].
  KIL. [1588-1605].
  BINNART [1659].
  WEIL. [1790-1811].
— Ende na thien dagen hebben haer aensichten (die van Daniël, Hananja, Misaël en Azarja) gheschenen beter, ende volliuiger dan allen den anderen dye daer aten coninclike spijse,   Bijbel v. Liesveldt, Dan. 1 C [1526].
Gheheel de bende van H. … (verghaerde) up de Vrindachmaerct, al ghewapent ende up haer chierlicste ghemonteert …; daer veel edelmannen onder waren …, hebbende … veel fraeije frissche peerden zeer vullijvich ende steerck in alles,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 2, 100 [1567].
Tis goet voor den genen die uyt drooghen, want sy worden daer van (van "Kullekens cruyt water") weder sterck, ende vol lijvich,   PH. HERMANNI, Distillierb. E ij r°  (ed. 1622).
Dat die (Cacao-vruchten) met de witte schillen gezetter, vollyviger, of meer in een gedrongen zyn als de twee andere,   V. RANOUW, Kab. 5, 86 [1721].
Ge zegt dat hij mager is? …. Nee, hij is, dunkt me, nogal vollijvig,   CORN.-VERVL. 1396 [1903].
"En schoon", vollijvige koei,   Ald.
De tärf es dees jouër schoeën vollijvig,   TUERL., Hagelandsch Idiot. 702 [1886].
Eenmaal aangetroffen in den zin van: volgroeid, volwassen.
O Heer, gelijck ghy weet, in al mijn druck en swaerheyt En heb ick nimmermeer verlaten uwe min. So wendet uwe vlijt om wacker te versorgen Mijn schapen die alree vollyvich sijn en vast,   REVIUS, Over-Yss. S. 225 [1630].
2°. Corpulent, zwaarlijvig; vaak in pejor. zin.
  PLANT. [1573].
  KIL. [1574 1605].
  BINNART [1659].
  HALMA [1710 1758].
  V. DALE [1872 1898].
— Als ick met hem vuertijds hadde alianche, Ende hi mi toe boot zo menighen smeeck, Loos en valsch inden grond, Al omme wasse ick een, ten auendspele, ten danche, Vulliuich en vet, naer der maeghden usanche: Nu ben ick maghere onghedaen en bleeck,   DE CASTELEIN, Const v. Rhetor. 175 [1548].
Dit ("in meerder swaricheyt" te "vervallen") komt de vollivige over: en hoe veel swaricheydts hier uyt ontstaet, blijckt by Hippocr. daer hy schrijft vande gestaltenisse der worstelaers. Tis gebeurt, dat yemant door volheyt stom geworden was, ende door het laten alleen, weder tot de spraeck quam,   EGBERTSZ bij DODON., Ars Medica 26 b  (ed. post. 1624).
De aermoede, in de welke wy scheenen te leven, dede onze leeringen by het kleyn volk toenemen en gelooven; en alzoo deden wy hun de straffen der helle vreezen …, lessen van onderwerping en geduld, die zy zekerlyk uyt den mond van eenen vollyvigen Kanunning nog van eenen zorgeloozen … Munning zouden ontvangen hebben,   BROECKAERT, Borgers 34 [1798].
In het Gron. nog in een specifieken zin.
Vollieveg, opgezet, gezegd als de buik vol staat van eten of van wind; blazzeg in 't laatste geval,   TER LAAN [1929]
 [1952].
Hierbij: vollijvigheid, corpulentie.
  Dict. Tetragl. [1562].
  KIL. [1599].
  KIL. [1605].
  BINNART [1654].
  HALMA [1717].
  WEIDENBACH [1808].
  V. GELDEREN [1909].  [1918].
— Al dat zy (de vrouwen) hebben … Dats, dat zy hem vonghen cuenen onder den man, Van al haerlier abelheit es dat tprincipale: Noch eist zonder bybliuicheit. Bemercken zy an eenen anderen meer vulliuicheit, Dan an haerlieder lief? Greit hemlien de conditie van eens anders bedriuicheit? Schuerd ghy uwen brief,   DE CASTELEIN, Const v. Rhetor. 194 [1548].
De vollijvicheyt eens lichaems vereysschet van wegen haers wesens, datter moet bloet af ghelaten worden, ende dat door een aenwijsinghe van zijnder contrarieteyt,   PARÉ-BATTUS, Chirurgie 35 a [1604].
Volloonen.
1°. In de aanh. bep.: heelemaal goedmaken, ten volle verschoonen.
Sargant V feyt (een moord) is niet te schoonen. L. K'en roep geen soen. A. V leven noch u bloet en connent niet vol-loonen Flucx helpt hem van een cant, in svvaer gevanckenis,   KOLM, Batt. Vriendensp. H 4 v° [1615].
2°. Ter volle beloonen.
In Diane, en 't ander kint Met den valck, ter jaght gezint, Ziet men noch de grootmoêrs blyde, Witsens dochter, en Alyde, Boelens kint, die, noit volloont, Waerdigh zijn met lof gekroont,   VONDEL 7, 734 [1658].
Volloopen (I), (onscheidb. ww.). (Een weg) helemaal tot het einde toe afleggen, (een loop) ter einde brengen.
Dat Godt de Sonne een Hutte bereydet heeft in den hemel, daer uyt sy des morgens … voort comt, ende sich stelt als eenen Helt om te loopen; ende nae dat sy haren wech volloopen heeft, dat sy dan wederom in haer Hutte ofte slaep-camer keert,   LANSBERGEN, Bedenck. 21 [1629].
Den loop volloopen, den kamp volkampt, en 't geloof behouden hebbende, zult gij de kroon der geregtigheid ontvangen,   MULDER, J.F. 1, 124 [1857].
Volloopen (II), (scheidb. ww.). Vol worden met of door iets wat binnenstroomt.
  V. DALE [1872 1914].
  KOENEN [1913 ].
— Heden wast hier (te Torzjok) een heylige dag bij haer of liever een drinkdag; seecker de gantsche stadt waere volgelopen. Alwie ons bejegende was droncken, selfs ook meenichte van vrouwen,   WITSEN, Mosc. Reyse 87 [1665].
Byzondere giften, van Grooten gaven de Troep (van Fransche comedianten) gelegendheid van zo op straat als op het Theater deftig voor den dag te komen. De Logies verblinden de oogen met de swier van opgepronkte Dames, en deden door de verdubbelde aangenaamheid van 't spectakel 't parterre vol loopen,   V. EFFEN, Spect. 1, 92 [1731].
Hoe vreemd … een aanzien … de buitenkant ook had door het drijvend … vaatwerk …, en de pogingen, om de bedreigde of dadelijk reeds volgeloopen kelders te ontledigen, eene akelige vertooning …, veroorzaakten, veel grooter echter was de schrik, dien de doorbraak van den … Diemerdijk …, door geheel Amsterdam verspreidde,   LOOSJES, Lijnsl. 4, 177 [1808].
Klaasje voelde, dat haar oogen wederom vol liepen; zij … snelde … naar haar kamer. Zij had als kind dikwijls harde bestraffingen en verwijten … moeten verduren, maar zich die nimmer aangetrokken gelijk thans die van de zuster haars weldoeners,   V. LENNEP, K. Zev. 1, 275 [1865].
Haar linkerwang droeg een oogenblik, waar de knokeldruk (van haar vuist) had geklemd, een rij doodelijk witte indrukken, die dan dadelijk als met een toornig bloed vuurrood kwamen volgeloopen,   SCHART.-ANT., Huis vol Menschen 437 [1909].
Is de toevoer van inkt te groot, dan kan dit tengevolge hebben het z.g. volloopen van den vorm, d.w.z. dat de openingen in den lettervorm, … met inkt gevuld en zoodoende de afdrukken onoogelijk en onzuiver worden,   WINKLER, Handwdb. Graf. V. 274  (ed. 1920).
Vollossen, (bouwk.) door storten geheel en al met aarde vullen.
Men (moet) het gat, daar het storte-bed in legt, van beide de enden naa het midden toe gaan vernaauwen …: men heyt daar in het rond met een halven cirkel, zwaare juffers, daar dan horden van binnen tegen vast gemaakt worden (het geen een Kooy genoemd word), deeze Kooy lost men vol met vette kloet-aarde,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 5, 571 [1760].
Men (moet) by laag water aan wederzyden van die volgeloste Kooijen beginnen te bermen met rys en aarde; en dan wederom met diergelyke te maakene Kooijen voor uitspringen, tot dat eindelyk het gat op den plasberm maar 4 of 5 Roeden meer wyd is,   Ald.
Volloven, geheel en al naar waarde loven, volprijzen.
  KIL. [1588-1605].
  D'ARSY [1651].
  HEXHAM [1678].
— Hoe mochtmen dijn weerdicheijt ijmmermeer vollouen sint dattu (Maria) met dijnre reijnre minnen ghedwonghen hebt den heere bouen alle heeren in dij te comen in armoeden van dij gheboren te werden wter weelden van sijns vaders rijcke,   Diets Gebedenb. 213 [151.].
Inden inwendighen tempel haer sielen daer woonden si ("Onse lieve vrouwe"), ende keerden al haer crachten daer in, ende daer aenbeden si haren enigen soon inden geest ende inden waerheyt. Sij bekenden dat si hem niet vollouen en conden weerdelick daerom begeerden si dat hi hem seluen in haer louen en weerdichden,   Evang. Peerle E i r° [1537].
Hoe sal ick toch ten eynde toe vol-loven Die doch in schoonheyt gaat de schoonste var te boven,   BREDERO 2, 70 [1615].
De hooghste wijsheit en voorzienigheit van boven Is van geen schepselen in't schepsel te volloven, Veel min te lochenen, naerdienze ons alsins blijckt, En krachtigh tegenstraelt, en nergens in bezwijckt,   VONDEL 9, 490 [1662].
't Zijn daden, die den Heer voldanken, volloven zullen; die zoo zoet een weldaad ons genieten doet,   GEZELLE 3, 714 [1894].
Volluid, zeer luid.
In de gang hoorden zij haar vol-luide stem bevelen: "Marian … Marian! Ga jij naar Fransje, dan ruum ik benee wel ferder op",   NAEFF, Dochter 77 [1905].
Volmacht (zie ald.).
Volmaken (zie ald.).
Volmans (accent op laatste lettergreep), krachtig, sterk als een man, tot vollen wasdom gekomen. Alleen dial. in Groningen (MOLEMA [1887]. MOLEMA (hs.) [1895]. TER LAAN [1929 ]).
Volmatig, ten volle.
Ick sughte by my self: ô Goddelick gedult! O, sey ick, wat staet hier een uytslagh te verwachten, Wanneer het Oordeel (het vellen van een eikeboom) sal volmaetigh sijn vervult!   V. DORP, St. Ged. 92 [1679].
Volmelken, door te melken vullen.
  GOOSSENAERTS [1958].
— Zij verwierp de gedachte met een inwendig besluit, zóó krachtig dat ze — opschietend van onder de koe, waar ze bij haar volgemolken aker te dubben zat — haar pikkelstoeltje in den hoek schopte en het zware … dier, vrij onzacht ter zijde stiet,   LOVELING, D.E. 139 [1891].
Melkt den eemer vol,   CORN., Bijv. 173 [1938].
Volmensch, in de aanh. zooveel als: volmaakte mensch.
Een bezieling en overtuiging in haar stemmen en oogen die ze maakte tot bewuste volmenschen,   SALOMONS, Meisje-studentje 26 [1907].
Vandaar: volmenschelijk.
Wij beseffen dat een mens, aan wie geen verantwoordelijkheid wordt toegeschreven, niet vol-menselijk is. Een misdadiger is geen monster, geen patiënt, geen objekt. Het is een medemens, die wij hoogmoedig van ons stoten als wij hem geen verantwoordelijkheid toekennen,   NAGEL, Strafrecht 29 [1956].
Volmergd, vol met merg.
Vol-merchd' en vette offerhanden Sal ick u schaffen op't altaer, Den Ram soet-geurigh op doen branden, En stellen Oss' en Bocken daer,   CAMPHUYZEN, Ps. 66, 5 [c. 1626].
Volmerken, ten volle waarnemen.
Hoe sal ick heere, dees wijsheyt volmercken Onder haer vlercken (die van de wijsheid) ” woont niet dan beuredinghe,   Antw. Sp. K iiij r° [1562].
Volmeten, meestal in de verb. de maat volmeten, ten volle uitmeten, geven zooveel maar verlangd kan worden.
Laet die stranghe rechtueerdicheyt comen ende eyschen van mi satisfactie, ghenoech doe, na die wterste rigorose betalinghe, ick sal haer meer gheuen dan si mach eysschen. Laet ooc die charitate eysschen, van my die alder hoocste wercken der charitaten, ic salse ouervloedelijc haer mate volmeten. Want ic dorst rechtueerdicheyt, ic dorst charitate,   ROECX, Gheest. Steen N i v° [1577].
Ghelijckerwijs iemandt wonderlijck bequaem … tot het wandelen zoude moeten gherekent zijn, die te voete zoude reysen tot het eynde der aerden, daermen gheen landen meer en zoude konnen beooghen, om te doorloopen: soo moetmen hem diesghelijcks oock achten te wesen Moghende boven maten, die 't slot ende 't eynde verkreghen heeft van alle begheirten, ende die tot de volghemeten voldoeninghe gekommen is van sijnen wensch,   DE BUCK, Boët. 193 [1653].
Ze (zekere juffrouw) is my lief geworden wyl ik zie dat zy haare … onvergeefelyke Behandeling zo betreurd. Nu zou ik haar de maat eens volmeten; & als ik in de stad kom, een koets aan de N. Stadsherberg laaten komen, die my by haar bragt; want ik ben overtuigd, dat zy my in de presentie van anderen niet voor de eerste reis zien kan,   WOLFF en DEKEN, Br. 178 [1776].
Wat wonder eindelijk dat in eene eeuw die den Souvereinen zoo gestadig voorhoudt dat zij slechts de opperste magistraten des volks zijn, 'er zich eindelijk eens een heeft opgedaan, — welhaast misschien twee, want Charles Jean (Karel XIV van Zweden) meent ook dat hij zijne vier kamers de maat volgemeten heeft, — die van de bevoegdheid gebruik maakt, welke nooit aan eenen magistraatspersoon betwist is … en dus zijne demissie neemt,   FALCK, Br. 388 [1840].
De maat van 's meesters ongerechtigheid werd ten slotte volgemeten door zijne vrouw. "Kostersche" … was een ongemeen boos wijf, die ruzie maakte met de buren, met het gansche dorp en met iedereen,   Gron. Volksalm. 1912, 58.
Vandaar: volmeting.
Hem (stondt) geen anderen weg open dan bystand van den Souverain te verzoeken tegen de Verhinderaars van het verrigten der Protestantschen Godsdiensts …, die tot volmeeting der maate van balddaadigheid en terginge, zich niet ontzagen op een Zondag, onder veel getiers …, te V. te verschynen, en wel voorzien van zwaare Stokken,   Onmidd. Verv. op WAGEN., Vad. Hist. 2, 330 [1789].
Volmetselen, met metselwerk (op)vullen, dichtmetselen.
De tusschenruimten der zwalpen worden tot gelijk met den bovenkant volgemetseld met waterdigt metselwerk, bestaande uit klinkerts in sterken tras,   STORM BUYSING, Waterb. 2, 231 [1845].
Aan den achtergevel (van een stadhuis) zijn twee, aan den N.O. gevel … en den Z.W. gevel ieder vier ramen, welke volgemetseld waren, opengebroken, terwijl twee ramen aan den achtergevel …, welke … later uitgebroken waren, weer zijn volgemetseld,   Bull. Oudh. Bond 1899-1900, 89.
Vandaar: volmetseling.
De vloer (van een sluis) kan niet worden opgeligt (door het water) of de zwalpen moeten doorbuigen en de volmetseling of aanrasering moet mede worden opgeligt,   STORM BUYSING, Waterb. 2, 232 [1845].
Volmetsen, hetzelfde als volmetselen. Al metselend voltooien.
't Gemeen … was zeer wanraadighlyk bedient, dewylmen, zonder de wankelbaarheid der Fortuin te betrachten, neering voor erf reekenende, neevens een Raadhuis, volmetst met Koninglyke kostelykheit, noch om alle steeden van Europe in pracht van vesten t' oovertreffen, die zwaare wallen, met vierkant gehouwe steenen opgehaalt, en zoo ryk een' stadt, in volle vreede, ten achtere zet,   HOOFT, N.H. 154 [ed. 1642].
O Maagdelijk gebouw, daar menschenvamen, hoe kundig en hoe koen, nooit aan en kwamen; 't is God die 't bietje leert en leisent hoe 't zijn edel zeemgebouw volmetsen moet,   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 586 [1895].
Volmoedig, met vol gemoed, hartstochtelijk, geestdriftig.
Venus schilderije … devvelcke … hem soo verre heeft vervoert gehad, dat hy … ten laetsten in dêes volmoedige vvôorden is uytgeborsten: O geluckige God Mars, die om harent vvill gebonden, en tot spot gemaeckt zijt!   JONCTYS, Liefdb. kr. C i r° [1639].
Volmoeten.
Volmoeten, moeten gevuld worden,   CORN., Bijv. [1938].
Volmogen.
Volmeugen, mogen gevuld worden,   CORN., Bijv. [1938].
Volmondig (zie ald.).
Volsmonds, luid, krachtig, uitbundig.
D'omstanders konden niet wachten tot de Redeneerster uit had; maar een groot geroep verheffende, begonnen zy den onbeschaamden popperuiter volsmonts uit te lachen,   DE BRUNE, Wetst. 1, 82 [1644].
Volna (zie ald.).
Volnoeg, genoegzaam, in voldoende mate.
De coude Zee sal branden, Tot pol ver-asschen, deur beroerten, of verdvvijnt, Gerechtheyt sy u Zon, die elcx vol-noegh beschijnt, Na volle Eerkents plicht, de deuchden t'onderhouvven, O onsalige eys: O vvanckelbare Vrouvven, Onvvinnelicke Ziel,   KOLM, Batt. Vriendensp. G 3 v° [1615].
Volnoegen (I), (ww). Volkomen voldoen, geheel en al bevredigen.
Dat oft gebeurde dat denselven Prince (de broer van de gravin van Buren) los quam, dat men hem, totte administratie van sijn eygen goederen niet en souden admitteren voor ende aleer hij heml. (de gravin van Buren en haar echtgenoot) soude volneucht hebben volgende het testament van haer moeder,   DUYCK, Journ. 1, 362 [1594].
Rey van Hemellieden. O Heylighe Drietal ("Eendracht, Trouw en Onnooselheyt") wellekom, Die 't wereltlyck beswaeren Komt ontvaeren: En hebt den wech ghekooren, om Met ons volnoechde schaeren, Te vergaeren. Op opwaerts stycht, al hoogher,   HOOFT, Ged. 2, 230 [1613].
Voor al uw weldoen … en is u niet met allen Dan dese goede lof alleen te loon gevallen: Daer ghy noch noyt nae stondt: volnoeght en soo te vreên Met uw gewetens roem, dat in uw leven scheen Oft naulijx yemandt van soo veel verdiensten wiste,   1, 161 [1616].
Alvooren te bedingen, en verzeekert te zyn van de Heeren (de Hollaudsche edelen), dat zy, als volnoeght met deeze drie punten (betreffende den godsdienst), zich met alle vlyt zouden te koste leggen, aan de behoudenis van den Godsdienst en rust des landts,   HOOFT, N.H. 96 [ed. 1642].
