Koppelingen:
Vorig artikel: WAARD I Volgend artikel: WAARD III
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

WAARDII

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: waard

WEERD —, znw. m., mv. -en (gewest. eenmaal -es). De alg. ndl. vorm waard is ontstaan uit werd door qualitatieve en quantitatieve verandering van ě gevolgd door r + dentaal (vgl. SCHÖNFELD 67 [1970]. Mnl. wert; ohd. warid, werid, nhd. werd, wört; oe. warođ, wearođ.
Over den oorsprong van het woord bestaat geen eensgezindheid. FRANCK-V. WIJK [1970] gaat uit van germ. *wara, oe. waer ‘water, zee’. DE VRIES, N.E.W. [1971] beschouwt het als een dentaal-afl. van den stam *uer- ‘omsluiten, beschermen’; minder gelukkig acht hij de verbinding met on. vāri ‘vocht’, dat verwant zal zijn met oi. vari, vāri ‘water’ (POKORNY 80 [1959]). Vgl. ook WAARDE (III).
+1.  In of aan het water gelegen land; land dat geheel of gedeeltelijk met water omringd is. Inz. in toep. op tusschen rivieren, rivierarmen en -takken gelegen grondgebieden, veelal door bedijking en bekading behoed voor overstrooming en/of afkalving door de aangrenzende waterstroomen.
+2.  In toep. op door verdere aanslibbing ontstane gronden, gelegen tusschen een bandijk van een polder of waard als onder 1) en het aangrenzende water, inz. het zomerbed van een rivier, waarvan zij gescheiden zijn door een smallen aarden dijk of zomerkade, en die veelal alleen nog bij zeer hooge waterstanden onderloopen en meestal met gras, dan wel riet, rijshout e.d. begroeid zijn; buitenwaard, uiterwaard. Vgl. ook GORS, KWELDER, SCHOR, SLIK en VOORLAND.
3.  Vervolgens in tegenstelling tot 1 en 2), waar sprake is van een natuurlijk ontstaan, ook in toep. op ingedijkte en drooggemalen watergebieden.
Men treft thans ook Zeewier aan in den Grooten Waard, of in het Oude Vlie, ook op Lutjewaard, en by Breehorn, als mede op verscheiden' plaatzen der Zuidwal … In vroege tyden waste het Wier meer in het Oude Vlie, dan by Wieringen, waartoe de goede gelegenheid der gronden aanleiding gaf: de Waarden en Velden zyn 'er grooter,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 20, 2, 56 [1782].
Meertjes, gemeen liggende met den Heerhugowaard, die alleen in Valkoog als 't ware een dam vonden, die hen van de zee (t.w. de Zuiderzee) scheidde, en deze belette zich … in verbinding te stellen met den genoemden Waard,   G. DE VRIES, Holl. Noorderkw. 23 [1864].
De Waard is eene bedijking ten oosten van de Wieringerwaard en ten zuiden tegen een gedeelte van den West-Frieschen dijk gelegen. De Groetpolder ligt ten oosten tegen den West-Frieschen zeedijk. … Deze bedijking wordt bemalen,   BLINK, Nederl. 2, 142 [1892].
Samenst. — Als tweede lid o.a. in: Bommelerwaard, middelwaard, Tielerwaard, uiterwaard.
Als eerste lid in: waardbosch, bosch dat op een waard groeit, inz. wilgen- en elzenhout; griend(bosch).
In lager streken, meer in de nabijheid der rivieren, treft men waard- en griendbosschen aan,   Alb. d. Nat. 1858, 1, 324 [1858].
Waardgeerzen, (mv.) eert. ben. voor die landen van Geestmerambacht, die buiten de dijken langs den Heer-Hugowaard (N.-Holl.) gelegen waren. Zie verder i.v. BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. [1907], alsook s.v. geers (ibid.) en Dl. IV, 693.
Op de banne (rust) de verpligting om jaarlijks in de kosten van den Westfrieschen dijk aan Geestmerambacht te vergoeden 1/112 van de ondergedijkte penningen, en zulks ter zake van hare Oude Waardgeerzen,   G. DE VRIES, Zeew. 547 [1864].
Waardgronden, (mv.) thans ben. voor de bij eb droogvallende gronden in het westelijk deel van de Waddenzee; eert. ook in toep. op de waarden in het noord. deel der Zuiderzee (o.a. de Lutjes-, de Wieringer- en de Grienderwaard, vgl. BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. [1907] s.v. waard).
Men wordt dit (t.w. "het opgeeven van verschillende uitwaasemingen") op de slikken van den Helius … gewaar: insgelyks op de Waard-gronden, op de aanwassen agter Texel, het Eyer-eiland enz.,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 18, 344 [1778].
