Koppelingen:
Vorig artikel: WAGENMEESTER Volgend artikel: WAGENSCHOTTEN I
GTB Woordenboeken: MNW

WAGENSCHOT

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: wagenschot

WAGESCHOT —, znw. onz., mv. (uitsl. bij de bet. 2) -ten. Mnl. wagenschot. De etym., m.n. van het eerste lid, is niet zeker, het tweede lid mag wsch. wel als schot (III) geïdentificeerd worden; wellicht mag ook voor het geheele woord aangenomen worden dat het, net zooals de ermee aangeduide houtsoort, uit het Oostzeegebied afkomstig is. Het is aanlokkelijk om wagenschot als samenst. te beschouwen bij waag ‘wand’, aangezien bij het beschieten van wanden vaak van deze houtsoort gebruik gemaakt wordt of werd; het beschieten van wanden met (eiken)hout wordt bovendien in WITSEN, Mosc. Reyse 21 [1664] (Linsch.-Ver. 66) als iets karakteristieks genoemd voor de Oostzeelanden. Toch lijkt men het eerste lid als wagen (I) te moeten identificeeren: zoowel in het mnd. als in het mnl. is de oudste vorm steeds wagensc(h)ot en nooit wage- of waagschot; daarenboven kunnen mhd. wanschoss, wainschoss en (m)eng. wainscot alleen vanuit een vorm wagenschot verklaard worden: de mhd. vormen door samentrekking, de eng. door vert. van het eerste lid als wagen (I). Deze taalkundig gezien blijkbaar het meest voor de hand liggende etym. wordt echter niet door de practijk van de wagenmakerij bevestigd, aangezien uit ons materiaal nergens in voldoende overtuigende mate blijkt dat wagenschot specifiek in den wagenbouw gebruikt werd. Het is echter niet ondenkbaar dat niet de practijk van den wagenmaker, maar wel een volksetym. reïnterpretatie van het eerste lid (dat niet meer als waag ‘wand’ herkend werd) verantwoordelijk is voor het ontstaan van den met wagen (I) te verbinden vorm wagenschot (vgl. voor een mog. gelijkaardig proces de etym. van WAGENWIJD). Een bezwaar hierbij is dan evenwel dat wageschot reeds heel vroeg (t.w. nog vóór het woord opgeteekend werd) ten gevolge van de volksetym. tot wagenschot omgevormd moet zijn. De suggestie die in KIL. [1588 ] gegeven wordt, dat wage(n)- in wagenschot op waag ‘golf’ of ‘golvende lijn, teekening’ terug te voeren is (zie de eerste aanh. hieronder) doorstaat den toets met de realiteit heelemaal niet: wagenschot is immers rechtdraadsch, niet-gevlamd eikenhout, waarin zich dus geen teekening (`golven’) gevormd heeft. Voor aanvulling of ondersteuning van de hier gegeven etym. hypotheses, zie men verder D.W.B. i.v. wagenschosz, O.E.D. i.v. wainscot, Wörterb. Ostfr. Spr. i.v., de etym. wdb. en de persoonlijke aanteekeningen van A. BEETS in het W.N.T.-archief.
+1.  Als stofn.: rechtdraadsch, inz. uit oost. Europa ingevoerd eikenhout, afkomstig van over de volle lengte doormidden gezaagde of gekloofde stamstukken van een bepaalde lengte; vaak ook als coll., als ben. voor de rechtdraadsche, gladde eiken planken die op een zoodanige wijze uit stamstukken van een bepaalde lengte gezaagd zijn, dat ze slechts aan één zijde waan of spint hebben en in hun midden nooit hout uit het hart. Wagenschot wordt in het alg. beschouwd als het beste eikenhout en wordt vnl. gebruikt voor betimmeringen en de vervaardiging van fijnere meubelen. — De opvatting m. betr. t. de toep. van het wagenschot, zooals die in de tweede aanhaling weergegeven wordt, berust zeer wsch. op etym. hineininterpretierung van den auteur.
Waeghe-schot. Lignum scriniarium, materia scriniaria: Becano dicitur lignum excrescens in modum undarum sese crispantium,   KIL. [1588 ].