Vandaar: volnoeging, voldoening.
Waer toe uwe Majesteyt ghelieve, dat van soo veel remedien alsser zijn, daer een alleen werde ghegheven, op dat ick t'voorghestelde erlanghen mach, waerschouwende dat men my in alles seer redelick sal bevinden, ende ick sal in alles volnoegingh gheven,   H. GERRITSZ., Samoyeden 46 [1612].
L. Wenst … me Vrouwe veel gesontheyt van heur vrient, Maeght. Hoe heer Laselua? k'vveet vvat dencken, noch ten dient Des sins volnoeging niet, my dus te senden buyten t'Gerucht loopt op ons feyt, vvaer sal ick my besluyten?   KOLM, Batt. Vriendensp. H 2 v° [1615].
Volnoegen (II), (znw.). Voldoening.
Gewichtighe bccommeringen, de welcke … God Almaghtigh gedyen laete ter gelucksaelighede deses Vaederlandts, en volnoeghen van U Ed.,   HOOFT, Br. 1, 113 [1616].
Ick hoop dat de handel van stilstant niet t'eenemael overstujr drijft. God geef hem gelukkelijk af te loopen, ende U E. 't volnoeghen haerder goede begeerten,   2, 26 [1630].
Volnoegendheid, voldoening.
Al stonden sy (de Zaligen) in alle eeuwigheydt, dat en soude hun niet pijnelijck … wesen, maer eer een wonderlijcke rust met een gheduerighe blijdschap ende volnoeghentheydt zijn, meer dan of sy in het saeghste bedde laghen,   DE SMIDT, Wonderh. 69 [1639].
Voloefend, door geregelde oefening volledig bekwaam.
So is … beslooten, om de Hoofd Officieren … so te voet als te paarde …, om-se … in de wapenhandeling … ervaren en voloefend te maken, hun te vergunnen … tweemaal ter week op grov en kleinwild ter jagt te mogen gaan,   Kaapse Plakkaatb. 1, 247 [1688].
Volop (zie ald.).
Volpakken.
1°. Geheel en al (met zaken, soms ook met personen) vullen. In de 1ste aanh. blijkbaar een onscheidb., voor de rest een scheidb. ww.
Den vryman (zal) gehouden wesen te gaen op alle werken, daer men pact (t.w. haring), ende aldaer gelijcke dobbelinghe te doen ende dien uuyt den Wercke te nemen, die met de meeste ooghen de dobbelinge toegevallen is, midts dat de geselle, uuyt den wercke gaende, gehouden wort alsvooren zijn begonste tonne te vulpacken ofte te sluyten ende dichte te maeken ende anders nyemant zal daerinne dobbelen, zoo menich last harincx, zoo menich man,   R.G.P. 75, 768 [Middelburg, 1565].
Beleght de Kiste onder, daer in dat ghy het Lichaem leggen wilt, met dese naervolghende Cruyden: Neemt Tymus, Roosemarijn, Alsene, Lauendel, ende Sauie, van elcx euen vele: Als nv dit voorsc. Lichaem daer op geleyt is, so suldy de gantsche Dootkiste met de voorschreuen Cruyden, wel dichte volpacken,   BATTUS, Handb. d. Chirurg. Dd iiij r° [1595].
Die de stad konden verlaten haastten zich … om … een goed heenkomen naar een der hollandsche steden te zoeken. Dag en nacht werden schuiten en wagens volgepakt,   DE BEAUFORT, Geschiedk. Opst. 1, 134 [1884].
2°. Gewest. in Vl.-België.
Volpakken. Z. Volhebben. ("op heeterdaad betrappen, bezig vinden met iets"),   JOOS 722 b [1900-1904].
Volpeinzen, ten volle bedenken, volledig met zijn gedachten omvatten.
Dauid leert ons dat tflammich vier voor God sal staen. Tes zoo warachtich tzal staen als een hangman voor de vierscare om iustitie te doene ouer de bucken. Och en wie zal mueghen vulpeinsen den dagh zijnder comsten,   DE BACKERE, Tsamenspr. 55  (ed. 1576).
Volpekelen, geheel in de pekel leggen of zetten, volledig inzouten.
Zy (de kuipers) (sullen) den harinck packen ende die tonnen ploggen ende spylen in drie steden, ende peekelen den harynck vol,   R.G.P. 75, 364 [1533].
Naer de packinge sullen sy commen dichten denselven harynck ende binden de tonnen met zesthiene houpen …; zy sullen desen harinck dichte houden, totdat zy vercocht wart, ende sullen den harinck telcke 14 daghen ommerollen ende volpeeckelen,   75, 365.
Volpersen, onder druk vullen.
Hy (de landbouwer) hoort in 't eenzaam dal zijn runderdriften loeien; Perst zuivre kruik by kruik met nieuwe honig vol; Ziet emmer, kuip, en mout van vetten zuivel vloeien; Of scheert het waglend lam, dat neêrbuigt van de wol,   BILD. 13, 188 [1809].
P. was in gevaar van smoren, Zoo perste gramschap hem de kloppende aders vol. Hij stuift de huisdeur uit, als dol; En 't uur van zijn siesta gaat verloren, Eer hij tot adem keert,   STARING 2, 94 [1832].
Volpijnig, van pijn doortrokken.
Elk een denkt by hem, ik heb mijn Heer gevangen, Ik heb hem selfs verraen, en aen het Kruys gehangen, Hy is door mijnen mont, verwesen buyten reght, En door myn eyghen hant, met nagels vast geheght. In elken droeven trek, van sijn volpynigh wesen, En kan ik anders niet, als mijnen misdaet lesen,   DE GROOT, Bewys enz. 208  (ed. 1683).
Volpijpt, (alleen in dezen vorm aangetroffen) (van koren) volgroeid.
Der hooffmeester van myn heer v. S. heeft gecocht … voer myns heeren peerden het coern van twee vaet, wellich coern noch nyet volpypt noch volcoernt en was,   MUNTERS, Dagb. (ed. GRAUWELS) 79 [1538].
Volpissen, al waterend met urine bedekken of vullen.
Permingo, Ic bepisse, ic pisse vol,   SERVILIUS, Dict. Trigl. GG 8 v° [1552].
Volplakken, al plakkend overdekken.
De muur was volgeplakt,   CORN., Bijv. [1938].
Ze zullen de muren vol plakken mee affichen voor de kiezinge,   LIEV.-COOPM. [1954].
Volplant, (alleen in dezen vorm aangetroffen) overal met planten volgezet, van planten voorzien.
't Staat hier àl vulplant,   TEIRL. [1922].
Volplechtig, zeer plechtig, stemmig.
(Ada van Holland:) ô Holland! … Zoo juichend by 't gezag van mijn', van uwen, vader! ô Hoor zijn teedre spruit in dit volplechtig uur! — Men streed op Adaas naam om 't Graaflijk Staatsbestuur …; mishandeld, en vertrapt: Maar … haars Roovers klaauw ontsnapt; Keert ze, om uw' wettig' Vorst haar eerbied op te dragen …! Ik zweer hier … alle tytels af,   BILD. 4, 72 [1808].
Volpleisteren, heelemaal (met gips of kalkspecie) bestrijken.
Sal den aennemer alle de beelden aen het stadthuys … naer behooren schoon maken … en die soo herstellen ten besten dat kan gedaen worden, hier en daer wat afkappen en wat vol pleysteren met goede supstansy, soo dat behoort, met de pidestallen, daer de beelden op staen,   in Oudh. Jaarb. 1932, 10 [c. 1696].
Volpluimd, volledig van veeren voorzien.
Zie 't moschjen dat in 't nest zijn jongskens beurtlings spijst, En elk de zelfde zucht, en even teêr, bewijst, Doch afbijt wie volpluimd de slagpen weet te roeren, Om zich door bosch en beemd met eigen kost te voêren,   BILD. 7, 319 [1828].
Volplukken, al plukkend vullen.
Al volgeplukt, de mande drukt mij riemvaste op de leden,   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 119 [1881].
Volpompen, al pompend vullen.
Volpompen, door pompen vullen,   CORN., Bijv. [1938].
— De Botteliers-maet, gingh … met sijn vaetjen 's achter-middaeghs in 'truym, en soude dat vol pompen, om alsoo 's anderdaeghs 'smorgens aen de gasten, yder een half mutsjen, uyt te deelen,   BONTEKOE, Iourn. 11 [1639].
Mijn vriend H. — kijk, daar plompt hij In 'k weet niet wat zwavelbad, En daar slurpt hij en daar pompt hij 't Lichaam vol met stinkend nat,   GOEVERNEUR, G. en R. 275 [1859].
Een kuipe volpompen,   LIEV.-COOPM. [1954].
Volponden, ten volle waardeeren of schatten.
Christus liefde niet om vulponden, dwijnght My hem te minnene, wiens charitate groot, Lijf en ziele te mijnder bate boot: Gheen druc ter wærelt mijn herte benaut, zwaer,   Gentsche Sp. NN 4 v° [1539].
Volprijzen, naar volle waarde of verdienste prijzen.
  KIL. [1605].
— O Maria wye zalhu, claerheyt naer weerden Vul eeren vul prysen, vul daucken, vul louen? Want ghy als claerheyt ghaet te bouen. Alle claerheden der weerelt, moeten voor hu falen,   EVERAERT 399 [1511].
A. (een schilder) (maeckte) … eenen Abraham, staende om zijn soon te offeren, en dat met sulcken vlijt, dat dit t'best van zijn leven gheacht worde. In den ouden sagh men merckelijck t'oprecht gheloove …. D' actitude, cleedinghe, leersen, en ander dingen, desen Abraham aengaende, waer niet wel te volprijsen,   V. MANDER, Schilderb. 126 b [1604].
'k En weet niet wat het is, of mijn verstant komt naecken, Myn vlugge pen staet stil, ick sien, 'k en kan niet raecken Tot 't gene dat ick wensch: want 'k noyt volprees den man, Die meer doet voor Gods Kerk, als door sijn krachten kan,   in Haarl. Bijdr. 6, 125 [1715].
Voor mijn onschatbaar kind ben ik niets, 't zij tot bestuur, raad, of hulp. Ach, waardste Vriend, bid voor hem en zijn nooit te volprijzen moeder, wier gelijke in hart en verstand ik nimmer gezien of ontmoet hebbe, en die 't hoogste goed op aarde is dat de Algoedheid my schenken kon,   BILD., Br. 4, 328 [1829].
Vaak in de verbinding nooit volprezen, nooit genoeg geroemd.
Den weerdighen en noyt volpresen Leeraer C. v.d. S. der Societeyt Iesu, die in het selfde Orden blinckt als eenen steen oft diamant op een Conincks Croone,   IOSEPH A S. BARBARA, Gheest. Kaertsp. 9 [1676].
Geen regtgeaard Hollander … zal aan den Grondlegger van onze Vryheid, aan den nooit volpreesen Willem I, onsterffelyke gedachtenis, als een dwingelandy toereekenen, dat hy … de Jagt aan de Mechanique ambachten heeft onthouden,   DIERQUENS, Brief a. J. Rendorp 15 [1778].
Heilig is zy, nooit volprezen, die oneindige genâ, Ons door 't bloed Uws Zoons verworven, toen het vloeide op Golgotha,   V. LENNEP, Poët. 7, 82 [1827].
Ô Heilge tijd van onverwelkbre glorie! Met gouden lettren praalt ge (de 17de eeuw) in Nederlands historie. ô Nooit volprezen eeuw van kracht en heldenmoed!   SPANDAW 3, 66 [1837].
Volproppen, door (personen of zaken) dicht opeen te duwen (een bep. ruimte) volledig vullen.
  V. GELDEREN [1909 ].
— Foy 't is een gulsich ding soo gulsich staach te soppen, En tot den naars en darm soo beestich vol te proppen. Men overlaadt de maagh, men vult daar me de pens, Men wert op 't lest in als een vercken van een mens,   BREDERO 1, 325 [c. 1615].
Zy (vrekken) verhaasten hun einde, om hunne koffers vol te proppen, en weigeren, het geen tot hun onderstand van het leeven en de gezondheid nodig is, te gebruiken, alleen uit vermaak om schatten te vergaderen, die hen nergens toe nut zijn,   Alg. Spect. 1, 20 [1741].
Wat er ook in het vertrek te vinden ware, men vond er noch easy-chairs, noch divans, noch een van die comfortable zittingen, welke de luiheid der negentiende eeuw heeft uitgevonden, en waarmede de heerschende mode de moderne kamers volpropt,   V. LENNEP, K. Zev. 2, 39 [1865].
Tusschen die eetkamer en die keuken, tusschen die twee ruimten, volgepropt met stoffigen rommel, ging de schichtige bedrijvigheid van Jeanne,   SCHART.-ANT., Huis vol Menschen 80 [1909].
Volraken, vol worden.
  MARIN [1730 ].
— Hoe bitter moet het vallen, wanneer hy (een door zîjn vrouw bedrogen man) de grootheidt van de verongelyking, die hem op de gevoeligste plaats is aangedaan, overdenkt! Moet de maat zyner elenden niet tot de rand toe volraaken, wanneer hy daar by overweegt, dat die hoon van natuure onherstelbaar is,   Alg. Spect. 1, 82 [1742].
Dat in den beginne van de oprechtinge dier Bos de lust, om daar in deel te nemen, niet aan de verwachtinge voldaan hebbende, zulks in 't eerste Jaar nog maar 427 Nommers waren ingetekend, 'er zeven Jaren van de tien zyn verlopen, alvorens het by Articul XI bepaalde getal van 800 Nommers is vol geraakt,   Keuren v. Haerlem 2, Verv. 116 a [1762].
Volrad; zie de aanh.
Volrad, een rad of wagenwiel zonder spaken, uit een houten of steenen plaat gevormd. De ouden, bij welke deze soort van wielen tot het landbedrijf nog al veel in gebruik waren, noemden ze holotrochoi,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1856].
Volramen, definitief beramen.
  HEREMANS [1869].
— Een woordt niet mooght ghy (de hertog van Anjou) ter weerelt brengen, 't en zy u voorgespelt door den Prins van Oranje; een bestek niet volraamen, oft de schets moet eerst verkneedt worden, ten minste gekeurt, by d'Algemeyne Staaten,   HOOFT, N.H. 833 [ed. 1642].
Om den Spanjaardt werk te geeven … zond ze (de koningin van Engeland) F.D. voor Ammiraal … met een vloot van eenentwintigh scheepen … naa Westindie. Als die van Hamburgh vernaamen dat het vedragh (tusschen Engeland en de Nederlanden) volraamt, en deeze toght op handen was, schreeven ze aan de Kooningin, om toezeg te verwerven dat haare scheepen den hunnen de Spaansche vaart niet beletten zouden,   1032 [c. 1645]
Volrapen.
1°. (Mets.) Zie de aanh.
Volrapen. Jeter du mortier jusqu'à refus, Hourdir à bain. Meer mortel dan gewoonlijk leggen, om al die holten aan te vullen en de mortel door strek- en stootvoegen te doen uitpuilen,   V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. [1897].
— Een Bouwmeester moet zoo wel als een werkman verstaan wat rooven, bikken, volrapen, afzetten, plaasteren … en andere behandelingen zijn,   GOEREE, Bouwk. 187 [1681].
Het vertinnen, dat is, dat met de Witstok de gedroogde deel met water besprengt worden, en als dan die bevogtigde plaatsen met kalk doen volrapen, waar door de deelen tot de werkdaad van aaneenhegting bereid worden,   REDELYKHEID, Verh. Mets. 129 [1755].
Om muuren aan de binnenzijden … te bekleeden, of, zo als men het noemt, vol te raapen, neemt men gemeene Schelpkalk met zand, tot eene stevige dikte gemengd, — en Bastaardtras, zo verre de Trasraamen zijn,   Handw. 23, 147 [1806].
Hij (zal) eenige achterkantzijden der kolommen, die door den steenhouwer moeten worden weggekloofd, moeten instoppen en volrapen met basterd tras,   bij V.D. KLOOT MEIJB., N. Kerk 110 [1837].
De contreforten … werden alle met gelijke versnijdingen als de achterkanten der muren (die van een schutsluis) opgemetseld, tot 6 palmen beneden de bovenkanten der muren, en van daar met een vallenden tand aangebragt, met twee platte lagen gedekt en alles van achteren met tras volgeraapt,   V. HARTE, Sluis- en Waterb. 44 a [1852].
Vandaar: volraapsel.
Om muuren aan de binnenzijden … te bekleeden, of … vol te raapen, neemt men gemeene Schelpkalk met Zand, tot eene stevige dikte gemengd, — en Bastaardtras …. Wanneer het volraapzel gedroogd is, worden de muuren dun gepleisterd, of overstreeken,   Handw. 23, 147 [1806].
2°. Al rapende vullen.
Raapt de körf vol,   CORN., Bijv. [1938].
Een mande volrapen,   LIEV.-COOPM. [1954].
Volrecht, volledig, onbeperkt recht.
't Leven behoort yder mensch zoo verre toe, dat hy 't mag beschermen, oock met schade van den aenvaller: dat hy 't mag verbeuren, met misdoen: dat hy 't oock mag ten beste geven voor 's lands dienst. Maer vol-recht heeft niemand over sijn leven: oversulcs zijn altijd in Holland strafbaer gheweest, die haer selve door opset verdeden,   DE GROOT, Inl. 26 b [1631].
Allaudium, of allodium, vry-goed, 't welk met vol-regt den eygenaar toe komt, en niets, 't sy van heer-gewaden of anders schuldig is; on-leen goed 't welk van niemand te leen gehouden word,   KOERBAGH, Wdb. v. Regten 252 [1664].
Vandaar: volrechtig, met het volste recht.
Dat het gevoel van eigen- en volkswaarde zoo diep zijne wortels heeft geschoten in het hart der vlaamsche jongelingschap, dat, om bij allen de liefde tot de moedertaal wêer te laten opvlammen, het volstaan zou, aan deze den rang niet langer te betwisten waarop ze zoo volrechtig mag aanspraak maken,   DE LAET, Vl. Zaak 51 [1866].
Volredenheid, groot begrips- en onderscheidingsvermogen.
Indien de Poeët (Vergilius) zeggen wil, datse (de offerpriesters) met de huyt aftehalen van de ribben, het ingewand, dat is het vleesch, ontblooten, zoo heeft hy een ding tweemaal gezeyd; 't geene, tegen die volredenheyd en verstandigheyd van dien aldervolmaaksten Dichter strijd,   OUDAAN, Roomsche Mog. 404 [1664].
Volreeden, heelemaal klaarmaken, afmaken.
Dat die drapenierders heur werck, dat zy nu in die weer hebben, tusschen dit ende synt Jansmisse naestcomende sullen moeten uytwercken ende volreyden; oft die eer cammen const gemaken, die mocht eer maken ende laten wegen die worpten,   Ambachtsg. v. s-Hert. 1, 381 [1503].
Hoe … vercocht zyn gheweist 104 Leysche lakenen … ghereedt by J., drapier van der Leyde, in de jaerschare voorleden ende ooc eeneghe vulreedt binnen desen jare,   R.G.P. 14, 228 [Brugge, 1503].
Volregenen, met regen vol worden.
De tonne (het waterstuk) is volgeregend,   LIEV.-COOPM. 1650 [1954].
Volregens, regenachtig.
Volregens, Pluuiosus,   BERCKELAER [1556].
Pluuieux. Reghenachtich, Volreghens,   SASBOUT [1579].
