Koppelingen:
Vorig artikel: VOORZWEVEN Volgend artikel: VOOS II
Etymologie: EWA

VOOSI

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: voos

VOOISCH, VOOSCH —, bnw. en (zelden) bijw. Niet in Mnl. W. Mnd. vôs, nnd. vosch; hd. fosch; on. fauski, fauskr. Germ. grondvormen *fausa-, resp. *fauskr-. De spelling vooghs, die uitsl. in oudere wdb. voorkomt (voor het eerst bij KIL. [1599]), is wellicht ingegeven door de (onjuiste) veronderstelling dat dit woord uit lat. fungosus dient te worden verklaard (vgl. TUINMAN, Fakkel [1722]; DE BO [1892]).
+I.  Eig.
+II.  Oneig.
Afl. — Voosachtig.
  COMENIUS, Deure d. Taalen 63 [1666].
  WEIL. [1810].
  V. DALE [1872 ].
— De Suyckerrieden groeyen seven ofte acht voeten hooch, ende heeft de dickte van een Dodde, of een weynich dunder … ende is met een seer voosachtich ende sapachtich wit merck gevult,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 5, 69 c [1602].
Voosachtige openingen (in de mondholte),   BIDLOO, Ontled. menschel. Lich. I 1 v° [1690].
De zagte, voosagtige, mergagtige, zenuwige, pyramidaalsche tepels,   BOERHAAVE-LÓVE, Geneesk. Onderw. 192 [1745].
Vandaar: voosachtigheid.
  MARTIN [1829].
Voosheid.
1°. Weekheid, zachtheid, sponsachtigheid.
  SASBOUT [1576].
  V. DALE [1872 ].
  DE BO [1892].
— (De schors van verschillende houtsoorten verschilt) 1° In dikheid of dunheid. 2° In voosheid of ineengedrongenheid. 3° In vermolzemheid of frisheid enz.,   V. RANOUW, Kab. 6, 126 [1721].
2°. Zwakheid.
De onthullingen in Saint-Simon's Mémoires, betreffende de voosheid van 's konings aanzien in de laatste levensjaren, waren onthullingen in portefeuille,   BUSKEN HUET, Rembr. 2, 1, 384 [1884].
3°. Verrotting, bederf, ondeugdelijkheid.
Al zou dat tobben en achterblijven (inzake de moderniseering van onzen staatsvorm) niet in zich zelf een teeken van voosheid en verdorring zijn,   BUSKEN HUET, Nat. Vert. 2, 107 [1875].
4°. Inhoudsloosheid, leegheid, oppervlakkigheid.
Huet … herinnerde zich enkele liberale theologen, met wier schijngeleerdheid en innerlijke voosheid hij zich ook niet had kunnen verstaan,   QUACK, Stud. 250 [1886].
De talrijke juristen in de kamer, van wier exclusief civielrechtelijke knapheid hij de voosheid voelt, doch niet weerleggen kan,   C. V. VOLLENHOVEN in Gids 1922, 1, 505 [1922].
Voozerik, luiaard. Alleen aangetroffen in Antw. en Limb.
  RUTTEN [1890].
  CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
Voozig.
1°. Week, onvast.
Fossige kluun (= turfsoort) verteert gaauw,   Taalk. Mag. 2, 416 [1837].
  Ze. Ver. Dial. n° 135 [1962].
  GHIJSEN [1964].
— Met het (uit een klein beginsel in zyn bevrucht Ei aangroeijend) kalf, groeijen tevens zekere voozige, vaatachtige gewassen achter en zydewaards aan den Legger vast,   Verh. Maatsch. Landb. 10, 1, 91 [1793].
Ze streek zich … over het voozig-slap, rood-opvlekkende gezicht,   ROBBERS, Gel. Fam. 376 [1909].
2°. Zwak, ongezond.
Jeanne kwam er wel eens, op de drukkerij … Slecht zagen ze 'r uit, vreeselijk bleek en voozig, de zetters vooral,   ROBBERS, Gel. Fam. 42 [1909].
3°. Bleek, flets, mat.
Haar ingevallen, hoorngele gezicht, waarop … de nu bleek-purperen ader-koonen voozig verglommen onder de diepgegroefde oogkassen,   SCHART.-ANT., Sprotje 3, 7 [1910].
Vandaar: voozigheid. Veroud., maar nog gewest. in Vl.-België.
  BINNART [1654].
  HEXHAM [1678].
  POMEY [1760].
  TUERL. [1886].
  DE BO [1892].
  LIEV.-COOPM. [1954].
— De voozigheid der tanden,   DE BO [1892].
Samenst. — Voosboon, (trop. landb.) koffieboon die het resultaat is van onvoldoende bevruchting.
Dat vooral in de tweede en verdere generaties van hybriden gewoonlijk de bevruchting van de eitjes te wenschen overlaat, zoodat er een zeer groot aantal vruchten zonder goed ontwikkelde boonen of met slechts één goed ontwikkelde boon (voosboon of rondboon) voorkomt,   V. Gorcom's O.-I. Cult. 2, 215 [1918].
Voosbroek, (Antw.) luiaard.
  CORN., Bijv. [1938].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1987.