Koppelingen:
Vorig artikel: VORST III Volgend artikel: VORST V
GTB Woordenboeken: MNW

VORSTIV

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: vorst

znw. m., mv. -en. Mnl. vorst; mnd. vorst; ohd. forst, hd. forst. Blijkens de (weinige) vindplaatsen in Mnl. W. (inz. uit Sassensp.) en de karakteriseering van het woord in KIL. als sax. sicamb., ontleend aan mnd. vorst "banwoud; bosch waar voor den koning of heer bijzondere rechten en privileges gelden". Etym. onzeker. Men voert het meestal terug op mlat. forestis, foresta "saltus, silva, nemus" (zie DU CANGE 3, 549) of op ohd. *forhist "dennenwoud". Volgens J. TRIER (Wege der Etymologie (ed. SCHWARZ) 132-137), die vertrekt vanuit de oorspr. specifieke bet. van du. forst, t.w. "afgebakend woud(gedeelte)", is het woord echter het resultaat van de semantische ontwikkeling van forst "omheining, afbakening" (een bet. die zelf ontstond uit die van "bovenste horizontaal liggende balk van eenige constructie, b.v. een dak of omheining"), een bet. die in bep. deelen van het germ. taalgebied ook nu nog bewaard gebleven is; volgens deze verklaring is vorst (IV) dan, net zooals vorst (II), terug te voeren op germ. *furstiz < idg. *pstis (zie verder de etym. van vorst (II)). Voor de verschillende mogelijkheden (en de bezwaren die daar dan telkens bij aangeteekend kunnen worden) zie men de etym. wdb. van DE VRIES, KLUGE en GAMILLSCHEG (ald. i.v. forêt), de etym. van forst in D.W.B. en inz. de hiervoor genoemde studie van TRIER.
Voor het nndl. alleen aangetroffen in KIL. [1599] en in de daarop gebaseerde wdb., van MELLEMA [1618] tot Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
—  Bosch, woud.
Vorst/forst. vetus, sax., sicamb. j. foreest. Sylua,   KIL. [1599].
Een Vorst, ofte Forst, A Forest, or a great Wood,   HEXHAM [1648].
Vorst, forst. S. Bosch,   Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
Afl. — Vorster (?) (zie ald.).
Samenst. — Vorstmeester, boschwachter. In de litt. aanh. in historiseerend taalgebr. In het mnl. reeds vorstmeesterschap (zie STALLAERT i.v.). Inz. limb.
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
— Ge hadt den Grooten Raad van Mechelen …, de Schepencolleges en de Lakenhallen, en verder eene bonte menigte van proosten en wethouders, schouten en drossaards …, vorstmeesters en houtvesters …, dekens en supposten, en dit alles vonniste en rechtte, oordeelde en besliste ondereen, boveneen, en dikwijls tegeneen,   BERGMANN, Staas 104 [1874].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1987.