Volreizen, al reizend heelemaal afleggen.
Het en is die ronde oft Cirkel niet, vande welcke ick hier spreke. Maer het is dien grooten Omloop, in de welcke dese hemelsche fackel (de zon) … doorrent het heel firmament …. Ende dien Omloop volreyst sy op den tijdt van Achtentwintigh Iaeren,   CROON, Alm. 46 [1665].
Volrekenen, (een rekenboek) heelemaal met berekeningen vullen.
Op taafel leit het reekenboek, Deur vingren, op het reeknen, kloek Niet half volreekent, van heur schat (die van "de Kumasche Sibil"), In schuld, en diese reeds besat,   SIX V. CHAND. 97 [1657].
Volrichten, geheel in orde maken.
De Heer … houde t' saem dijn offeranden Genadig in gedacht, End doe dijn offers t'asschen branden, Als die hy niet veracht. Hy late dy na dijn behagen, Volrichten alle dingen, End dijnen raet, en all' aenslagen Voorspoedelijck gelingen,   MARNIX, Ps. 20, 2 [159.].
Volrijk, zeer rijk.
Vlaanderen … kan zich een heerlijke volrijke toekomst uit den schoot prangen, indien het zichzelf geheel kan hergrijpen, zijn eigen ziel weer bemachtigen,   VERMEYLEN, Opst. 1, 41 [1895].
Volrijm.
Volrijm noemt men het rijm, vooral in de oudere verzen, waarbij klinker en medeklinker rijmen, in tegenoverstelling der halfrijmen, waar het slechts de eerste doet,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1856].
Volrijmen, (in rijmvorm) voltooien.
Beminde Leser, alsoo ick noch bekomen hadde diversche spelen, ende andere gedichten van onsen Amsterdamschen Poët G.A. Bredero, die op weynigh na door sijn eygen handt volmaeckt waren; heb ick dit tot mijn groote kosten laten volmaken, van soodanigen Poët derwelcker stijl best op sijn onvoltoyde werck paste, daer af den vermaerden Poët J. Starter vol-rijmt heeft dit teghenwoordigh Angenietjen,   bij BREDERO 2, 345 [c. 1622].
Volrijp, heelemaal rijp
De Indische Vyg … volryp zynde, is ze geel van kleur als er de schel of huidt afgenomen is, langachtig, week, en zoet van smaak,   IDES, R. n. China 211 [1710].
(Onze voorouders) toonden hunne bescheidendheid in de houwlijk-jaaren, geen kinderen met kinderen parende … maar Echtgenooten in volrijpen ouderdom vereenigende, om sterker en strijdbaarder kroost te verwekken,   GARGON, Walch. Ark. 2, 30 [1717].
Menig volrijpe korenaar schudde het baardig hoofd nog in den wind, de haast verkondigende, waarmede de huisman den oogst had ingezameld,   POTGIETER 6, 16 [1836].
Hierbij: volrijpheid, volledige rijpheid.
Zoo als de gloed der jeugd en de kracht, die toeneemt altijd een spiegel is, waarin de volrijpheid en de kracht, die reeds haar hoogste standpunt heeft bereikt meest met huivering ziet,   BOSB.-TOUSS., Leyc. 1, 37 [1845].
Volrijpen, heelemaal rijp worden.
  PLANT. [1573].
  MELLEMA [1618].
  HEXHAM [1678].
  D'ARSY [1651].
— Ik stort voor d'Alverwoester neêr, Wiens vreesselijke zeis ik me over 't hoofd zie zwaaien Omme, eer nog de air volrijpt, meêdoogloos af te maaien,   BILD. 5, 297 [1824].
Volrijzen, zich heelemaal oprichten, volledig opkomen.
O Vrijdag, goede Vrijdag, eens zag Brugge uw' zonne dagen, door listen en door lagen van slavernij en vreemd geweld benauwd, gekrenkt, omneêrgeveld; maar eer zij was volrezen, vrij Brugge, mocht gij wezen!   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 186 [1887].
Hoe tijelijk uit en schaarsch is uw' beleefdheid; uw lief gelaat hoe ras is 't mij geroofd: ge 'n zijt nog maar volrezen, of weêr af zijt gij, levend licht, gedaald en uitgedoofd!   2, 76 [1893].
Volrinnen, ten einde rennen.
(Aan Paulus.) Ghy hebt door sweet en bloed uw' renbaen eens volronnen: Nu rust ghy sekerlijck; all d'onrust leyt verwonnen,   DE DECKER 2, 158 (ed. 1659) [1656].
Volroemen, naar volle waarde of verdienste roemen.
Lieve Maagd! ô Onder alle bloemen De schoonste bloem die immer plukker wacht! Hoe zal ik u, en hoe de gift volroemen, My van uw hand zoo glansrijk toegebracht!   BILD. 10, 84 [1796].
Volroepen, (R.-K.; in Vl.-België). Zie de aanh.
Vulroepen. Wordt gezeid van iemand wiens drie huwelijksgeboden opvolgentlijk afgekondigd zijn geweest. Hij is volroepen. Ze zijn volroepen maar nog niet getrouwd. Zondag aanstaande zullen zij volroepen zijn,   DE BO [1873].
Volrond.
1°. Heelemaal rond.
Boven de hoofden, hooge over de velden zat de zonne, volrond te warmen; — de zomer was gekomen!   STIJN STREUVELS, Minneh. 1, 140 [1903].
2°. (Bouwk) Aangetr. in de verbinding volronde boog; zie de aanh.
Bij de gewone gewelven worden o.a. gerangschikt: … de cylindervormige — of kapgewelven (Fr. Voûtes cylindriques ou en berceau), ook tongewelven genaamd. Zooals de naam het aanduidt hebben zij den vorm van een halven cylinder; de gewelfboog is een volronde boog, of een gedrukte boog of nog een verhoogde boog,   V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. 117 [1897].
De cirkelboog of volle boog of volronde boog (Fr. arc en plein cintre) is algemeen bekend,   40.
Volruim, zeer ruim.
Ick wil … Dy seggen lof en danck. D' wijl du gemerckt hebst op mijn lijden …. Oock hebstu niet toe willen laten, Dat ick oyt werd gestelt, In 'svijants sterck gewelt. Maer hebst my op volruyme straten, Vrij van des vijants netten, mijn voeten vast doen setten,   MARNIX, Ps. 31, 6 [159.].
Volrustig, in volle rust.
Ja, 'k volg de vaen der Min; 't Is in haer leger, dat ik vecht en overwin. Daer ben ik stout soldaet …. Van hier, gy krygsbannieren! Verschaft aen andren vry en buit en lauwerieren, Volrustig levend op myn aengewonnen goed, Vergete ik oorlogsroem, verachte ik overvloed,   WILLEMS, Nal. 100 [c. 1820].
Wij hebben nog steeds elkaar! … Wij staren, Volrustig in onzen avondgloed Gezeten, op den weemlenden vloed Terug der heengevloden jaren,   V. BEERS, Rijz. Bl. 117 [1884].
Volsabberen, haastig en slordig volschrijven.
Op een Papier, dat volschreven oft volsabbert is, en canmen niet wel wat goets gheschryuen, het eerste gheschrifte soude eerst moeten, zijn gheweert, oft een ander, ende schoon Papier werden aenueerdt,   VRANCX, Wercken v. Maria 2, 58 [1602].
Volsappig (zie ald.).
Volschaakt, wsch. in verband te brengen met schaken (IV) (Dl. XIV, 225) en dan zooveel als: volmaakt aaneengeschakeld, bijeengevoegd.
De voysen van verscheyden aert Zijn met de stoffen wel gepaert, De maet-zangh is'er by ghevoeght, Op dat een yder zy vernoeght; De wijsjes ellick een bekent, Die zijnder mee genoegh ontrent; Indien 't noch niet en is volschaeckt, Gedenckt: Geen mensch en is volmaeckt,   JANSSEN, Chr. Verm. A 8 r° [1645].
Volschaard, in volle slagorde.
  MEYER, Woordenschat [1669 ].
  HEREMANS [1869].
— 't Zijner rechterhandt stelde hy (Hendrik de Groote) een' troep van zeven vanen busdragers te paarde, ende het regement van C., met sommige andere vendelen, tót het getal van twee duizendt vijfhondert t'zamen …. Alles bynaa volschaart zynde, zó werdt het geschut van Navarre geplant op eenen heuvel,   HOOFT, Henr. de Gr. 69 [1626].
Zich zelf vertoonde zy ("zyne Doorluchtigheit" de Prins van Oranje), met de rest van 't heyr, volschaart, op een' hooghte, in 't gezight der stadt,   HOOFT, N.H. 262 [ed. 1642].
D'uiterste schaar was van de zinkroerruiteren van S. …. Om de schermutsing ter rechte handt aan te hechten, waaren … voor de speeren geplaatst drie … troepkens van schutten te paarde …. Doch alles volschaart zynde; als reeds de trompet, onder 't ander speeltuigh van oorlogh opklonk, quam de Heer v. H. aan, met de driehondert Spaanscge schutten hem te vooren toegeschikt,   348.
Volschapen, volmaakt geschapen; van harmonischen, schoonen bouw of samenstelling.
Hoewel gewaet en cieraet oock een volschapen mensch vry veel luister … verleenen; nochtans schijnt de schoonheit, bestaende in gelijckmatigheit der leden en hun verwen, en bevalligheit … door het slechte en eenvouwige kleet hene,   VONDEL 5, 13 [1646].
Noch laet ick eene poos mijn zinnen hier verlocken Door 't aes der schilderye, en 't morgenlicht der jeught, Van d'ongeschape hant volschapen, en voltrocken; Een voorbeelt te gelijck van schoonheit en van deught,   VONDEL 9, 232 [(voor) 1660].
De kuische L. … Heeft by de herderen al vroeg in 't oog geloopen …. zagen ze op haer lichaem, zoo volschapen, Zoo welgevormt van leest, elk wou, als Hippomeen Met Atalante, om haer ook in de loopbaen treên,   ZEEUS, Overgebl. Ged. 143 [c. 1710].
De Veldheer doscht zich-zelv' in 't Vaderlijke wapen. Beminlijk staat die dosch by leden zo volschapen!   BILD. 2, 23 [1797].
Hierbij: volschapenheid, volmaakte schoonheid.
Dat poesligh … albast Des blancken boezems, ô dat sopje Van schaepestremsel, lecker kropje, Ghy noot een' Engel zelf te gast. Doch schoonheit, zonder pit van zeden, Waer slechts een bloote schors: nu zweeft Een geest hier in, die leven geeftt Aen die volschapenheit der leden,   VONDEL 7, 24 [1656].
Het is geen wonder dat de vyant menigwerven Dees schoonheit (de Kerk) vryen quam met een bedrieglyk hart …. Dan zie ik … hoe hy (God) … de werelt uit haer … naven wrikt … Zoo zal myn Vader uw volschapenheên waerdeeren, En zweeren, dat myn trou niet ydel zy besteet (Christus tot de Kerk),   POOT 1, 40 [c. 1715].
(Ik zal) altyt loof en zomerbloemen Schakeeren, als myn Lief verjaert. Want met haer werden fris geboren, Tot hoop en troost in liefdepyn, Volschapenheên, die 't hart bekooren, En heuscheên, die almagtigh zyn,   3, 22  (ed. post. 1735).
Volschatten, naar volle waarde of verdienste schatten.
Dit (Homerus) 's de man, van kenners aengebeden, En waerdigh dat, om d'eer van zijn geboortestadt, Te velde quamen dry en twee paer trotse steden, Toen hy op zijn waerdy geschat wiert, niet volschat,   VONDEL 10, 483 [1665].
Volscheiden, volbracht worden.
  MEYER, Woordenschat [1777 ].
Volschenken, scheidb. en (minder gebruikelijk) onscheidb. ww., al schenkend geheel vol, boordevol maken. Ook in fig. verb.; zie de 3de aanh.
  MARIN [1701 ].
  V. DALE [1872 ].
  KOENEN [1911 ].
V. Wat salmen int schincken onderhouden? A. Int schencken en machmen de croesens niet te vol oft te luttel ghieten, maer altijt meer dan die helft vol schencken,   ERASMUS, Man. Seden c v v° [1559].
Ey laat dat omme gaan, nu Vryers drooge droomers, Gh' en acht maar op de wijn, en vol geschonken Romers, Die immers drinken wil, die drinkt eens op een som, Soo krijghtmen wat int lijf, en kust ook mee rontom,   V.D. VEEN, Zinneb. 294 [1627].
En Nisus zeght: zou Godt … mijn hart Nu wel met zulck een' brant en yver hier ontvoncken? Of is een ieders lust, noit zadt, en noit volschoncken, Zijn Godtheit, die hem drijft? mijn geest wert al een poos Gedreven naer den strijt, om eenmael voor altoos Wat treflijcks uit te staen, en kan dus stil niet rusten,   VONDEL 8, 529 [1660].
Een vollen romer vloog … Daar elk een darde part dan met een teug uit veegden. Bloed had je K. gezien, hoe hy den tulbak leegden, In 't slikken op zijn beurt, dat yder stond versteld …; Zoo ebden 't in de nab, de wijn een heele roe zonk. Uit een volschonke mop heeft d'eerste man een koedronk,   Kl. v. Fijtje 13 [1700].
De Heer Helder … stelde de welkomst der Reizigers met een volgeschonken glas Bourgonje-wyn in,   WOLFF en DEKEN, Leev. 7, 376 [1785].
Bekranst met loof den volgeschonken beker, En drinkt hem leeg, den Rhijn ter eer! Mijn heeren, neen! in heel Euroop voorzeker Groeit zulke wijn niet meer,   TOLLENS 7, 49 [1802].
Zij (hieven) hunne versch volgeschonken glazen hoog in de hand, brachten een eeregroet aan dat schilderij van een schotel, zwolgen een eeredronk zóó welgemeend, dat in één teug hun glazen weer leeg waren,   SCHART.-ANT., Huis vol Menschen 385 [1909].
Volschepen, (een schip) geheel en al vullen.
In welcke plaetsen die coopluyden … ider mael sulcx sullen mogen lossen ende weder inneschepen, als 't hen goet duncken, ende alsoo 't voorsz. schip wederom affladen ende volleschepen met waren ende coopmanschappen tharen gelieven totte volle ende bequame ladinge toe,   in B.H.G. 37, 189 [1598].
Ik die schipper voornoemt (sal) in alder diligentie … seylen en verseylen tot Archangel 't verste om te lossen en te laeden op alle plaetsen naer believen, totdat 't voorsz. schip op sijn leste laetplaetse affgelaeden ende vollegescheept sal wesen met salm, traen off andere waeren,   in Econ.-Hist. Jaarb. 2, 267 [1623].
Volschieden, ten volle geschieden, volbracht worden.
  KIL. [1588].  [1605].
  MEYER, Woordenschat [1669 1688].
— Het Spaens crijchsvolck, dwelck de Cardinael.. sochte te behoudenen om door hen hulpe met gewelt over te bringen de Inquisitie ende Bisdommen, insgelijck te doen volschieden de overwreede vervolgingen,   in FREDERICQ, Pamfl. 26 [1568].
Om d'executie over hem te doen volschieden naer inhoud van het vonnis,   Cost. v. Brussel 1, 38 [1570].
In de volg. aanh. zooveel als: tot volle ontplooiing komen.
Hoort nu noch een meerder woondere Hoe dese schoon vrouwe creegh een nieu verdriet. Die niet volleeft, en heeft en is niet volschiet,   HOUWAERT, Lusth. d. M. 1, 368 [1582].
Hierbij: volschiedenis, tenuitvoerlegging, verwezenlijking.
Overloopt eens de voorsz. schandelicke voornemingen ende besiet ofter onder ulieden ooc eene can gewesen, dien sy (de Spaansche onderdrukkers) door hen onrechtveerdige recht niet en sullen cunnen veroordeelen. Wilt ghi versekert zbn, dat hen meyninge dien articulen is inder waerheyt gelijcformich, besiet ofter ooc eenen onder is, tot volschiedenis vanden welcken sy niet alreede wreedelijck en hebben begonst te verstane,   in FREDERICQ, Pamfl. 26 [1568].
Volschieten (zie ald.).
Volschilderen (I) (onscheidb. ww.). Al schilderend voltooien.
Al wat de Wet hadde ghegeven in schaduwen, en ghelijck rouwelijck ontworpen ofte gedoot-verwet, dat heeft hy (Christus) volschildert. De Wet seydt: Ghy en sult niet dooden. Christus seydt: En weest niet t'onrechte op uwen Broeder toornigh. Even ghelijck een Schilder de eerste Lineamenten en afteyckeningen niet en verdestrueert, maer verclaert en vervult,   SPRANKHUISEN, Paus. Dul 180 [1635].
Volschilderen (II) (scheidb. ww.). (Een bep. vlak) met letters, opschriften, (in het alg.) met schilderwerk bedekken.
Heel de muur was volgeschilderd,   CORN., Bijv. [1938].
Hierbij: volschilderig, zooveel als: in de schilderkunst bekwaam, de schilderkunst toegedaan.
Hy (Octavio v. V.) heeft … oock noch eenen vol schilderighen geest, d'Heer Pieter v. V., den welcken somtijts maer yet uyt lust doende, den besten Schilders hooghlijk doet verwonderen,   V. MANDER, Schilderb. 295 a [1604].
Volschip, vol getuigd, d.w.z. volledig vierkant getuigd zeilschip van ten minste drie masten; ook wel fregat genoemd.
VolschipVaisseau bondé — Fullship,   TER REEHORST, Wdb. Zeet. [1845].
Volschip: of fregat met 3 masten; aan alle masten razeilen,   HAGERS, Handelslex.  (ed. 1910).
't Volschip, het fregat,   TER LAAN [1929 ].
Volschoon, in alle opzichten of zeer schoon.
  WEIL. [1810].
  V. DALE [1872 ].
  KOENEN [1900 ].
— Een luchtig kleed van gele zŷ, vol schoon Bestikt met bloem en blaêren, Dekt half haer leên (die der Zomermaagd),   Ned. Jaerb. 1750, 780 [1750].
Natuur is altijd schoon, En spreidt in wat zy vormt het hoogste goed ten toon. Geen deel, of 't is volschoon! geen voorwerp, hoe afzichtig, Of 't is voor 't kundig oog zoo heerlijk als gewigtig!   BILD. 6, 303 [1802].
Onuitspreekbaar was het wee, Dat Hermans droeven boezem griefde, Toen, op haar laatste legersteê, Hy 't eenig voorwerp van zijn liefde Terugvond in zoo diepe ellend. Gewis, van allen, wierp voordezen volschoone Mechtelt waard mocht wezen, Geen oog dan 't zijn' had haar herkend,   V. LENNEP, Poët. 4, 185 [1847].
Volschotig, ten volle, voluit.
Oproer nu is en blijft oproer; en kan nooit verdedigd worden. Maar de vraag, die hierbij te passe komt, is tweeledig. 1°. Kan alles, wat bij de Aanstelling gebeurd en voorafgegaan is, den naam van Oproer zoo volschotig dragen? 2°. Is de verheffing van Willem III bij en door Oproer, en dus op eene onwettige wijze, geschied?   KLUIT, Hist. d. Holl. Staatsreg. 3, 344 [1803].
Volschouwen, ten einde toe of ten volle zien of aanschouwen. In de aanh. bep.: (zeker werk) in voltooiden staat aanschouwen.