In de Heere Hugo waard zyn graslanden, waarin te vooren geen Unjer bekend was … Deeze Waardgronden bestaan meest al uit een blaauw zand, met klei gemengd,   Verh. Maatsch. Landb. 2, 3, 69 [1783].
Die uitmaling op de Zijper waardgronden mocht naderhand geen belemmering zijn, wanneer men tot eene bedijking van de Zijpe over zou gaan,   G. DE VRIES, Dijks- en Mb. 352 [1876].
Het eiland Terschelling en de Waardgronden,   BLINK, Nederl. 2, 403 [1892].
Waard(en)hout, hout dat op de waarden of grienden groeit, inz. wilgenhakhout (Salix viminalis, S. amygdalina, S. vitellina L., S. triandra L.), gebruikt voor horden, rijsbeslag, ribstukken; rijshout, ruwbast, tweebast, werfhout. Zie ook WAARD (III).
  V. DALE [1872 ].
— Sal … geen … weertholt, willigen ende poppelen, die knotbaer sijn, t'ontijde gehouwen mogen worden,   Landtr. v. Over-Yss. 2, 16 [1630].
De gemeene Wilg; de Roodband, de Graauwbast, en de Katwilg; de drie laatste zyn bekend, onder de benaaming van Waarden- of Hoephout,   Verh. Maatsch. Landb. 11, 1, 65 [1794].
Eindelijk komt nog het waard- of twijg-hout in aanmerking, zijnde … eene wilg-soort, die zeer tierig aan de rivieren groeit, waar het jaarlijks door het slib der rivieren gemest wordt,   ENKLAAR, Handb. Landb. 361 [1854].
Terwijl het gras vroeger niet meer dan f 80 opbracht, brengt thans alleen het waardenhout jaarlijks gemiddeld f 225 op,   Versl. Landb. 1918, 1, 124 [1918].
Vandaar: waardhoutpas, waardhoutbosch.
Men (vindt) met uitzondering van elzen-, wilgen- of waardhoutpassen, op vochtige, drassige gronden de bosschen het meest in de zandstreken,   ENKLAAR, Handb. Landb. 16 [1854].
Waard(s)land, (Gron.) laaggelegen buitendijksch land. Gewest. in N.-Brab.: stukken grond binnen de zomer-, soms ook binnen de winterbedding (W.B.D. 1, 2, 247 a [1967]).
  V. DALE [1914 ].
— Tonnys Janszen de tapper gehuert een heem, daer he nu nyes op getymmert heft, myt noch 1 ackerken wyrtlantz in Anna Steenmesselarsheem gelegen, sall jarlijx geven 8 Arens g., 6 jaer lanck,   R.G.P. 140, 144 [Gron., 1551].
Gheert smyt gehuert een huesstede myt een stucke wyrdtlandes daeran gelegen, sall geven 2 Emd.g.,   Ald.
  [1551].
Thomas kremer een stede myt een stucke wyrtlantz daer achteran gelegen, so breet als dat heem ys, sall jarlijx geven 16 Arensg.,   Ald.
  [1551].
Waardmeester, opzichter over de waarden.
Dat die xlviij gesworen meente an hem holden ende verdoen sullen alle desse offitien, als brugmeister, paelmeister, weydemeister, weertmeister, dyckmeister, schutmeister en dergelycken,   Kamper Kron. 2, 30 [1519].
Dat die vursz tichler dat twelffte duijsent stheens der Stat geven sall, und soe vern ein Ers. Raet und Weerdtmeesteren esterick gebacken wolden hebben, sullen sij mitten ticheler accordieren und geven nae advenant als van den stheen,   HOLLESTELLE, Steenbakk. 294 [1569].
Waard(en)polder.
De dorpspolders of waardenpolders, … welke ieder voor zich op de Linge of een der beide groote rivieren afwateren,   Versl. Landb. 1917, 1, 123 [1917].
Waardrecht, het voor een waard geldende recht.
Welck zant men van den selven weert bevaren en bereyden mogt, also dat na gemeyne Landt-, Waerdt-, en beschreven rechten doen ter tyt den voornoemde haeren Vader en Lodewyck toequam,   in SCHRASSERT, Cod. Gelro-Zutph. 2, 485 [1552].
Waardrijs, op waarden groeiend rijshout, zie ook waardhout.
Claes Kelffken van dat hy heft gheveurt van Bronchorst wert van Halderen hier, 2 clein vimmen wertriiss gegeven 24 st.,   Rek. v. Nijm. 2, 216 [1511].
Summa van desen wertrisen, die Jan v. B. gelevert heft, beloept samen 48 gl. 12 1/2 st.,   2, 220 [1511].
Soo is hier oick van doen waegens ende treckperden om de pontten met wertrijs, als andere schepen, hoeger te trecken,   R.G.P. 108, 137 [1606].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1988.