Het Wageschot, zoo genaamd, om dat voor veele Jaaren ook al tot het beschieten van Wagens, is gebruikt geworden; alhoewel ook Eiken, en seer glad Hout is,   V. YK, Scheepsb. 46 [1697].
Wagenschot is de halve breedte des booms; of minder, wanneer de boom, in de cirkel na het midden tot het hart te zamen komende, in drien geklooft is; overzulks heeft het een harde kant, ook is het hout in het geheel, na de binnen-kant, harder, en na de buiten-kant zagter en witter, zynde tegen deze zagte kant, het zoo genaemde Spint,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 194 [1737].
Wagenschot, gekloofde eiken blokken, welke langs de Rijn naar Nederland worden vervoerd, alwaar zij tot planken van 1/2 tot 1 duim dikte worden gezaagd, ten einde ze tot klein vaartuig of allerlei beschotwerk te verwerken. Ook komt het veel van Riga over de Oostzee,   C. DE JONG, Handwdb. [1869].
Het eikenhout wordt onderscheiden in: wagenschot en klotshout. Het wagenschot wordt verkregen van de beste, recht gegroeide en zwaarste stammen; deze worden door het hart over de lengte gekloofd,   SCHOLTEN, Timm. 14 [1903].
Onder Wagenschot … verstaat men planken gezaagd van doormidden gekloofde eiken stamstukken van omstreeks 4 M. (14 voet) lengte,   V.D. KLOES, Wagenm. 30 [1907].
— Een portael van wagescot (uit een inventaris),   R.G.P. 140, 110 [1533].
Die thoern salmen decken met wagenschot ende … plancken. Den selfden thoern salmen decken met leyen ende die posten ende anders met loot becleet als dat behoert,   in Haarl. Bijdr. 62, 67 [1554].
Een schenckthrysoer van wageschodt met 2 berdekens ofte tavereeltgens daerop staende,   R.G.P. 141, 120 [1568].
Sommige meynen dat het (t.w. het vagevuur) maer met wagenschot plach afghepaelt te zijn, ende dat het wagenschot nu ouerlange verbrant is geweest, so dat nu de helle ende het vagevyer al maer een gat ende een vyer en maken,   MARNIX, Biënk. 2, 8 (blz. 174 b) [ed. 1569].
Uw Ed. believe ons te laten weten, off onder het woordeken — eyckenhout — vermelt in de lijste van de goederen … ooc begrepen zy het wagenschot,   R.G.P. 80, 349 [1597].
'T boot vant R. wert aen lant gebracht om te repareeren, waertoe geen wageschot hebbe, maer met balckdeelen moet gedaen sijn,   Dagreg. São Jorge da Mina 290 [1647].
Hunne … Bed-steden sijn regte Land-cajuyten hoog genoegh om 'er met een Ladder … op te klimmen. Als gy der eens op bent, zyt gy rontom met Wagenschot omcingeld, als met een wal,   Ontpl. Holl. 18 [1684].
An G., coopman te Cortrick, overleveringhe van wagheschot, naeghels ende andersints tot maecken van den nieuwen communie banck, ijc xxxlb. xj. sc. par,   bij REMBRY-BARTH, Hist. de Menin 4, 610 [1710].
De Boschbewooner van Silesiën … levert gantsche vlotten Van Wagenschot, van Knies, en ander timmerhout,   BRUIN, Lustplaats Soelen 143 [1723].
Ze gebruiken … tot de beschotten der Kabinetten gemeenlyk dun Wagenschot, of zoogenaamd Spreidsel,   BERKHEY, N.H. 2, 1200 [1771].
Dit hout (t.w. wagenschot) wordt van de beste en zwaarste eikenboomen in Duitschland genomen, die in het kruis of op de helft gekloofd worden; zoodat de planken, van stukhout of wagenschot gezaagd, nimmer het hart in het midden kunnen hebben, en daardoor aan trekken minder onderhevig zijn,   PASTEUR, Bouwk. Handwdb. 3, 244 [1850].
Zoo zyn er, die zich schilder wanen, omdat ze — als Apelles — fouten maken in 'n bottine. Anderen roepen 't anch io sono pittore! als er bleek dat ze hun wageschot kochten by den fineerzager die plankjes leverde aan Michel-Ange,   MULTATULI 5, 58 [1871].