Waar zich de vreemde toonde, By leerknaap of gezel … Daar ging het wonder snel; Tot eindlijk … op den nieuwen tempel Festoen en vendel blonk …. Hy ("de grijze meester") heeft zijn werk voltrokken; Hy heeft zijn taak volbracht …. De meester treedt … Ten jongen vreemde heen. Hem heeft hy dank te weten Dat hy zijn werk volschouwt,   HOFDIJK, Ball. 2, 7 [1853].
Volschraffen (alleen aangetr. in den vorm volgeschraft), gezegd van stoffen: met gearceerde afbeeldingen bestikken, in den vorm van geborduurd schaduwwerk van bep. voorstellingen vvorzien. Zie schraffeeren, Dl. XIV, 981.
Een schoot, mouwen ende lijffken van purper saetijn volgeschraft ofte gegraveert met loofwerck,   in DER KINDEREN-BESIER, Spelev. d. Mode 262 [1590].
Gecratste, gegraveerde of volgeschrafte stoffen, hiermede worden op de een of andere wijze geornamenteerde stoffen bedoeld,   in a.w. 292 [aangeh. woorden 17de e.].
Volschrander, zeer schrander.
Ook gy (prinses Anna) verdiende een plaats by Nassaus Heldenvorsten, Volschrandre Vrouw, door de Echt hun stamhuis ingelijft,   BILD. 9, 250 [1822].
Volschrijven (zie ald.).
Volschuldig, (jur.) onvrij, en wel den hoogsten graad van onvrijheid uitdrukkend.
Volschuldig hofhoorig = uitgegeven onder voorwaarden in het hofrecht ontwikkeld, zoodat hij die het in gebruik heeft, hoorig moet wezen naar dit goed, en wel volschuldig, een woord dat uitdrukt de strengste klasse van hofhoorigheid,   voor PLEYTE e.a., Meerv. LXXXIX [1886].
— Placaet rakende de volschuldige en hals-eygene personen en goederen en de successie der selve,   Geld. Placaetb. 1, 255 [1559].
Wie … niet en komt synen schuldigen hoofthins betalen, ende daer over sterft, zyn alle desselfs naegelatene goederen, als versterff en erfnisse, den Heeren Staten deses Lants van Gelre verbeurt ende vervallen, gelyck van volschuldige hals eygene persoonen nae den Hoffrechte,   in SCHRASSERT, Cod. Gelro-Zutph. 2, 238 [1600].
Wy … doen kond … Dat wy … hebben volkomentlyck gevrydt ende tot vrye edele deilbaere thinsgoederen gemaeckt, gelyck wy oock bevryen en vrymaecken by desen alsulcke twee onder ons Abdie gehorende goederen …, waer van 't eerste tot nu toe is geweest een gevrydt, ende het ander een volschuldigh Abtsgoet,   in a.w. 2, 14 [1657].
Men heeft in Gelderland nog onvrye Huislieden, die in hofhoorige, eigenhoorige, keurmoedige, schotbaare en volschuldige vrye Luiden onderscheiden zyn,   Teg. St. d. Ver. Ned. 3, 184 [1741].
Twee vijfde parten van twee en een half agste part en een vierde part van anderhalf agste part der onderhorige landerijen (zijnde voornoemde erf een volschuldig Hoffhorig abtsgoed releverende van de Abdije A),   voor PLEYTE e.a., Meerv. LXXXIX [1783].
Volsibbe, volledige (bloed)verwantschap.
De Kinderen moeten … haer ouderen onderhouden, soo verre sy konnen, ende nae yders macht, al warmen sy buiten echte gebooren …. Geen Ouders zijnde, werden de volle Broeders ende Susters tot dese plicht gehouden, jae ook Halfbroeders en Susters, als 'er geen zijn van volzib,   HUBER, Heed. Rechtsgel. 94 [1726].
Volslachtig, volslagen (zie die woorden).
Volslags, ook vol(le)slaags, met volle kracht.
Ick eyndigh nauwlycx of de Koningh vol van spijt My volslaghs met zijn vuyst op 't kinnebacken smijt,   VONDEL 2, 69 [1620].
Om dat te besien staet of't Vaderlant niet vol-slaechs en loopt tot een onvermydelycken ondergangh, indien de saecken blijven inden standt daer inne sy staen: Ende oft niet noodich en zy dat het wederom een anderen keer nemen, om 't selve vanden ondergangh die voor-handen is, te bevrijden,   UYTENBOGAERT, Achabs Biddagh 109 [1621].
De eeuwen … Die hebben haren glans soo achter een verloren, Het Silver quam nae 't Goud, de derde gingh haar gangh Na 't Coper vol-slaaghs heen, de vierde was te strangh Van Yser, end van Staal,   Z. Nacht. 2, 28 [1623].
Dat gij den voorn. Guilly andermael volleslaeghs hebt gegeven eenen voorder stockslagh,   bij LIEV.-COOPM. 1649 b [1735].
Volslepen, (alleen in dezen vorm aangetroffen) door en door scherp, vernuftig.
De kas is 't maxel van een grofsmit; maer daer staet een dierbaere steen in, 't en zy hy voor valsch gekeurt worde van Uwer Ed. rechtschaepen en volsleepen oordeel; dat, gelijk het de waegschael des oppersten gerechts voert, altijds de kompas van het mijne moet wezen,   HOOFT, Br. 3, 189 [1636].
Volsloten, eenmaal aangetroffen in de verb. volsloten reden, volledige zin.
Kolon of membrum is een Lid van een reden, 'twelke men steld, daer de reden een vol verstand héft, ende nochtans niet voleynd en is: alzoo het volgende tot meerder versterkinge ofte verklaringe diend: Ende men mag dit teeken een ofte meermael in een volsloten reden stellen na dattet te passe komt,   V.D. SCHUERE, Nederd. Spellinge (ed. ZWAAN) 44 [1616].
Volsmeden, eig. ten einde smeden. In de aanh. fig. gebruikt voor: ten einde brengen van een moeilijke zaak.
Dit stuk (een vertaling van Tacitus) (is) volsmeedt, dat onder den hamer was: weerbarstigh metael meestendeels,   HOOFT, Br. 2, 153 [1631].
Volsommen, geheel en al becijferen, en vandaar: volledig opnoemen, heelemaal (in cijfers of woorden) uitdrukken.
Mijn vreucht en soudemen niet volsommen Haddick uwen troost, ick wils my berommen, Een eewighe vreucht soudick ghewinnen. Och schoone maghet wilt doch bekinnen Die jonste diemen my tuwaert siet draghen,   LAURIER, Conste d. M. K vij r° [1ste h. 16de e.].
O lydelick lyden, hoe zoudick v vulsommen al!   LAWET, Meyspel 35 [c.1570].
Vaak in de verb. niet om volsommen, te veel (te groot, te mooi) om op te noemen, onmogelijk (in woorden) uit te drukken.
Salich. Jn Maria was leerynghe die Godt behaechde Als Gods dienaereghe, ende cameriere. Besitt. Sou hadde Gods wysheyt, binnen hueren bestiere Sachtmoedich van herten, niet om vulsommen. Vergad. Jerusalem hadde veil rycdommen Princepalic als Salomon de stede was regierich,   EVERAERT 374 [1527].
O troosteliken troost niet om volsommen, Wien alle andre troosten maer hulpe bieden,   Gentsche Sp. y v r° [1539].
Ghy Kempenblommen, niet om volsommen, Thoont ghy u In liefden accoort,   Lusth. v. Reth. 51 [1596].
Volsouverein, geheel en al souverein, volledig oppermachtig.
Wanneer een bestaande staat een ander gezag boven zich krijgt, dus zijne souvereiniteit inboet, dan verliest hij het karakter van staat. … Egypte, Tunis, Korea zijn geen staten meer. Zij zijn niet meer vol-souverein,   V. KAN, Inl. Rechtswetensch. 123 [1920].
Volspelen, uitspelen, ten einde spelen.
Die selue spelen beghinnende … den xij. Junij int Jaer M. CCCCC. xxxix. Ende werden volspeelt ende geeyndt, den xxiij. vanden Jare ende Maent voors.,   Gentsche Sp. a i r° [1539].
Hy (Paulus) seght …, dat het oudt Testament … gheenen langheren tijdt, plaetse, oft werckens en hadden dan tot de komste Christi: den welcken nu ghekomen zijnde, dat sy, als saken daer men mede ghedaen heeft, als eene keersse die uyt is, als eene persoonagie die hare rolle volspeelt heeft … uyt den weghe ghedaen wordt,   DAVID, Vleeschp. 145 [1610].
't Veranderde toneel der werelt ziet in 't ende Myn persoonaedje, mat van kommer en elende, Eens aftreên naer de rust. ik heb myn rol volspeelt. Het quynende overschot van 't uitgediende leven Behoeft myn' veegen staet geen zoete hoop te geven; De last des ouderdoms heeft my al lang verveelt,   POOT 1, 44 [c. 1715].
Hij knielt; hij smeekt om lijfsgenade … Vergeefs! Dat smeken komt te spade … Uw bloedrol, monster, is volspoeld! De loodverw dekt des Dwinglands leden. Daar ligt die aardworm, zoo gevreesd … De scepter is zijn vuist ontgleden,   WISELIUS, Meng. 1, 112 [1818].
Ik voorzie jammerlijke tijden wijd en zijd, en overal in ons Vaderland …. Men herkent de teekenen des tijds niet genoeg. De Boze is 't meester, en moet zijnen rol volspelen. Doch niemand ontzette zich! Een zoodanige loutering is noodig,   BILD., Br. 5, 134 [1826].
— In de volg. aanh. treedt de bet. "geheel en al, voluit spelen" op den voorgrond.
Lust het u ("Letterminnaers") om op het schoutoneel te treen …, Beproeft … dan eerst de krachten uwer schoud'ren Op dat de zuiderzon … Uw wassche vlerk niet zenge en zoo uw vlugt bepaelt, En vint ge u dan in staet die hoofdrol te volspeelen, Zoo opent u Europe een rei van Hoftoneelen Daer hoogmoet wort gestraft, de waerheit aengebeên En list bedrog en twist de hartaêr afgesneên,   ZEEUS, Ged. 268 [c. 1710].
Hy (Paus Gregorius VII) … Doet keizer Henrik voor het Kanuzeesche slot … drie volle dagen toeven, En stelt zyn troongezag op losgedraeide schroeven. Dus wandelt hy verwoedt langs 't pausselyk toneel; En, op dat hy zyn rol als kerktieran volspeel', Valt hy de geestlykheid doldriftigh op de lenden, En tracht den kuisschen knoop van haren echt te schenden,   ZEEUS, Overgebl. Ged. 52 [1711].
Volspellen, geheel en al onder woorden brengen, volledig beschrijven.
Heuren mondt die my soo seer coemt quellen Dat ick syn deught niet wel en can volspellen, Waer af men siet de Lipkens soo claer schijnen Als rooskens roodt, coral, oft goey rubijnen,   V.D. NOOT 43 [1579].
Och de moort, en diammer, en de schade mede Die dien nacht gebuerde en machmen niet volspellen Die oude stadt … sachmen so om leege vellen Die doode lichamen waren oock quaet om tellen Die daer lagen in tempels, in huysen, in wegen,   V. GHISTELE, Virg. Aen. 33 a [1583].
Vaak in de verb. kwaad om volspellen, moeilijk te beschrijven.
Dat ghy van haer valscheyt (die van Medea) veel wilt vertellen Daer ben ick (Jason) of de principael oorsake: want haer liefde tot my, quaet om volspellen (Vvaer duer haer herte war in onghemake) Heeft ghewracht, dat sy … Haren vader bedrooch,   V. GHISTELE, Ovid. Sendtbr. 45 b [1559].
O gheleerde Calliope … De oorsaken wilt my doch vertellen Waer omme dat Juno … So seere verstoort was? den haet wilt mellen, Die haer porde met nijdich voorstellen Dat sulck duechtsamich man (Aeneas) … So veel verdriets en pijnen (quaet om volspellen) Moest aengaen, met lastich verseeren?   V. GHISTELE, Virg. Aen. 1 b [1583].
Eveneens in de verb. niet om volspellen, niet onder woorden te brengen.
Ick weet wel dat ic en ben so scale oft soe loos ” niet Maer Thremes de welcke is mijn raetsman …, die en slacht den grouen ” niet Maer zijn dwaesheyt gaet mi verre te bouen ” siet Ick wille wel heeten … Grouaert, bottecroes, en dier ghelijcke Om dat ick soe plomp ben van verstande Maer hi niet, wa dat waer hem een groote scande Nochtans zijn dwaesheyt en is niet om volspellen,   V. GHISTELE, Terent., Heaut. F v r° [1555].
Volspinnen.
1°. Vaak gebruikt in een verband met rokken; eig. ten einde (toe) spinnen, dan ook fig. (een werk, een onderneming) tot een einde voeren (waarbij rokken beteekent: (een werk, een onderneming) op het getouw zetten, beginnen).
Amoureuse affectie. Dees twee Ghelieven zijn immers ghebonnen, Hebben wy't niet wel gheroct? Ghelijcke complectie. Ia wy, waer't wel volsponnen,   Handel d. Amour. Bb 5 v° [midden 16de e.].
Dat tvolc nu alomme dus ongevreest leeft, Compt door valsche opinie, diese verbeest heeft. Luter heeft geroct, ander hebbent volsponnen, Dwelck nu vaste voort de boose geest weeft, Soe dat schier allomme minst en meest sneeft, Prelaten, ondersaten, Monicken ende Nonnen,   A. BIJNS 408 [ed. 1567].
Den edel man is … gecomen ” daer Inden Tempel van Vesta …, Floronia heeft hem terstont ghenomen ” vvaer, Daer zy inden Tempel op beyde haer knien lach, En zy thoonde hem zulcken fiere ghelaet dien dach, Dat hy terstont doen vvel vvas te binnen … Dat sy hem zeer hertelijck moeste beminnen, Somma, hy gaff haer zijnen zin te kinnen Als t' volck uyten tempel al vvas vertrocken, Die t' vlas volspinnen vvilt, die moet eerst rocken,   HOUWAERT, Lusth. d. M. 2, 408 [1582].
Noyt heeft hy (Prins Willem v. Oranje) … van flaumoedigheyd bewesen 't minste teken, Maer toond' in druck en schrift sijn reden, als Baeck Van de rechtvaerdigheyd van sijn en onse saeck. Handhavende daer by het geen hy had begonnen, Van d'aenvangh tot den draed zijns levens was volsponnen,   STARTER 369 [1624].
Ga Indigemines, wil u op straat begeeven, En onderzoek of mijn Gemaal noch is in 't leven: Doch keer terstond, op dat ik spoedig weeten mag, Of mijne ellenden reeds volsponnen zijn,   STIJL, Tooneelp. 67  (ed. post. 1835).
2°. Gewest. in Ze.-Vl., gezegd van wagenwielen: tusschen de spaken vol modder raken.
't Was sò nat op 't veur'ôôd (de dwarsvoor waar gekeerd wordt), dat de wie:len toet-an de bossen (de naven) wigzakte, en glad volsponnen, mie êên voe:r bin'k drie:mel bluve steke,   GHIJSEN [1964].
Volspreken, ten volle onder woorden brengen, volledig of voldoende beschrijven.
Gheen tonghe en zoudt volspreken wel De vreuchd' die wy bedreven: Wy speelden mette schaecxkins En draeyden Venus wostkins, Sy kuste altoos mijn kaecxkins, Ende ick taste haer schoon borstkins, Noyt vriendelicker lostkins, Noyt amoreuser dach, My docht dat ick in roode rooskins lach,   DE CASTELEIN, Lied. D iij r° [c. 1530].
In dusent manieren wy twee verhueghden, Gheen tonghe en vulsproke al onse vrueghden,   DE CASTELEIN, Const v. Rhetor. 174 [1548].
Wat is doch v huys vrouwe voor een wijf …? sy beschaemt alle vrouwen: Haer onuerstandicheyt en can ic niet volspreken,   V. GHISTELE, Terent. Q iiij v° [1555].
Vaak in de verb. niet om volspreken, niet onder woorden te brengen.
Nyeuwers en vyndic hiet, te mynen goede. Dus willic met spoede, keeren ten clooster waert. O Maria, nv es my, therte bezwaert Met drucke onghespaert, niet om vulspreken Dat jc uwen dienst, nv lachen moet breken. Myn ooghen leken, duer dit bedryf,   EVERAERT 24 [1509].
O saechtmoedighe Heer en vvilt my niet versteken, Door mijn sonden en menichfuldighe ghebreken, Want vleesch, vverelt en vyant, hebben my verdooft, Al ben ick van v Godlijcke vveghen ghevveken, En dat mijn boosheyt niet en is om volspreken, Ghy sijt mijn Godt …, En ick een van v leden, van deughden berooft, Die met v … staen in gheschille,   HOUWAERT, Vier Wterste 191 [1583].
In de volg. aanh. op te vatten als: geheel en al uitspreken, ten einde spreken.
Neen, zy is niet meer De stille lijdster van welěer, Die … Het wraakvuur, smeulende in haar borst, Zoekt te onderdrukken: Vermocht ze 't — thands reeds trof het zwaard, En stervend lag haar beul ter aard Nog eer hy 't woord volsproken had, Dat zooveel tergend leed bevat,   HOFDIJK, Rosamunde 15 [1839].
Volstaafd, in de verb. volstaafs of volstaafds (ook eenmaal in den vorm volgestaafs) eeds, als genitiefconstructie afgeleid van het volt. deelw. van volstaven, "iets" (b.v. het formulier van een eed) "ten einde toe of ten volle voorzeggen" (vgl. Mnl. W. 9, 889) en dus: bij volledig uitgesproken eed, onder vollen eede.
Tuichden en verclaerden dese persoenen voers. met upgehevenen handen ende uuytgestrecte vingeren volstaefs eedts lieflick an den heyligen bij hairen solempneliken eede, die den schoudt van 'sheeren wegen van haerluden ontfinck,   Rechtsbr. Hoofdwatersch. v. Z.-H. 304 [1547].
Ick G.m. … doe kont … dath vuer h. S. mijn subsituijt ind gerijchtsluijden nabeschreuen ghecomen sinnen L. J. ind h.g. … ind hebben volstaeffs eijdts hijfflijcken omden hillighen ghetuijcht ind gesworen … dath sij deposanthen vurss. enz.,   in PLEYTE e.a., Uddel 167 [1564].
Dat voer ons gekomen zijn int gherecht P.C. ende G.J.H., ende hebben getuyget mit opgestreckte vingeren volgestaeffs eede, die wy volkomelyck van hen genomen hebben ende daer zy mitten recht toe gebrocht werden van W.G., dat … enz.,   Versl. Kerkvisit. 45 [1568].
Dat alle de gene die tot het Schependom vercoren is, ende ghestelt wert, ten dage van zijn innezettinghe in openbare Vierschare, ten aenhooren vande ghemeente, onder andere, volstaefts eedts, mit opgeheven hande, ende uytgestrecte vingheren, als recht is, moet zweeren … enz.,   V. HOUT, Dienstb. 43 [1602].
Volstaan (zie ald.).
Volstaden, ten volle gestand doen.
Van dy, ô Heer, sal mijnen roem ontstaen; Voor scharen volcks, die dy zijn onderdaen, Wil ick van nu mijn g'lofteniss' voortaen Met vreugt volstaden. 'Tsachtmoedig volck sal sick met spijs versaden, En wie God soeckt, sal roemen sijn weldaden,   MARNIX, Ps. 22, 13 [159.].
Volstandig (zie ald.).
Volstatig, zeer statig.
Zalig zij uw rust! gy (een zangeres), ons te dra ontweken, Beminlijk, dierbaar licht, en aller Maagden eer! Vroeg daaldet ge over ons in 't scheemrend Westen neêr. Volstatig was uw tred in 't afscheid van dees streken; Volstatig, als de maan op 't voor haar trillend meir!   BILD. 2, 57 [1798].
Beëlzebub — hij gold in waardigheid en waarde Na Satan de eerste — rees, pilaar nieuwen Staats, Volstatig op, en toonde in … d'ernst zijns voorhoofds al de zorg van éen voor allen, Heel 't merk eens Konings …! Nog steeds een Majesteit, gebiedend, stond Hij dáar, Als waar' hij machtig op eens Atlas' schoudrenpaar De zwaarste monarchie te torsen,   TEN KATE, Par. Verl. 35 [1878].
Volsteken.
1°. Gewest. in Vl.-België, in de verb. de handen volsteken.
Iemand de handen volsteken, de handen vullen,   LIEV.-COOPM. 1650 b [1954].
2°. Gewest. in Vl.-België nog in een specifieken zin. Zie de aanh.
Een meisje volsteken, bezwangeren,   LIEV.-COOPM. 1650 b [1954].
Volstellen (I), (onscheidb. ww.). 1°. In de aanh. zooveel als: ten volle afwerken. Zie Mnl. W. 9, 889.
Den voorschreven v. C. sal … gehouden wesen de selve sepulture te setten ende te stellen in ons lieve vrouwe choor in Sinte G.'s kercke … ende den voorscreven eerste comparant geloeft daer voore te betaelen … de somme van ses hondert guldens eens, d'een helft op de handt contant ende d'ander helft soo haest als de voorscreven sepulture inde voorscreven choor sal wesen volstelt ende gemaeckt, synde conditie dat allen den steen tot het voorscreven werck sal wesen goeden suyveren … steen,   in Ann. Ac. d'Archéol. de Belg. 1905, 223 [Aatw., 1639].
2°. Als volt. deelw. bep.: volgemaakt, afgerond.
Dèle O. vervult 't getal dat men zeven heeten zal, en 't is vijftig jaar, volsteld, dat zij hier wordt meêgeteld. Mary I. … doet ook bij de vijftig jaar in de congregatie meê, en zij sluit den jubilé,   GEZELLE (ed. BAUR) 3, 418 [1890].
Volstellen (II), (scheidb. ww.). Bedekken of volzetten met zekere voorwerpen.
Om te beletten, datter geen kanijnen, honden … ofte ander gedierte onder de heining en konnen doorkomen, so sall men buyten dicht aen de heiningh een grepel van 3 voet diep graven, dit gedaen zijnde, voll te stellen met tackebossen ofte faschinen op sijn eindt, ende alsdan weder met deselve aerde aenvullen,   bij VEEGENS, Hist. Stud. 1, 292 [1674].
De kasse volstellen mee beeldeken,   LIEV.-COOPM. 1650 b [1954].
Volstemmig (I), met volle, luide stem.
Des Hemels vast Gesticht, Soo konstigh toe-gericht, Door d'aller dingen Heere, Verkondight overluyt, En roept volstemmigh uyt Sijns Wijsen Meesters eere,   CAMPHUYZEN, Ps. 19, 1 [c. 1626].
Volstemmig (II) (zie ald.).
Volsterken, zeer sterk, zeer krachtig maken.
Eygen baet. Al dat wy raden in deze perken. Onverstant. Dat zullen wy zelve doen, al zonder duchten. Eygenbaet. Wy zullen de werkers zijn tot u volsterken. Onverstant. En gy wert den genieter vande vruchten,   Vlaerd. Redenr.-bergh G 3 r° [1617].
Volstippen, geheel en al afwerken, (aan iets) de laatste hand leggen.
Maro verwees zijn gedicht (de Aeneis) niet ten viere, als of Homeer hem voorbystreefde …; maer om d'ontijdige doot, behinderende dien arbeit te volstippen, en de leste hant daer aen te zetten,   VONDEL 5, 30 [1646].
Volstormen, heel stormig zijn.
Heel 't westen zit gekibbelkappeld, gewaggelwolt, al hil en dal; 't zit blauw en groen en geluw g'appeld; te morgen nog volstormde 't al, en stille is 't nu!   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 591 [1897].
Volstorten.
1°. (Eig.) Al stortend vullen of gevuld worden.
  V. DALE [1898 ].
  KOENEN [1911 ].
— Hebben … besloten het ruym te lossen en het goedt in 't Schip te houden, het welck wy deden, droeghen het goedt voor uyt het Schip, met sacken, en storten de Constapels Kamer vol, en in 't Boevenet, kregen het voor Schip met der haest heel leegh,   BONTEKOE, Iourn. 64 [1646].
Daar knalt het schot! het anker zinkt; 't Bevel voor 't blijd ontschepen klinkt, Het krielt op dek, de harten branden, Geduld heeft uit; barkas en jol Stort vol in haast, is proppensvol, De riemen slaan; ze landen,   BOGAERS 1, 13 [1833].
2°. (Oneig.) Door betaling of door geld te storten een aandeel tot het nominale bedrag aanvullen.
  KOENEN [1911 ].
— Deze laatste (aandeelen) zijn alle geplaatst en worden onmiddellijk volgestort, zoodra de Koninklijke bewilliging op dit artikel zal zijn verkregen,   bij GERRETSON, ‘Koninklijke’ 1, 480 [1890].
Behelzen de Statuten der gedaagde Maatschappij … eenige bepaling omtrent de wijze waarop de bij hare ontbinding en liquidatie boven het gestort kapitaal plus rente aanwezige baten tusschen de houders van volgestorte en niet volgestorte aandeelen moeten worden verdeeld?   Weekbl. v.h. Recht 21 Aug. 1893, 1 c.
In de verb. een kapitaal volstorten bep. "geheel bijeenbrengen door er alle aandeelen van te nemen" (V. DALE [1898]).
Hierbij: volstorting.
  V. GELDEREN [1909 ].
  GALLAS [1911 ].
— Heeft de gedaagde, door op 19 Dec. 1889 aan commissarissen der eischende vennootschap te schrijven dat de volstorting der aandeelen, welke eerst op 1 Febr. 1890 verplichtend is gesteld, in geen geval aan commissarissen aanleiding kan geven om de hem in eigendom toebehoorende spaarbankboekjes in bewaring te houden, — erkend gehouden te zijn zijne aandeelen vol te storten?   Weekbl. v.h. Recht 24 Sept. 1890, 1 c.
Dat het bezit van aandeelen in blanco niet bewijst de volstorting daarvan door of namens den houder, die is deelnemer in het maatschappelijk kapitaal der vennootschap,   a.w. 19 Oct. 1898, 2 b.
Volstorting op aandeelen: de algeheele betaling van het aandeelenbedrag. Het uitgegeven prospectus geeft aan, hoe deze zal plaats moeten hebben, en wel op een bepaalden datum ineens, of op verschillende tijdstippen een gedeelte. Bij sommige instellingen, zooals hypotheekbanken en levensverzekeringsmaatschappijen wordt doorgaans niet meer dan 10 à 20% gefourneerd, daar bij zulke ondernemingen het aandeelenkapitaal meer waarborg- dan werkkapitaal is,   HAGERS, Handelslex.  (ed. 1910).
Volstrekken (zie ald.).
Volstrijden, ten einde strijden.
Denct den aerbeyt es soet als hy voorleden ” es. En den strijt heuchlic als hy volstreden ” es,   NUMAN, Sp. d. M. I viii r°  (ed. 1595).
O schone ziel, in 't lichaam, schoon van leden, Te naauw gehuist, (men zag die leme hut Bouvallig, met veel zorge een wyl gestut) Gy hebt uw' strydt als een heldin, volstreden,   VOLLENHOVE, Poëzy 318 [1681].
Langer moet die Rusttyt (die van de zielen der heiligen) niet duren, dan tot dat de heiligen, in de werelt noch lydende en strydende … ook zullen vervult zyn; wanneer ze namelyk, als hare lotgenoten alsins in waardigheit en in lyden, ook gedoodt zullen zyn, als zy. Het volle getal der martelaren, het volstryden van den stryt der kerke, moet afgewacht worden,   VOLLENHOVE, Heerlykh. d. Rechtv. 507 [1706].
Jezus Christus heeft geleden, Heeft volstreden, Overwonnen, ook voor mij, Helsche list en magt gebonden, Dood en zonden Overwonnen, ook voor mij,   Evang. Gez. 85, 6 [1806].
Wij hebben niet te strijden met vleesch en bloed, maar met de … machten … in deze duisternis, met de boosaardige geesten in het luchtruim. Neemt daarom de wapenrusting die God geeft aan; opdat gij weerstand kunt bieden op den boozen dag en na volstreden te hebben standhouden,   Leidsche Vert., Eph. 6, 13 [1912].
Volstrikkig, vol met strikken. Alleen aangetroffen bij DE HARDUYN.
Niemant (en kan) van te voren ghewaer worden hun schaedelijcke stricken (die van snoode menschen), oft hy en is eerst in de zelve ghevallen. Alsoo doet met ons … den duyvel …, hy voeght hem tusschen de schaduwen der wereldtscher ghenoechten, ontrent den wegh van dit volstrickich leven, al waer hy ons is bereydende de stricken der bederffenisse,   DE HARDUYN, Godd. W. 101 [1629].
Volstringen, tot stand brengen, volbrengen.
So wie dat trout een wijf, Hy wert vol sorghen in al zijn bedrijf, Waer hy tbehoeuen al sal berapen Om wijf, kinderen, ioncwijf en cnapen. Zoo dat hem thooft van ancxte zweert, Eer hy can volstrijnghen dat elck begheert,   V.D. MEULEN, Ketiuigh. C iiij v° [c. 1500].
Ick sal yverigh werden, om t'anderen tijde onder VV. EE. beschermenisse noch iet te volstringen, dat weirdigh magh wesen VV. EE. Grootheydt,   DE BUCK, Boët. a 6 v° [1653].
In de volg. aanh. bep. m. betr. t. (on)kosten, zooveel als: voldoen.
Indien de selve vier stuvers opte mergen niet volstringen en connen die geheele costen van den selven wercke, zoe zullen die voirs. heemraeden … daerop ordonneren ende versien als van redenen ende noodswegen behooren zall, ende huere provisie doen ende laeten executeren realijck,   Rechtsbr. Hoofdwatersch. v. Z.-Holl. 184 [1512].
Dat alzo de fabrycque van de kercke niet en es voorzien omme te volstrynghen de oncosten clevende an de reedificaecie van de zelve kercke …, zoo hebben de supplianten vercreghen authorizaecie … omme te moghen vercoopen … de nombre van neghen … roeden landts,   in WEALE, Égl. de Dixm. 2, 463 [1612].
Volstukt, (plantk.). Zie de aanh.
Volstukte, van een stuk zonder tanden in den rand,   DE BO, Kruidwdb. [1888].
Een volstukte blad, feuille entière,   Ald.
— Voltalig, volmondig.
Bewaer my, Godt, my die op u vertrouw, En, in eenvoudt, vol-taligh uyt durff seggen, Dat ick alleen u voor mijn Heere hou,   CAMPHUYZEN, Ps. 16, 1 [c. 1626].
Voltallig (zie ald.).
Voltander (gewest. in Vl.-België), paard dat het blijvende gebit heeft.
  W.B.D. 1, 4, 563 b [Roosbeek, 1977].
Voltandig, alle tanden, het blijvende gebit hebbend (gezegd van sommige dieren).
Met 3-31/2 jaar, wisselt ook het 3e paar tanden of de buiten-middeltanden en men noemt thans het schaap 6 schuivelig of 6 tandig. Met 4-41/2 jaar vallen ook de melk-hoektanden uit en die worden door wisseltanden vervangen, en het schaap wordt daardoor 8 schuivelig, 8 tandig of het dier heeft afgeschoven, of is voltandig,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 687 [1871].
Volteekenen.
1°. Meestal in den vorm volteekend, eenmaal ook als volgeteekend aangetroffen. Van een leening en vandaar soms ook van een kapitaal waaruit zoo 'n leening bestaat: deze is volteekend indien voor het geheele gevraagde bedrag ingeschreven is.
  V. DALE [1884 ].
  KOENEN [1911 ].
— Is geresolveert alsdat yder, die getekent heeft ofte noch teeckenen sal, zijn penninghen sullen furnyeren, ende dat sylieden interest sullen genyeten van hare penningen, die sylieden sullen datelijck furnyeren … ende dat die in cassa gevallen sijn, van die tijt ende daeraff teghen 10 percento, ende sal denselven interrest continueren tot den daghe, dat alles volteeckent zal wesen,   in Econ.-Hist. Jaarb. 23, 44 [1601].
Ik bespeur zeer weinig geestdrift veer de geldleening …. Het wordt eene uiterst moeilijke kwestie, wat te doen als de som niet volteekend wordt,   R.G.P. 46, 233 [1830].
(De W.-I. Compagnie) (verkreeg) vergunning, om eene nieuwe inschrijving van 1500 à 1600 actiěn van fl. 3000 (dus een kapitaal van 41/2 millioen gl.) te openen tot den koers van 250 pCt. Natuurlijk was die som onmiddellijk volgeteekend; en zoodra … men 's morgens in den Haag gereed was, werden fluks de papieren naar de Amsterdamsche Beurs overgebragt en met 60, ja 100 pCt. avans verkocht,   VISSERING, Herinn. 1, 159 [1856].
Dat zoo in casu de Rijnspoorweg Maatschappij ten tijde van hare liquidatie werkte met een kapitaal van fl. 36 000 000, verdeeld in aandeelen ieder even groot fl. 240; dat dit kapitaal was volteekend, en dus ten behoeve van de maatschappij aanwezig, hetzij in natura gestort in de kas, hetzij voor een deel bij de aandeelhouders in portefeuille gebleven, doch steeds onder verplichting tot storting van het volle bedrag van fl. 240, wanneer dit werd vereischt,   Weekbl. v.h. Recht 21 Aug. 1893, 2 a.
Vandaar ook van kooporders: volteekend krijgen, het totale aantal gewenschte koopers voor die order contractueel aan zich binden.
Vóór het jaar 1897 werkten de aardappelmeelfabrikanten grootendeels onafhankelijk van elkaar en in vrije concurrentie. Ieder bracht zijn meel met eigen fabrieksmerk op de markt en trachtte dit zoo duur mogelijk van de hand te doen. Ieder had zijne eigen commissionairs, die de landbouwers afliepen, om hunne kooporders volteekend te krijgen,   Versl. Landb. 1910, 3, 160.
Hierbij: volteekening.
Dat ten tyde van 't begin van de eerste thienjarige reeckeninge die gelegentheyt hem sulcx heeft toegedraegen, dat eenige weynige dagen naer 't expireren van den geordonneerden … tijt ende die volteeckeninge derselver in den jaere 1602 die teeckenaeren ende participanten over hunne teeckeninge in deselve Compagnie voor elcke 100 p. Vl., die sy geteeckent hadden ende begeerden te vercoopen, hebben connen avancheren 14 ende 15 per cento, sonder dat by yemant alsdoen … eenen stuver was gefurneert,   in Econ.-Hist. Jaarb. 16, 34 [1609].
2°. Al teekenend vullen.
De jongen hee' twee blaren papier volgeteekend,   CORN., Bijv. [1938].
Voltellen, tot het einde toe of geheel en al tellen.
Ghi moet steruen en worden der wormen aes …. Cracht, bede, iuweelen, scat goet noch ghelt, En moghen v hulpen, hier om ontganck Gheringhe v daghen sijn al voltelt Ghi moet met,   J. V.D. DALE 92 [c. 1516].
Ende alle die genoemde saten op ten eersten dach der thienster maent, om dese sake te ondersoecken Ende si zijn voltelt alle mannen die vremde wiuen ghenomen hadden totten eersten dach der eerster maent,   Bijbel v. Vorsterman, 1 Esdre (Ezra) 10 C [1528].
Men ziet hoe d'ommeloop der wijde weerelt krielt Van menschen, zonder tal, …; een schrickelijck getal, Dat niemant rekenen, noch oit voltellen zal,   VONDEL 9, 481 [1662].
Wy zorgen lang vooruit, daar ligt onze oogenblikken Op weinig zyn voltelt,   Denker 3, 320 [1766].
Ontfang dan dees mijn groet, gy roem der Britsche zangeren … En, wordt dit aanzijn … My op dit aardrijk naar Zijn Wijsheid, nog verlengd, Het zij mijn Ouderdom nog nieuwe Winters knellen, Of de eerste Zomerzon mijn dagen moet voltellen, Verheug ons weder met uw byzijn in dit oord,   BILD. 11, 449 [1826].
Voltemmen, bedwingen. In de aanh. is verschelyk voltemt een vert. van lat. recens perdomitae.
  HEREMANS [1869].
— De voorneemste kracht (die der Romeinen) bestondt in acht keurbenden by den Ryn, tot gemeenen toeverlaat teegens Germaanen en Gallen. De Hispanien, verschelyk voltemt, werden met drie gelyke benden gehouden,   HOOFT, Tac. 105 [c. 1635].
Voltiegen (zie ald.).
Voltimmeren, (een bouwwerk, een schip) voltooien.
Perfabrico …. Acheuer de bastir, Voltimmeren,   Dict. Tetragl. 225 [1562].
— Ende Salomo dye … brachtse (zijn vrouw) in die stat Dauid tot dat hi sijn huis ende des Heren huise voltimmerde, ende die mueren rondt omme Jerusalem, Maer dat volc offerde noch op die hoochten Want den name des Heren en was noch geen huis getimmert tot dier tijt toe,   Bijbel v. Liesveldt, 1 Kon. 3 A [1526].
Ten tijde als hy Coninck was, hadde hy by nae voltimmert de Tempel van Iuppiter Capitolinus,   V. ZUYLEN V. N., Plut. 44 b [1603].
Hadde hem naer dese plaetse begeven, om aldaer een nieuw Schip te bouwen van hondert lasten ende meer, ('t welck doen bynaer voltimmert was),   DE LAET, Hist. W.-I. C. 405 [1644].
De Timmerluiden der Maatschappye besteeden doorgaans niet meer dan vyf of zes maanden, om Schepen van rang te voltimmeren,   Teg. St. d. Ver. Ned. 1, 461 [1739].
Wanneer men deeze stichting begonnen heeft, wordt niet gemeld; maar wel dat de Kerk in 't jaar elfhonderd eenentwintig voltimmerd, en gewyd is,   V. MIERIS, Beschr. v. Leyden 1, 23 b [1762].
In de volg. aanh. figuurlijk gebruikt.
Op dese twee fondamenten (meetkundige werken) hebbe ick ghebout, dewelcke ick meene gheen sanden sullen zijn, daar van Godt alleen de eere zy, die my heeft laten voltimineren,   V. NIENRODE, Circkel 22 [1628].
Voltogen; zie onder VOLTIEGEN.
Voltollig, volledig, alles bevattend.
't (Is) van noode, te bestemmen, dat'er … erghens eene t'eenemael volkomen, ende voltollighe natuere zy, daer alle d'ander uyt kommen, ende in de welcke de waere zaligheydt, d'oprechte versaedtheid ende volstandighe ruste gheleghen is,   DE BUCK, Boët. 153 [1653].
Voltonig.
1°. (Muz.) Met of uit volle tonen gevormd.