De betimmering van beide kamers is, even als het smaakvolle en doelmatige meubilair, van uitgezocht fijn wagenschot,   ALLAN, Haarlem 4, 213 [1888].
De gepanseelde lamberseeringe van de capelle, in oud bruin wageschot uitgewrocht,   Verz. GEZELLE [Kortrijk, voor 1899].
+2.  Als voorwerpsn.: plank van wagenschot.
Wagenschot, dun gezaagde eiken plank of planken,   BOMHOFF [1857].
— Den holtsnyderen gegeven van holt ende wagenschotten, die opten Craen gedeckt ende anden werff verbesicht ziin, to snydegelt 6 gl. 18 st.,   Rek. v. Nijm. 3, 19 [1519].
Item betaelt J. B. vor 4 wagenschotten to de raiden van de klokken … IIII π VIII st.,   Oudheidk. Jaarb. 1924, 19 [1567].
Betaelt C. T. van iiij wagheschotten daer die sonne af ghemaeckt is van het maryenbelt het stuk tot xiij st.,   Bijdr. Gesch. Bisd. Haarlem 4, 90 [1575].
Verbiedende voorts eenen yeghelijcken inghesetenen van dese Landschappe … wech te nemen … balcken, masten, sparren, dalien, wagenschotten, oft andersins … die aenden strande aendryven moghen,   Statut. v. Friesl. 4, 189 (ed. 1628) [1596].
Afl. — Wagenschotsch, van wagenschot.
Aan G. S. en Zoon voor geleverde wagenschotse deelen tot een nieuw bord aan den toorn … 19-6-0,   in Bijdr. Gelre 19, 116 [1683].
De Requeste … van weegen S., Houtkooper wt Dordrecht, daar by hy Suppliant hadde versocht haar Hoogh Mog. Permissie …, om aan sijn Klanten in Vlaanderen te moogen senden eenige Wageschotse gesaaghde Plancken,   Gr. Placaetb. 5, 1586 a [1701].
Wagenschotten (I), met wagenschot bekleeden. Niet in Mnl. W.
Waeghen-schotten. Contabulare asseribus tigrinis, vestire varietes tabulis,   KIL. [1599].
— Camer … vierkante, beschotene, ghewaghenschotte, gheschilderde, ghecierde,   SMYTERS, Epith. D 4 v° [1620].
Wagenschotten (II) (zie ald., het eerste art.).
Samenst. — Wagenschotblad, wagenschotten blad of plank.
Men (vertuint) … met wageschot bladen, van zodanige dikte als nodig is,   WITSEN, Scheepsb. 80 b [1671].
Wagenschotboom, eik waaruit wagenschot gezaagd kan worden.
Plinius verbiet geene Fungi te plucken ontrent de Wagheschot boomen, anders Haegh-eycken ghenoemt …, want dese en zijn niet alleen schadichlijck, maer doodelijck seght hy,   V. STERBEEK, Toon. d. Campern. 19 [1675].
Wagenschot(s)hout.
  BOMHOFF [1857].
Wagenschotshout. Bois de merrain,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— Eikenhout. Het wagenschot- en kloshout wordt buiten het hart gezaagd,   Alg. Voorschr. 1901, § 325 [1901].
Wagenschotkas, beschuttend omhulsel van wagenschot.
Een wageschodt casse, van binnen zijnde een koets ofte kijnderbedde,   Oork. St. Anth.-Gasth. 825 [1585].
Wagenschotmolen, zaagmolen bestemd om wagenschot uit eiken te zagen.
  RONSE, Windm. [1934].
— Dat … uyt de gemene beurs op het fondament, dat tot een muelen geordonneert is … gemaeckt sal werden een wageschotsmuelen,   R.G.P. 144, 183 [1638].
Wagenschotzaagmolen.
  Gr. Volk. Moolenb. 1, 2 b [1734].
Wagenschotzager.
1°. Houtzaagmolen die vnl. wagenschot zaagt.
  BOEKENOOGEN [1897].
Vóór de stoomperiode heetten de zaagmolens: Wagenschot- of eiken-, balk- of sommer-, dennen- of zwaar hout-, latten- en veerenzagers,   W. BUYS, Windmolens 20 [1919].
2°. Persoon die wagenschot zaagt.
  V. DALE [1898 ].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1988.