De termen diatonyke — of voltoonige — cromatyke — of bonte choraal-figuraal-muzyk, en alle diergelyke afnoemingen … hebben enkelyk haare opzigt of tot de compositie, of tot het zingen en speelen,   LUSTIG, Muzykk. 7 [1751].
Pedaal. Trompet 4 v. met zyne Grondgeluiden om daar op de Melody in twee partyen te laaten hooren; en Midden-Clavier. Prestant 16 v. Praestant 8 v. en Holpyp 8 v. gekoppeld aan het Boven-Clavier. met praestant 8 v. Holpyp 8 v. Baarpyp 8 v. Viola-di-gamba 8 v. en Quintadeena 8 v. tot een voltoonige Harmonie,   HESS, Luister v.h. Orgel 67 [1772].
2° In de aanh. zooveel als: met vollen toon, met luide stem.
Hoe zou ik tot ten vriende spreken, Hadde ik niet meer dien zielentoon? Du is der liefde liefste teeken …. Dy zeg ik 't woordjen gul en teeder, Dy, broeder van den Scheldezoom, Geef my het du voltoonig weder, Gelyk het schalt langs Limburgs stroom,   DAUTZENBERG, Ged. 129 [1850].
Voltoogen, geheel en al toonen. Toogen voor toonen is in N.-Nederl. sinds de 16e eeuw in onbruik; in het Vlaamsch thans nog aangetroffen.
In 't Kruise, in U, o Moeder, dan zoo hope ik, onvervaard, dat Gij mij zult voltoogen nu den Kruisweg Hemelwaard!   GEZELLE (ed. BAUR) 1, 256 [1881].
Voltooien (zie ald.).
Voltoonen, ten volle toonen.
  KIL. [1599 ].
  HEXHAM [1648 ].
  Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707 ].
Voltoonen, to showe or to prove to the full by witnesses,   HEXHAM [1648].
— Haddet Gode belieft, hy hadde haer wel moghen versmoort hebben, als die van Pharao: verblindt als die van Sodoma …, maer en wildes niet doen, dan alsoo syluyden hem door den tonghen hadden onteert, so wilde hy sijn straffinge wederom meer inden tonghe dan in yet anders voltoonen,   V. BERESTEYN, Sendtbr. v. De Guevara 1, 194 a [1600].
Voltorsen, ten volle, tot het einde toe torsen.
Ja, 't offer (het kind Mozes) was gebragt …; De zwaarste pligt voltorscht, dien, in een heilloos uur Ooit ouders torschten bij het krimpen der natuur,   BOGAERS 1, 48 [1835].
Voltranen, met tranen doen volloopen.
Hoe lijdelicker leed voltraenden onse oogen, Doe 's Werelds blinder deel sijn bijtende gebas Op sijns gelijcken sleet, en 't menschelick medoogen Het sorgeloos verdriet van onse zielen was,   HUYGENS 1, 32 [1622].
Voltreden, (een gang, een weg) ten einde toe gaan, afleggen.
Sonder onderwijs t'ontfangen Vol-treden sy (de goodeloozen) haer slimme gangen, Terwijlen sy, niet wel beraden, Den luyster uwer hooger daden Domsinnighlijck geen acht en slaen Noch oyt in't herte laten gaen,   CAMPHUYZEN, Ps. 28, 6 [c. 1626].
Speelnootjes in deurtoght van dees woestijn, Laat ons den wegh maar wel-gemoet voltreden, Wy sullen met malkaar dan eeuwig vrolijk sijn In 't over Saligh Vreugden-rijk van vreden,   LUYKEN, Z. en St. Gez. 128  (ed. 1704).
Half en nog niet half voltreên, zoo striemt u de bane des levens heen, die nauwelijks 't moedige pogen van den mensche, zoo nauw is zij, houden kan: schrijdt voort en keert niet om … — volherdt!   GEZELLE (ed. BAUR) 1, 474 [1859].
Vandaar ook alg.: voltooien.
Acht diverse doecken niet voltreden maar alleen gebotseert,   in Oud-Holland 83, 133 a [1647].
Voltreffen.
1°. (Schild.) Ten volle uitbeelden of weergeven.
Dus maelde E. … In dezen Vader (dien van den verloren zoon) ons zyn' Hemelvader af, Wiens eindelooze gunst den zondaer, na 't bekeeren, Met zyn genade wil … vereeren …. Dus deed de Christus zien, wat reden hem bewoog, Om tot de Tollenaers … zyn gangen meest te richten. Dus eindigde en voltrof Gods Zoon zyn boettafreel,   DE HAES, Verl. Z. 77 [1744].
2°. (Gramm.) (Een woord) voluit schrijven.
Er schynt hier een voltroffen woordeke te syn: misschien géft den geleerden Heer Weiland daer laeter in syn Werk óvertuygende réden af: maer tot hier toe heb ik dat dingske aenschauwd, als de verkortinge van het bywoord daer in sékere te bepaelen omstandighéden,   V. DAELE, Tydv. 40, 7 [1806].
Voltrekken (zie ald.).
Voltuien, volledig vastbinden.
Heer-oom (de paus) bond Sampson (keizer Frederik Barbarossa) met een labelgaerentgen int Galioen vast, dat hy daer sat en keeck als een Poel-snip. trad den Keyser te Veneedjen met voeten …, en noch duysent cuyren daer by. Jae op dat syn Almogentheydt immers voort malle volc volteuyt sou wesen, so bewees hy t'eene mal met t'ander,   MEERMAN, Com. Vetus A iiij r° [1612].
Voltuigen, van de volledige tuigage voorzien.
Zoo als zij ("de majoorsche") daar, 't breede lichaam vercierd en omzwierd met wijd afhangende mouwen, fladderende écharpe, breede linten van hoed en hals wapperende, met kettingen en broches beladen, de deur, die zij met haar omvang geheel vervulde, binnenzwom, moest zij ieder doen denken aan een volgetuigd oorlogschip, dat zonder een doek te minderen, den naauwen havenmond binnenzeilt,   V. LENNEP, K. Zev. 3, 267 [1865].
Voltuiten, in de aanh. zooveel als: (hem) zoo aan de ooren liggen zaniken.
Als … Arkel … een kleyne wijl in Gelderland vertuckte, hebben sy den Ionk-heer (een zoon van Arkel) de ooren zoo vol getuyt, dat hy den Drost van Arkel … de zack gaf en andere aen de verraders vermaegschapt in de plaets stelde,   V. SLICHTENHORST, Geld. Gesch. 2, 203 a [1654].
Voluierd (dial. in N.-Brab.; alleen als volt. deelw. in gebruik), gezegd van een koe: een zoo volle en zware uier gekregen hebbend als mogelijk is.
De koew is hŏost (bijna) volörd,   DE BONT 2, 64 a [1958].
Voluit, volvaardig (zie die woorden).
Volvallen, m. betr. t. of van een schip: zoo draaien of gedraaid worden dat de wind in de zeilen valt.
Het gebeurt meer dan eens, dat een schip in de wending zijnde, door het veranderen van den wind niet over stag gaat, maar weder afvalt voordat de achterraas omgehaald zijn, alsdan haalt men de voorschoten weder aan, en geit de bezaan op, indien zulks noodig is. Het schip dan wederom volgevallen zijnde, worden de schoten goed bij den wind gehaald, bezaan en kluiver behoorlijk bijgezet, en wanneer er wederom goede voortgang in het schip is, beproeft men de wending weder,   BOULET en COUWENBERG, Zeev. 75 [1857].
De zijde waarover het vaartuig den wind ontvangt, heet loef of loefzijde: het sturen naar den wind toe heet oploeven …. De tegenovergestelde zijde van het vaartuig heet lij of lijzijde: het naar deze zijde sturen heet afvallen, vol vallen of afhouden,   PHILIPPONA, Zeilen 256 [1919].
Volvederd, vol met vederen.
Waerom en hebb'ick mijn aermen Niet vol-vedert als dit volck Dat daer tuymelt door 't ghevvolck? Mocht ick eens daer onder svvaermen, 'T vvaere my den liefsten dach Dien ick oyt mijn leven sach!   DE HARDUYN, Godd. W. 566 [1629].
Volveilig, volkomen veilig.
Daar we één' Vorst, één' Koning eeren, Die 't beeld van de Almacht is op de Aard, Daar is 't, dat recht en wet regeeren …. Daar smaakt ge, ô onbezorgde schapen, Het zoete van de afhankelijkheid …. De herder waakt voor u, gy moogt volveilig slapen, En zeegnen hem wiens hand u weidt,   BILD. 8, 420 [1793].
Volvernoegd, geheel en al tevreden.
't Is Wel-doens aert, den Doender te bekroonen, En met sich selfs sich selven te beloonen: De Broedervreed', omset met Deuchdt, Is ingesult't in sijne eygen vreuchdt; En proeft, door dmaec sijns soetheyts vol-vernoeght, Wat nut en kracht Eendracht toe-voeght,   CAMPHUYZEN, Ps. 133, 9 [c. 1626].
Volvernuftig, door en door vernuftig.
Uw aartig, volvernuftig stukje, stichtelyk woordenboek der fynen, my door u ter lectuure gegeeven, las ik; met eene groote bewondering van uwen geest,   WOLFF en DEKEN, Blank. 3, 322 [1789].
Volversch, geheel en al versch.
Voor ieder aantal eieren, waarvoor consent tot uitvoer werd afgegeven, (moest) eene hoeveelheid volversche eieren voor binnenlandsch verbruik beschikbaar worden gesteld,   Versl. Landb. 1918, 3, LXXXI.
Volversieren, volledig, geheel en al versieren.
De camer, die gemaeckt is met een coupole; welcke coupole van binnen met parlemoeder volverciert is,   HOOFT, Br. 2, 435 [1600].
Volvesten, (een leger) opstellen.
Volvesten. Poster,   HEREMANS [1869].
— C. (heeft) tussen H., een dorp der Veronensen en de poelen der stroom T., zyn leegher volvest, ter welker plaats hy veiligh was, dewyl zyn rugh met de stroom, zyne zyde met de poelen gedekt waaren,   HOOFT, Tac. 393 [c. 1635].
Volverven.
Vulveeruwet. Ayant reçu sa pleine teinture — Dont la teinture est complètement achevee,   in Ann. Ac. d'Archéol. de Belg. 69, 68 [Gent, 1546].
Volvet.
1°. Bij de kaasbereiding. Zie de aanh.
Volvet. Volvette kaas, kaas van gewone zoetemelk; vgl. halfvette kaas, kaas van melk, die eenmaal is afgeroomd, en magere kaas, kaas van afgeroomde melk,   KUIPERS [1918].
Volvet, van hoog vetgehalte,   KOENEN [1920].
— Het geregeld afroomen der avondmelk, waarvan in Noordholland sprake is, komt er weinig voor, wat echter niet wil zeggen, dat nu juist alle Zuidhollandsche en Utrechtsche Gouda's kunnen beschouwd worden als gemaakt te zijn uit volle melk en dus als volvet,   Versl. Landb. 1906, 6, 15.
Het merk voor volvette kaas bestaat uit een met blauwen inkt op een doorzichtig plaatje kaasstof aangebrachten stempelafdruk van het Nederlandsche wapen,   Staatszorg v.d. Landb. 186 [1913].
2°. Bij drukkers. Zie de aanh.
Men onderscheidt volvette en halfvette lijnen; de eerste geven in afdruk een zwarte streep ter breedte van de volle dikte der koperen lijn, de tweede slechts een streep ter halver dikte,   WINKLER, Handwdb. Graf. V. 274  (ed. 1920).
Volvlechten, eig. geheel ten einde vlechten, vand.: voltooien.
Ick (wil) Godts gerechtigh hof, Mijn leven lang, Met snaerespel en zang, En noit volvlochten lof, Verheffen, en stoffeeren, Ten roem en prijs des Heeren,   VONDEL 7, 165 [1657].
Toen het Twaalfjang Bestand aanving, was de Hollandsche tuin slechts ten deele volvlochten en allerlei daarbinnen nog in wording en werking; doch onder de leiding van geniale mannen werkte het jonge volk voort aan den tempel van zijn onafhankelijk volksbestaan met het zwaard in de eene en de troffel in de andere hand,   KALFF, Gesch. Ned. Lett. 4, 1 [1909].
Volvleesd, goed in het vleesch zittend, wel geproportioneerd.
Louis … verpreuvelde zijne oogen aan die gezonde, volvleesde deernen en hij schiep er een nieuw behagen in om haar te doen blozen voor zijn dwingenden blik,   STIJN STREUVELS, Vlaschaard 92 [1907].
Volvoegen. Zie de aanh.
Volvoegen. (Mets.) Met mortel de voegen opvullen en effenstrijken,   JOOS [1900-1904].
Volvoegen. Plat volvoegen, met mortel de voegen opvullen en effenstrijken,   CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
Volvoeren, volvoetig (zie die woorden).
Volvormen, slechts aangetroffen als volt. deelw. volvormd: volledig gevormd, geheel ontwikkeld.
Schoon by de meeste Boomen en Struiken de bloeisems gemeenlyk geformeert worden in Botten van een of twee jaer oud, egter zeit hy (een Engelsch botanicus), geeft de Wyngaerd zyne Vrugtbotten aen zyne Voor-jaers- en te mets ook aen de Naejaers-scheuten van 't zelfde jaer. De Botten op de Voorjaer-scheuten zyn volvormt in den vorigen maend July,   V. RANOUW, Kab. 8, 3, 33 [1721].
Gy, die met thands volvormde leden, Ontzwachteld uit den kindschen staat, Met 's levens morgen op 't gelaat En 't hart met hoop vervuld, … Een nieuwe baan betreden gaat. Hoe bruischt u 't bloed met welbehagen!   BILD. 5, 428 [1826].
Eene 5 jarige merrie (baarde) drie levende hengstveulens …. De jonge dieren waren volkomen volvormd en vrij sterk gebouwd, doch stierven na eenige uren,   Boeren-Goudmijn 1, 275 [1855].
Ze was nog maar vijftien jaar oud maar volgroeid en volvormd was ze als eene van twintig. Een ruischebuische, kloek van beenen, rond van heupen, vol van lijf en rank van leden,   STIJN STREUVELS, Vlaschaard 76 [1907].
Vandaar: volvorming.
Het tijdperk van de volvorming der teeldeelen (valt) in, als er gebrek aan ruimte, en … trager voedering plaats heeft. Die deelen blijven dus achterlijk, of ontbreken geheel,   HEKMEIJER, Bijent. 48 [1866].
Vollevreugd, groote vreugde.
K. L. Sou Lans wel van die boeckjes weeten, Daar hy soo fray in wort gebeeten, Dat hy staet op het schouw Tooneel, Gelijk als Orphebus met zijn veel. K. d. W. Hoe duyvel mag die vent soo raasen, Meenje dat als de Spinders baasen, Nu niet int geheel zyn verheugt, En de Vaentjes in vollevreugt,   Overtooms-praatje 2, 9 [1760].
Volvreugdig, met (groote) vreugde vervuld.
(De duivels) weten dat de mensch tot het eeuwigh volvreugdig leven opgenomen zal worden, waar toe zy noit en zullen raken,   DE BRUNE, Werken 1, 41  (ed. 1664).
Hierbij: volvreugdigheid.
Een goê gewisse (wort) bequamelik by 't vliesjen, dat het hart omringt, geleken: want gelijk het daar deur geduurigh met heilzame wateren ververscht wort; zoo is de ziel van een eerlik man in een gestadige volvreugdigheit en verversing, waar door hy zich in 't midden der gevaren verwonderlik kloekhertigh … weet te toonen,   DE BRUNE, Wetst. 1, 300 [1644].
Volvrijen, ten volle of ten einde toe liefhebben, — vrijen.
Die Fortun door gonst verblijt Wort bestrijt, T'is aen Peleus … ghebleken, Als hy Thetijs had vol vrijt Heeft den nijt t'Bruyloft volck met t'vvist ontsteken,   YSERMANS, Tr. Cup. 61 [1628].
Volvromen, ten volle of naar waarde prijzen. Volgens MAK, Rhet. Gloss. 507 kan volvromen in de aanh. ook (corrupt) staan voor vervromen, verbeteren, overtreffen.
Mercurius. Ghy siet … Hoe blinckende mijn cracht ouer v staet gherect, De Conste onbevleckt, neemt hier haer groeytsele. Neptunus. Tis so, maer deur my ontfangt ghy v voeytsele. Mercurius. Deur ons moeytsele, niet om volvromen, Sydy (Antwerpen) tot vier ampliatien ghecomen,   Antw. Sp. l iv r° [1562].
Volvroolijk, heel vroolijk.
Twee schepen, die … dus (t.w. met kanonschoten) hunne behoude reis volvrolijk uitbalderden,   GARGON, Walch. Ark. 2, 102 [1717].
Hy (tracht) 't blinkend zwaard aan 's Grijsaarts vuist te ontrukken, 't Gelukt, en de achtbre Held zinkt weerloos neêr in 't zand. Volvrolijk schiet hy toe, en reikt hem de open hand,   BILD. 2, 80 [1803].
Volvrolijk vervloog … voor 't minnende paar In weelden en feesten een jaar en een jaar,   BOGAERS, Dichtbl. 72 [1852].
Volvruchtig, volle vrucht dragend.
Dit is het leven met den dood verzoenen: Dat alle oogsten wortlen in het doode, Dat grauwe gronden rozen overrooden; Uit den vermolmden woeker, het verfoeisel, zal Vrijheid stijgen, een volvruchtig bloeisel,   SLAUERHOFF 1, 19 [c. 1920].
Volvullen, geheel vervullen, nakomen, naleven.
Ik … bezweer u voor de Goden en 't vaaderlandt, de achterneeven van Augustus, uit overdoorluchtighe voorouders gesprooten, neemt ze aan, stiert ze, volvult uwen plicht en den mynen!   HOOFT, Tac. 107 [c. 1635].
Volwaar, voorwaar, voorzeker.
O! hoe soet ist … Te sien alom langs tschoon end' blinckend' huys … Een groot getal van menich knecht end' slaue, Welck gade slaen haer meesters goet end' have: Als Alphius de groote woeckenaer Dit aldus seyd' (gemaeckt een boer voluaer) Heeft hy sijn gelt alom vergaert met hoopen, Om stracks daer meed' een Landt-hof te gaen coopen,   V.D. MYL, Slach v. Lep. E 4 r° [1593].
Volwaard, zeer dierbaar.
Gy, die aan zoeler zuiderboord Den zilv'ren Tyber murm'len hoort …, 't Is my bewust, volwaarde vrind! … O! gy vergeet … Uw Holland en uw vrienden niet,   V. LENNEP, Poët. 3, 74 [1831].
In de volg. aanh. bep.: zeer edel, voortreffelijk.
(Galliope tot de maagd van Amsterdam) Moest uw kroon een paerel derven, Moest de wakk're zeeman sterven: O! hy viel, met roem omstraald. De eer, die hy zich kon verwerven, Moogt gy erven; Ze is op d'Aemstel neêrgedaald. Eeuw'ge lof zal u bekroonen: Dank verwerft uwe Aemstelstad, Dat zy zoo volwaarde zonen Voor 's Lands welzijn over had,   V. LENNEP, Poët. 9, 13 [1831].
Volwaardeeren, op de volle waarde schatten.
De kostelijcke waerde Van allerley metael, gesteente en schat, in d'aerde Begraven, en ontdeckt, terwijl den gierigaert Zijn moeders ingewant en boezem nimmer spaert, Wort nimmer volwaerdeert,   VONDEL 9, 480 [1662].
Volwaardig.
1°. Geheel en al —, ten volle waardig.
Als wy gode dese gloriose namen ende goddelicke titelen gheuen, segghende. O eewighe goetheyt, o onbegripelicke wijsheyt, o onbedriechlicke waerheyt … zo en gheuen wy God gheen volwaerdighe, gherecht, betamelicke, ende behoorlicke namen, zo zijn hooghe weerdicheyt toebehoort,   ROECX, Gheest. Steen S vij r° [1577].
2°. De volle waarde hebbend.
Alle welcke slaven soodanigh sijnde geconditioneert ende werdende gelevert, sal den voorsz. tweeden comparant inde geseyde qualiteyt op Curaçao moeten betalen 107 1/2 volwaerdige stucken van achten voor yder leverbaer stuck,   in Econ.-Hist. Jaarb. 4, 64 [1662].
Volwaken, ten einde toe waken.
Volwaken. Veiller iusques à la fin. Peruigilare,   PLANT. [1573].
In de volg. aanh. trans. gebruikt m. betr. t. den tijd: (den geheelen tijd) wakker blijven.
Eet hij (een nachtegaal) niet? Hoe leeft hij? Of, hoe kan hij, zonder staken, van eer het daglicht henengaat tot 's morgens, in den gloed des middags, immer nuchtersmonds, volzingen en volwaken den tijd, dat 't menschdom ruste,   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 135 [c. 1885].
Volwandelen, alleen aangetroffen als gesubstantiveerd volt. deelw. (de) volwandelde, degene die den weg ten einde toe heeft afgelegd. In de aanh. bep. fig. voor: degene die het leven ten einde toe geleefd heeft.
In d'eerste vraeghdy: Tot wat eynde die christen Pelgerim in desen leven mach komen. Ende in de tweede: Hoedanigh dat eynde is, te weten of die doorstredene veyligh, ende die volwandelde in rusten zy,   Docum. Reform. 1, 255 [1578].
Volwapenen, alleen aangetr. als volt. deelw. vol(ge)wapend, geheel en al, ten volle bewapend.
De pronk der volgewaepende Hartoghinne van Savoye, heeft my en mijn hujsvrouw verheught, met het schilderachtigh dat 'er in is,   HOOFT, Br. 3, 342 [1640].
De reize te waater … scheen hun (de Staten) zoo veel als onmooghelyk, en slechts voorgeworpen, om den handel te rekken, tot dat men zich van Don Johans zyde, volwaapent hadde,   HOOFT, N.H. 489 [ed. 1642].
In het inkomen (van het raadhuis) staet een beelt van een vol-wapent Keyser,   SMETIUS, Chron. Stadt d. Bat. 31 [1660].
Volwassen (zie ald.).
Volweg, (scheepv.; dial. in Vl.-België) zie de aanh.
Vulweg, met zijwind, met dwarsscheepse wind, met de wind op de zijde,   DESNERCK [1972].
Volwerken (zie ald.).
Volwettig, in overeenstemming met de wet, door het gerecht erkend, in rechte vastgesteld.
Meester B. … ende … ziin wiif, beloofden te betaelne … Q. ende … B., alsulcke somme als zii hemlieden moghen schuldich ziin van cope van Scausiine steen …, verbiindende daerinne ende in versekerthede van dien huerlieder personen ende al huerlieder goedt …, up al vulwettich, etc., ende bii specialen, huerlieder huus metten lande,   in WEALE, Égl. de Dixm. 2, 138 [1536].
Volweven, eig. (een weefsel) ten einde weven.
Detexo …. Acheuer de tistre, Tistre. Détistre, Défiler. Volweuen, Afweuen, Weuen, Vlichten, Ontweuen, Ontdrayen,   Dict. Tetragl. 92 c [1562].
Pertexo …. Acheuer de tistre. Parfaire. Af weuen, Volweuen. Volmaecken,   229 d [1562].
— Mijn Zoon, sprak Venus … Ga heene, quijt u … in 't bruitsbedde, al den nacht, Volweef 't begonnen web, onthael, naer uwe maght, Dees twee Gelieven, die den dienst van Min behoeven, En legh een' vasten bant om L., en A.. De wufte Dwergh vergramde … En sprack: 't zal beter zijn, dat moeder 't werck voltreck, Het welck zy zelf begon,   VONDEL 4, 32 [1639].
Ontroostbaar zitten De zonen van Erin, En plegen rouw. En 't Web is volweven: Het breede slagveld Met bloed geverwd,   STARING 3, 144 [1832].
Vand. ook: (een bep. werk) voltooien.
De nacht compt vp die handt, wilt nv v wercken volweuen, ghij amoreusen plaijsant,   Cristenk. 41 [c. 1540].
O Kooningh, schoon dit rym, met moeite, was volweeven, Al swaerder dan tapyt, op weefgetouw, bereidt: Noch stree ik, met 't gemoed, of ik 't zou derven geeven, Om syn geringe styl, uw groote Majesteit,   SIX V. CHAND. 321 [1657].
Volwichtig (zie ald.).
Volwijs, zeer wijs, geheel en al wijs.
Minerv', wanneer ze in 't glinstrend wapen, Omhuld met eeuwig lauwerblad, Uit 's Vaders opgekloofde slapen, Volwijs, volschoon, volmaakt, volschapen, In Godenpraal te voorschijn trad,   BILD. 10, 94 [1796].
Volwillens, uit eigen vrijen wil; soms bep.: gaarne (vgl. fr. volontiers).
Dat alle vleeschelijcke ghenuchte dootsonde is, alse vol willens is,   OTTONIS, Hem. buyten Hem. 46 [1671].
Adieu allendighe woon-plaetse mijnder smerten, adieu: ick verlaete seer gheerne, ende volwillens eenen carcker, in den welcken ick soo veel lijdens … hebbe ghenootsaeckt gheweest te smaecken,   V.D. HOUCKE, Ned. Sus. 95 [1676].
Volwillig.
1°. Geheel en al gewillig, bereid(vaardig).
O! rijck van heyl, die, noch door boosen raet, Noch all'mans doen, noch ledigh spot-gepraet, Van 't saligh padt sijn gangen aff wil geven, Maer aen Gods Wet … Sijns zielen lust vol-willigh over geeft, En grondt en mondt reyn opgeoffert heeft,   CAMPHUYZEN, Ps. 1, 2 [c. 1626].
Ik ben volwillig om hen, als lieden, wier deel toch alleen in dit leeven is, alle de Burgerlyke beleefdheden te betoonen, die hun dit leeven aangenaam kunnen maaken,   WOLFF en DEKEN, Leev. 8, 162 [1785].
2°. Geheel uit eigen beweging, volledig uit eigen vrijen wil.
Sy worden hier ghehouden die daer vroom zijn, maer sy en worden niet tegen haer danck gehouden: sy worden hier met Godts wet ghebonden, dese beminnen sy uyt het binnenste merch haeres ziels: uyt ganscher herten, met den geheelen ghemoede begeeren sy die te ghehoorsaemen …. Met een woort: se worden hier gehouden, maer vry- en volwillich,   GEULINCX, Hooftd. 137 [1667].
Volwinds, eig. met volle zeilen; in de aanh. bep.: met volle vaart.
Gins komt een sterk gevolghde Boer, Volwinds, gereen, uit 't Veener moer,   SIX V. CHAND. 63 [1657].
Volwinnen, volledig (over)winnen.
Om dat Augustus eerst vol-wan Egypten-landt, Den wilden Crocodijl met vaste ketens bandt Aen sijnen eygen boom, aen een Nilootsche Dadel, Heeft hij met dese Loos verciert sijn stam en adel,   V. RAVELENGHIEN, Princ. Dev. 102 [1615].
Volwoord, zie de aanh.
Vol-woord, volgh-word. Affirmatio, assertio, approbatio, assensus, consensus,   KIL. [1599 ].
Volwoordt, volghwoordt, bevestighing, ghoedtkeuring, toestemming,   MEYER, Woordenschat 917 [1669 ].
Hierbij: volwoorden.
Vol-woorden. Affirmare, asserere, approbare, consentire,   KIL. [1599 ].
Volwoorden, bevestighen, toestemmen,   MEYER, Woordenschat 917 [1669 ].
Volworden, tot voltooiing komen.
Hij (Stijn Streuvels) ziet stukken natuur, bekijkt ze, bewondert ze, geniet ze, en draagt ze genietend in de ziel. Zij wassen daar. Zy Crystaliseeren …. Zij volworden,   VERRIEST, Vl. K. 2, 119 [1901].
Volzaaien (gew. in Vl.-België), zaaien totdat er niet meer te zaaien is, zoo zaaien dat er geen onbezaaide plaats meer over blijft. Alleen aangetroffen als volt. deelw.
Als 't al volzaaid en volzeeuwd is, ton he'm'et schoone!   Loquela 9, 40 [Ghistel, 1889].
Alles is volzet en volzaaid,   JOOS 722 b [1900-1904].
As alles volzaaid en volzet is, dan hebben de boeren wa' rust,   CORN.-VERVL. 1396 [1903].
't Klainst hoekske was vulzouid of vulplant,   TEIRL. 3, 278 b [1922].
Volzaakrijk, vol gegevens, geheel gevuld met (belangrijke) feiten.
Veel zoude ik hier … kunnen byvoegen: zoo wegens het gansch afwenden van het poksmet! het verzagten van de uitslagkoorts enz. …: welke eerder, eene afzonderlyke Verhandeling schynen te vereischen, dan tot dit Antwoord, 't welk de Maatschappy verwagt, kunnen betrekkelyk gemaakt, veel min by deeze volzaakryke nooten geplaatst te worden,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 18, 624 [1778].
Volzalig, zeer zalig
Ik sag mijne verlorene toestant … dan met minder en dan met meerder andoeninge des herten. En als my de volsalige Middelaar Jesus als eene noodsakelike en Algenoegsame Heyland voorquam, redeneerde ik immer. O wat kan het my baten, of Jesus sulke eene volheyd van genade besit, als ik'er buiten blijve,   SCHORTINGHUIS, Inn. Chr. 324 [1740].
Ge (t.w. God) onttrekt U niet aan 't werkstuk uwer handen, Hoe fel en wreed de haat ons aan moog' rande, 't Volzaligst lot wordt ons door U bereid,   DROST, Hermingard 230 [1832].
Het zaligst heil, dat ge U (Maria) beschoren ziet, Is, dat de naam uw Zoons in glorie winne; En, schoon ge U zelf thans hoog verheerlijkt weet — Kon nog uw oog, Volzaalge! tranen plengen, Gij weendet, als gij U ziet offers brengen, Waarbij men Hem vergeet,   TER HAAR, Ged. 1, 190 [1849].
Ook in de bet.: geheel en al gelukkig.
  V. DALE [1872 ].
  KOENEN [1900 ].
— Dat de Held van Neêrland leve! Dat zijn echt volzalig zij! Dat die echt hem telgen geve, Hollands steunsels, zoo als hy!   DA COSTA 1, 323 [1821].
Denk vaak aan uwe jeugd, aan die volzaalge tijden, Toen kindschheid huppelde over zorg en kommer heen, Toen gij uw leven, als een golfjen, weg zaagt glijden, En u heel de aarde een hemel scheen!   SPANDAW 4, 22 [1838].
Hij kuste haar niet, hij zou het niet gewaagd hebben …: die overgave was zóó nieuw, zóó vreemd, dat het ontzag voor haar hem zelfs in dit volzalig oogenblik overheerschte. "Reine, het is de liefde!" fluisterde hij,   LOVELING, D.E. 201 [1891].
Hierbij: volzaligen, geheel en al zalig maken.
Het lust me tans o Zeeus! (volzaligt Hooftpoëet, Nu gy op 't Starrendak en Wolktapyten treet In 't zaligh zielenhof, daer u de Cherubynen Bekleen met zonne gout en blaakende robynen, Terwyl gy banketteerdt op 't eewigh zegefeest,) My te verheugen in de vrugten van uw' geest,   voor ZEEUS, Ged. **** 2 b [c. 1710].
Dat zegenrijk genot, dat volk en land beveiligt, Dat vaderlandsch gevoel, dat ons, bij leed en smart, Volzaligt, kalmte en vrede ons liefdrijk stort in 't hart,   HILMAN 1, 103 [1875].
Volzaligheid.
  V. GELDEREN [1909 ].
— In zijn vurige overtuiging, dat hij bij haar … alleen het ware geluk vinden zou, vergat hij … alles, al de hinderpalen …, al de smarten: hij leefde als in een atmosfeer van droomen, van volmaakte en ideale volzaligheid,   BUYSSE, Mea Culpa 47 [1896].
Volzeeuwen (gewest. in Vl.-België); zie onder Volzaaien.
Volzegelen (lakenweverij), (bij de keuring) van het laatste zegel voorzien.
VulsegheltAyant reçu son dernier plomb,   in Ann. Ac. d'Archéol. de Belg. 69, 68 [Gent, 1546].
— Zo wanneer eenich laken … vulseghelt zal worden met zynen uutersten zeghele,   Ald.
Alle gevulde laeckenen, by waerdeyns voor goed geoordeelt, zullen … gesegelt worden … met een loot …, hebbende 't Amsterdamse wapen ende op d'ander zyde geschreven Amsterdams laken …. Maer zoo wat lakenen de waerdeyns zullen oordeelen niet te behooren volzegelt te worden zal men looden als vooren, ende in plaetse van 't gemelde zegel alleen teeckenen met een cleyn wapentge,   R.G.P. 144, 219 [1639].
Vier Wardeins (quamen) in de Ramen, om de laeckens te wardeeren, ende te looden, voor Puijck, Volsegelt, Voorwolle enz.,   Welv. v. Leiden (ed. DRIESSEN) 77 [1659].
Volzeil (mol.), zie de aanh.
De meulen staat (op) volzeil, wanneer het zeil gansch, in zijne heele lengte, opengespannen is,   JOOS 722 b [1900-1904].
  CORN.-VERVL., Aanh. 2140 [1906].
Volzeild (alleen in dezen vorm aangetroffen), met volle zeilen.
Siet, een grooten hoop van dienstbereyde sielen Ontspringen uyt den slaep, en, als volseylde kielen Ontbonden en voor wind vast séewaert in, Soo vliegen-se uyt hun bed,   V. DAELE, Tydv. 1, 11 [1806].
Volzeker, geheel en al zeker.
Is 't gelooflijk, dat het geld hier ouds tijds zo schaars zy geweest, dat men voor een Braspenning een brasmaal konde doen, zeide H. …? 'T is niet alleen gelooflijk, maar ook volzeker, antwoorde He.,   GARGON, Walch. Ark. 1, 303 [1715].
Dat het volseeker is, in gevolge het agtste Articul van de Instructie van den Hove, dat de cognitie van crimineele saaken, by nonchalance of werkeloosheid van de Officieren, aan den Hove niet eerder competeert, dan wanneer de delicten zijn verjaart en ongecorrigeert,   N. Ned. Jaerb. 1770, 79 [1770].
Dit is ten minste volzeker, dat zelfs de lichamelijke vermaken niet dan door de ziel genoten worden,   BILD., Dichtk. en Wijsbeg. 124 [1779].
"De hemel hoede ons Heir! maar is de Veldwacht zeker?" — "Volzeker (zegt de Prins); verban dien ijdlen schrik!"   BILD. 2, 290 [1805].
Hierbij: volzekerheid.
(Paulus) (laet) zyn laetsten zegezang hooren, die uit volzekerheit des geloofs van zyne lippen afrolt. Ik hebbe den goeden stryt gestreeden, ik hebbe den loop geëindight, ik hebbe het geloof behouden enz.,   JUNGIUS, Lykr. 7 [1720].
Volzetten (zie ald.).
Volzieden, volledig koken.
Als sy ("creften") te haluen ghesoden zyn … ghyet daer wijn op ofte edic ende volsietse daer met,   Boecxken v. cokeryen A v r° [c. 1510].
Neemt seer cleyn gesneden ayiuyn ende siet dien; als hi gesoden is doeten inden pot metten penskens. Dan nemet caneel, ghincbaer enz. … ende menghet met azijne, ende te maten sout, ende latet tsamen volsieden,   VORSELMAN, Coock Boeck (ed. COCKX-INDESTEGE) 139 [1560].
Als den Ajuyn gesmolten is, dan werptem inden Ketel, ende dan peper daer op, ende siedt dit t'samen. Ende als hy begint te dicken, dan doeter die 2. deel Peperpoeders in, ende latet daer mede volsieden ende volbinden,   Koockb. 57 [1599].
Volzin (zie ald.).
Volzingen.
1°. Ten volle (be)zingen.
Waer zy (twee "gezellen") met tzelverwerck bevoeren En rycquaerts tassche bezelvert wyt Zullen wy hier naermaels roeren Ende vulzynghen, een ander tydt,   DE DENE in Gulden Passer 25, 325 [c. 1560].
Siet broeders … Dat is de schoone broederschap, Die wy daar (in "'t Eeuwige Vaderland") alle sullen vinden, Om eeuwig … De vrindschap aan te binden. En met haar … te speelen; Voor 'r Vaderlijke aangesicht, Soo mild om mee te deelen. Al wat uyt sijne diepte welt, Tot vreugde van de Hemelingen, In geen getal noch maat gestelt, Wie kan uw' lof volsingen?   LUYKEN, Z. en St. Gez. 130  (ed. 1704).
Het Tael- en Dichtlievend Genootschap: Kunst wordt door Arbeid verkreegen; heeft … den gouden Eerpenning toegeweezen aen het Dichtstuk met de Vaersen uit de Psalmen van J. … en den zilveren aen het Stuk onderschreeven: Nooyt volzongen,   N. Ned. Jaerb. 1780, 447 [1780].
U Vader! wien 't heelal vereert, u danken wij, dat Gij regeert, Nooit wordt uw lof volzongen,   Evang. Gez. 2, 2 [1806].
Met duizend, duizend tongen Zendt lucht en zee en aard Een loflied, nooit volzongen, Welluidend hemelwaart,   HEYE, Volksd. 1, 142 [1870].
2°. Ten einde zingen, uitzingen.
Eenighe toekykers (hieven) den honderdt en dertighsten Psalm aan, en volzongen die teeghens den dank der Geestlykheidt,   HOOFT, N.H. 703 [ed. 1642].
Eet hij (een nachtegaal) niet? Hoe leeft hij? Of, hoe kan hij, zonder staken, van eer het daglicht henengaat tot 's morgens, in den gloed des middags, immer nuchtersmonds, volzingen en volwaken den tijd, dat 't menschdom ruste,   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 135 [c. 1885].
Vand. ook: voltooien.
Uw gaaf (die van een dichter) verwonder', treff', ontzett'! En, heeft ze een' hart doordrongen, Eén boosheid in het zaad verplet, Gy hebt uw taak volzongen,   BILD. 13, 247 [1818].
Volzondig, door en door zondig.
Na dien dat de salighe Zielen boven inden Hemel … hun selven soo diep verootmoedighen voor God den Heere, o wat een nedericheydt behoorter te wesen by ons vuyle vol-sondighe Menschen, wanneer wy ghelijck arme Bedelaers, yet komen versoecken … by dien reynen en glorieusen God!   SPRANKHUISEN, Roepende Stemme 2, 47 [1630].
Volzuiver, geheel en al zuiver.
Maria, van uw God tot moeder uitverkoren! — Volzuivre!   BILD. 5, 144 [1817].
Maria is voor Bilderdijk de Moeder Gods, de volzuivre,   PIERSON, O. Tijdgen. 188 [1886].
Volzwart, door en door zwart.
Vol-swert. Perniger,   KIL. [1599 ].
Vol-swert, Very Swart, or Blacke,   HEXHAM [1648].
Volswert, Tres noir,   D'ARSY [1651].
Volzwollen (alleen in dezen vorm aangetroffen), tot het uiterste gezwollen.
Muitwerk …, 't welk … als het, bynaa volzwollen, op 't uitbersten stond,   HOOFT, N.H. 1241 [c. 1645].
Volzworen (alleen in dezen vorm aangetroffen), geheel en al tot zweer geworden.
Den Patyent can seer qualic op de rechte Syde geliggen, so lange alsser noch geen sweerenisse en is, maer als de Leuer geapostemeert, ofte volsworen is, so ligt hy met minder pijne op de rechte, dan op de slijncke Syde,   BATTUS, Handb. d. Chirurg. 134 [1595].
Als eenighe materie ligt en sweert, soo en is de mensche sonder cortse niet, maer wel so wanneer die volsworen is,   PARÉ-BATTUS, Chirurgie 899 a [1604].

Aanvulling bij VOLI

Samenst. en samenst. afl. Volautomaat, volautomatisch (zie die woorden).
Volbad (I), znw.
1°. Bad waarin het geheele lichaam (van een patiënt) behalve het hoofd ondergedompeld is.
Sublimaatbaden (worden gemaakt) door 3-10 g sublimaat op den inhoud van een volbad op te lossen (houten kuip),   Kath. Encyclop. 3, 559 [1933].
Behalve de volbaden kent de hydrotherapie ook deelbaden in den vorm van armbad, zitbad, beenbad,   Kath. Encyclop. 13, 770 [1936].
2°. Zinkbad waarin te verzinken platen volledig ondergedompeld worden.
Beter ware het te spreken van verzinkte platen (i.pl.v. gegalvaniseerde), omdat het galvaniseren feitelijk een electrolytisch proces is, terwijl platen steeds in het zinkbad worden verzinkt. Behalve van gegalvaniseerde platen spreekt men ook van ”in het vuur” of ”in het volbad” verzinkte platen,   Bouwk. Encyclop. 1, 451 b [1954].
Behalve het metalliseren door zinkspuiten biedt ook het thermisch of in volbad verzinken een goede bescherming. Deze methode is echter, door de vervormingen welke bij de hoge badtemperaturen ontstaan, voor stalen ramen, enz. minder doelmatig,   Bouwk. Encyclop. 2, 432 b [1955].
Volbad (II), bnw. en bijw., van en m. betr. t. galvaniseeren: door volledige onderdompeling.
  Wdl. C.T.T. N. 5014 (Binnenklim.) blz. 22 [1952].
Volbeladen, inz. van schepen: zwaar beladen, ten volle beladen.
  VERSNEL, Vakwdb. Binnenv. [1968].
— Eerst dàn voelde zij (t.w. Koninklijke Shell) zich veilig in eigen rijk, wanneer haar volbeladen schepen, het Indisch zeegat uit haar vlag lieten wapperen op den vrijen oceaanweg naar de vrijhavens van 't Verre Oosten,   GERRETSON, `Koninklijke' 3, 2 [1941].
Sinds de geweldige uitbreiding van onze scheepvaart en handel in de 16e eeuw, waardoor ons land weldra de Stapelmarkt van Europa zou moeten worden, kwamen uit alle landen der wereld schepen volbeladen in Nederland aan,   Econ.-Hist. Jaarb. 23, 65 [1947].
Dat voor volbeladen schepen wateroverneming een belangrijke oorzaak is van verlies van snelheid,   N. Rott. Cour. 24 Mei 1969.
Volbezet, van een elevator, paternosterwerk, loswerktuig: waarbij de aan een ketting gemonteerde bakken zich omkeeren zoodat de inhoud over den voorgaanden bak wegglijdt; omkeerlossend.
  JANSONIUS, Techn. Eng. Wdb. [1963].
— Kettingelevator is een elevator waarbij de bakken of armen vast gemonteerd zijn op een ketting …. De kettingelevator is speciaal geschikt voor langzaam lopende elevatoren van het omkeerlossende of volbezette type,   Bouwk. Encyclop. 1, 618 a [1954].
Volbezette elevator is een der drie hoofdtypen en heeft het kenmerk, dat de snelheid van de band of ketting, waarop de bakken zijn gemonteerd, zodanig is, dat bij het omkeren der bakken deze zich ledigen, waarbij het materiaal stort over de rug van de voorgaande bak, die hierbij als glijgoot dienst doet. Dit type wordt toegepast als het te vervoeren materiaal niet geschept kan worden,   Bouwk. Encyclop. [1955].
Volgas, toestand van een motor waarbij de gasklep geheel geopend is.
  Wdl. C.T.T. N 5042 (Luchtv.) blz. 94 [1953].
— Aan het einde van de baan keerden zij (t.w. een vliegtuig met passagiers) nog eens een keer, brulde ieder der motoren nog eens volgas, gingen zij weer zachtjes gaan staan pruttelen,   Zóó leven wij in Indië 15 [1942].
In de groep met vol gas lopen zijn vol en gas tot een koppeling volgas verbonden, die dezelfde betekenis heeft als de gehele voorzetselbepaling …, maar zich niet met het werkwoord lopen tot een nieuwe koppeling heeft verbonden,   Luchtvaartwdl. 133 [1964].
Volgeboekt.
1°. Van vervoermiddelen, hotels e.d.: waarin geen plaats meer te krijgen is omdat ze alle reeds bezet, verhuurd zijn; vol.
  V. DALE [1950 ].
— Over de reeling van de derde klas van de ”Oldenbarneveldt” … leunde Fokko H. … de laatste passagier van het volgeboekte schip op weg naar Indië,   Zóó leven wij in Indië 28 [1942].
Dikwijls is het … voorgekomen, dat aan onverwachte bezoekers bij een volgeboekte jeugdherberg onderdak werd verschaft in een nabijgelegen boerderij,   Overijssel 5, 72 [1951].
Een volgeboekt vliegtuig,   V. DALE [1976].
2°. Van een bijeenkomst: het maximaal aantal inschrijvingen bereikt hebbend.
De tweede bijeenkomst is reeds volgeboekt. De Redactie heeft … een wachtlijst met namen van hen, die niet meer in deze groep konden worden geplaatst,   Ons Gezin 2, 251 b [1947].
3°. Volgeboekte praktijk, praktijk van een huisarts of tandarts waarbij inschrijving van nieuwe verzekerden niet mogelijk is omdat het toegestane maximum aantal patiënten is bereikt.
  Jargonb. Ziekenfondsen [1963].
Volgieten.
1°. Al gietend geheel vullen, inz. met stoffen die later hard worden als vet, beton e.d.
  V. DALE [1914 ].
— Hoofdzaak voor houtplaveisel is een doeltreffende verduurzaming van het hout. Het volgieten van de ca. 3 mm dikke voegen met asfalt is zeer doeltreffend gebleken,   Hout in alle T. 4, 361 [1952].
We hadden geluk en maakten nog twee niet helemaal verdiende goaltjes en wonnen de beker, een geweldige zilveren bokaal. Er werd gespeecht en de beker werd volgegoten met twee flessen champagne,   APIE PRINS, Baan 178 [1958].
Enkelvoudige vormen (t.w. gietvormen voor kaarsen) hing men gewoonlijk in een speciaal voor dat doel gemaakt tafeltje. Het volgieten kon dan wat sneller gebeuren, daar het overtollige vet gemakkelijk van de tafels kon worden verwijderd voor hernieuwd gebruik,   PLETTENBURG, Licht 13 [1968].
2°. (Fig.) (Met gevoelens, ideeën) volstoppen.
Ik wil je zo in twijfel brengen dat je er niet meer van slapen kunt. Ik wil je zo volgieten met die twijfel, dat ze als zweet uit je poriën loopt, zodat iedereen het ziet,   DEN DOOLAARD, Kleine Mensen 527 [1953].
3°. (Wederk.) Zich dronken drinken.
  V. DALE [1976].
— Ik (ga) me stevig bedrinken …. Dan kunnen ze tenminste niet zeggen dat ik een lafaard ben. Dan heb ik tenminste een alibi. En als ik me goed volgegoten heb, dan hoef ik ook niet meer aan Ulick (een doodgeschoten vriend) te denken,   VESTDIJK, Iersche Nachten 92 [1946].
Volhangen.
1°. (Bedr.) Met opgehangen versierselen bedekken.
De bloemwinkel had … de hall volgehangen met groene slierten en lelietjes van dalen. Een heer, die er bij hoorde, stond met een scheef hoofd naar het effect te kijken,   V. EYK, Int. Revue 78 [1936].
2°. Van struiken, boomen, planten e.d.: volgeladen zijn met bloemen.
Aan een stam was een orchideeënklit in bloei gegaan, lange stelen, volgehangen met sneeuwwitte duifjes, die stroomen geur zonden uit elken kleinen kelk,   Zóó leven wij in Indië 67 [1942].
Voljoodsch, volbloed Joodsch; tot de Joodsch-kerkelijke gemeenschap behoorend (inz. in verband met de Jodenster in W.O. II).
Dat T. van moederszijde niet voljoodsch is, en dat, indien ze dit eerder geweten hadden, haar kinderen van de J. op hun persoonsbewijs waren vrijgekomen,   bij V. TAALINGEN-DOLS, Strijd Mensenleven 77 [1942].
Van geheel of gedeeltelijk Joodsen bloede gold hij, die ook slechts van één naar het ras voljoodse grootouder afstamde. En die grootouder was voljoods, als hij deel uitmaakte of uitgemaakt had van de Joodse kerkelijke gemeente,   Onderdr. en Verzet 3, 49 [1952].
Een grootouder wordt als voljoods aangemerkt, wanneer deze tot de joods-kerkelijke gemeenschap heeft behoord,   PRESSER, Ondergang 2, 56 [1965].
Volkorenbiscuit, (mog. gevormd analoog aan volkorenbrood) biscuit gebakken van volkorenmeel.
Ontbijtkoek Biscuit Volkorenbiscuit,   SARELS V. RIJN, Koken 29 [1951].
Volkorenmeel, volmatroos (zie die woorden).
Volpennen, m. betr. t. schriften, bladzijden e.d.: met aanteekeningen, verhalen e.d. volschrijven.
”Dus: we komen deze reis heelemaal niet in Italië?” vraagt C. nog slechts. ”Nee, juffrouw, deze reis niet …”. Daar gaan haar nauwkeurig omschreven plannen, haar museumbezoeken …. Dáárvoor heeft ze geduldig schrift voor schrift volgepend met Baedeker-wijsheid,   FABRICIUS, Gr. Reis 141 [1928].
Ik dacht en dacht, dan had ik opeens een idee, ik pende mijn 3 opgegeven (t.w. voor een opstel) kantjes vol en was voldaan,   ANNE FRANK, Achterhuis 7 [1942].
In D. verzond A.G. de tien velletjes, met zorg en liefde volgepend, niet aan C. In een balorige bui verscheurde hij ze aan dek,   FENAND V.D. OEVER, Moeder 93 [1952].
Volslibben, vol slib raken; volledig dichtslibben.
  RUTTEN e.a., Geol. Nomencl. 197 [1929].
  ODERWALD, Wdb. Scheepsdienst [1931].
  BEZEMER [1934].
Volsmeren, (iets of iemand) met een zachte of vloeibare stof volledig insmeren; in de aanh. m. betr. t. honden: met een braakmiddel insmeren.
  HERMANS, Jacht en Taal [1951].
Volstoppen.
1°. M. betr. t. pers., hun magen, monden e.d.: met voedsel of drank volledig vullen; verzadigen.
Angstig zat-ie over de vrouw met de opgestroopte mouwen … en at. Maar hoe meer-ie z'n mond volstopte, om z'n goeien wil te toonen, hoe dikker en zwaarder de prop tusschen z'n onvermurwbare wang en z'n spijbelend gebit werd, hoe onoverkomelijker de berg op z'n bord,   HEIJERMANS, Droomkoninkje 25 [1924].
Tante T. was … klaar met 't snijden en smeren van de dikke boterhammen met boterhammenworst voor 't mansvolk, dat wat ankon as ze, na 't sproeibad, van de nachtploeg werom kwamen, en zich de buiken volstopten voor ze in bed kropen,   HEIJERMANS, Droomkoninkje 283 [1924].
Maria ging door met haar werk en zei … niets. Dat zij voor Peggie P., die zij in de keuken al volstopte zoveel zij kon, eten in de vensterbank zou hebben neergelegd, leek mij dwaasheid,   VESTDIJK, Iersche Nachten 81 [1946].
2°. M. betr. t. kachels: volledig met brandstof opvullen.
Als dit (een houtvuur) goed doorbrandt, begint het eentonige werk, uur na uur, van het telkens volstoppen van den haard met blokken hout, want de temperatuur van den smeltoven moet op ongeveer 1400° gebracht worden,   TIMMERMANS, Luidkl. 35 [1944].
3°. Rijkelijk van iets voorzien; overvoeren.
Geleidelijk begon P. te betalen, binnen zes maanden. De orders werden groter …. De magazijnen werden leger, en de fabriek draaide op volle kracht. En toen, ineens, moest P. weer lang crediet hebben, zes maanden op zijn minst. ”Zie je wel” zei Oom Jan. ”Hij heeft de clientèle volgestopt, en nu is het uit”,   NICOLAS, Brocaat 43 [1949].
Deze in onze tijd zeer betwistbare zienswijze (dat de schipper de hoogste functionaris is aan boord) was nog een overblijfsel uit de tijd … toen deftig uitgedoste burgemeesters en schepenen … de haringschippers volstopten met ”placcaeten, ampliatiën ende ordonnantiën”,   Neerl. Volksl. 4, 40 [1954].
4°. M. betr. t. geschriften, bladzijden: (inz. met slechte verhalen) volschrijven; vullen.
Het werk bij Modern-Movies was lijmen op een koopje, buigen voor de exploitant, vriendje blijven met de pers …, je geïllustreerde blad volstoppen met MM leugenverhalen, of je uitgeverij vertroebelen door het publiceren van vertaalde MM filmromans,   MAX DENDERMONDE, Deur 104 [1958].
Volstouwen.
1°. M. betr. t. laadruimten, kisten e.d.: volledig (door de lading aan te drukken) volstoppen.
Hoe bloedelyck de Staetzucht thans krakeelt …, Tuigt ons d'ervarenheit, schoon alle tongen zwygen. Maer … aen een zoo boos gezwil En hinckt myn volxken noit, wanneer dat slechts naer wil … zyn' kisten vol mag stouwen, En vredelyck den bucht bezitten en behouwen (Geldzucht spreekt),   DE DECKER 1, 172 [1666].
2°. M. betr. t. de lading, den inhoud van vaten, kisten e.d.: (door persen, aandrukken e.d.) een vat volledig vullen met.
Het vat tot aan 't sponsgat vol geloopen (met walvischspek), neemen ze hunne prikkers … en stouwen daar meede het spek ten boorden toe vol,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 319 [ed. 1720].
3°. (Brab.) (Het vee) de wei indrijven.
  W.B.D. 1, 3, 491 a [1976].
Volstroomen.
1°. Met stroomend water (of een andere vloeistof) volloopen.
Groot en wijd is het leven in mij, héel het leven van de aarde van God …. Ik ben een kleine baai, die volstroomt van den vloed van den oceaan van Zijn eeuwigheid,   V.D. MEER DE WALCHEREN, Menschen en God 2, 284 [1934].
2°. (Fig.) Van het hart: (met liefde) overvloeien.
Eensklaps voelde hij zijn hart volstromen met een grote, warme liefde voor dezen kleinen Antoon F.B., die vanmorgen officieel in de gemeenschap van het Nederlandse volk was opgenomen. Bij de vorige kinderen had hij dat gevoel nooit gekend,   OTT, Gew. Man 9 [1937].
Voltijdsch (zie ald.).
Vollewandconstructie, (bouwk.) volwandige (draag)constructie (gesteld tgov. vakwerkconstructie).
Deze uit doek, houten (triplex-) of metalen platen bestaande bekleding (verdeelt) de door de lucht uitgeoefende krachten over de ribben. Deze, doorgaans evenwijdig aan de stromingsrichting opgestelde onderdelen, zijn uitgevoerd als vakwerk- of vollewandconstructie,   E.N.S.I.E. 8, 210 a [1950].
Het wezenlijke van elke lijmverbinding is het feit dat zij een vlakverbinding is …. Daardoor, en mede wegens de grote stijfheid van de verbinding, wordt zij vrijwel uitsluitend bij vollewandconstructies toegepast,   Bouwk. Encyclop. 1, 568 a [1954].
Volwandig, (bouwk.) van (draag)constructies: uit een lijfplaat en dekplaten samengesteld.
  Bouwk. Encyclop. [1955].
— In tegenstelling met het vakwerk staan de volwandige constructies enerzijds en de portaal- en raamconstructies anderzijds,   W.P. Encyclop. 17, 819 a [1953].
Het portaalspant kan een volwandige constructie zijn, of geheel of gedeeltelijk uit vakwerk bestaan,   Bouwk. Encyclop. 2, 283 b [1955].
Volzout, jodiumhoudend keukenzout, keukenzout waaraan kaliumjodide is toegevoegd.
  W.P. Encyclop. 8, 37 a [1935].  Kath. Encyclop. [1938].
  V. DALE [1950 ].
— Een ander middel om het te kort aan jodium te dekken is het gebruik van jodiumhoudend keukenzout, z.g. volzout,   FABER, Ned. Landsch. 56 [1942].
Volzuigen.
1°. (Wederk.) Zich al zuigend aan drank, honing e.d. verzadigen; alles op of in zich zuigen.
  V. DALE [1976].
— En Sappho's laatste appel, aan den tak gebleven, waar hij na den pluk voortaan zich volzoog aan het sap en ongestoord zwol tot satijnen rondte,   LEOPOLD 1, 117 [1910].
Het is wel waar dat elke bloem daar zwaar van honing is en je er de bijen nooit van de eene op de andere ziet zoeken en zij zich op eenzelfde bloem kunnen volzuigen, zoo vol, dat men ze bijna met de hand kan opnemen,   KOPPEN, Soet-heem 133 [1942].
2°. M. betr. t. ruimten, bakken e.d.: door zuigen geheel vullen.
Een klok …, die in den oven volgezogen wordt met glas door met een zuigcylinder een luchtverdunning in de klok te brengen,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 2, 1, 230 [1926].
Persleiding is een zware stalen buisleiding, waardoor een mengsel van zand en water … onder hoge druk naar de plaats van bestemming wordt gevoerd …. Het zand kan rechtstreeks ter plaatse zijn opgezogen of afkomstig zijn uit bakken, die elders zijn volgezogen,   Bouwk. Encyclop. 2, 263 b [1955].
3°. (Fig.) Van den mensch m. betr. t. zijn hart, zijn ziel e.d.: geheel laten doordringen van (in de aanh. redelijk schadelijke) invloeden.
Het was een echt pest-etalagetje (t.w. dat van een sex-winkeltje), waarvan een verderfelijke invloed uitging, maar wij hadden er graag een wandeling van drie kwartier voor over, om onze jonge zielen daar vol te kunnen zuigen met vergif,   M. DEKKER, Amst. bij gasl. 18 [1949].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1981.